Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.1
2.1 Inleiding
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS478041:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld voor het Romeinse recht: Potjewijd 1998, p. 106-107 en 118-121; en Van Hoof 2015, p. 29-38. Bijzondere vermelding verdient de zogenaamde ‘generale hypotheek’, die in de Romeinse financieringspraktijk zeer gebruikelijk was. Met een generale hypotheek vestigde de zekerheidsgever door middel van één vestigingsovereenkomst zekerheid op zijn gehele vermogen, dat wil zeggen zowel de bestaande als de toekomstige delen daarvan. Zie daarover onder anderen Van Hoof 2015; Verhagen 2013, p. 63-66; en Zwalve 2006c, p. 18-21.
Vgl. art. 3:97 lid 1 en 3:239 lid 1 BW, alsmede art. 35 lid 2 Fw.
11. Het leerstuk van de levering bij voorbaat van toekomstige goederen heeft een bewogen geschiedenis. Zij houdt vooral nauw verband met de blijvende wens van crediteuren om zekerheid te verkrijgen op de toekomstige vermogensbestanddelen van een zekerheidsverschaffer, zonder de noodzaak van latere, nadere handelingen. De vraag naar de juridische toelaatbaarheid van dergelijke constructies is van alle tijden.1
Dit hoofdstuk stelt de ontwikkeling van het Nederlandse recht op het punt van de levering van toekomstige goederen centraal. De nadruk ligt daarbij op de zekerheidsfunctie van de figuur. Binnen het tijdsbestek van een eeuw heeft het Nederlandse recht zich ontwikkeld van een rechtsstelsel dat de levering van toekomstige goederen principieel afwees naar een stelsel dat principieel open staat voor dergelijke arrangementen. Het Burgerlijk Wetboek huldigt thans het uitgangspunt dat alle toekomstige goederen bij voorbaat kunnen worden geleverd.2 Het Nederlandse recht kent echter ook nog enkele belangrijke beperkingen, die deels zijn terug te voeren op de periode dat het recht meer afkerig was van de figuur.3
Het hoofdstuk is opgezet als een chronologische weergave van het proces dat is begonnen onder het regime van het Burgerlijk Wetboek van 1838 en tot op de dag van vandaag voortduurt. De nadruk ligt daarbij op de ontwikkeling die is doorgemaakt in de laatste honderd jaar. Deze beschouwing is verdeeld in drie periodes. De eerste periode, waarin het Nederlandse recht afkerig stond ten opzichte van de figuur, wordt besproken in § 2.2. In § 2.3 wordt aandacht besteed aan de daaropvolgende periode, waarin zich een langzame ontwikkeling voltrekt naar erkenning van de figuur in de rechtspraak en wetgeving. § 2.4 is gewijd aan de periode van codificatie van het leerstuk in het Burgerlijk Wetboek van 1992 en de daaropvolgende verfijning in de rechtspraak. Tot slot wordt in § 2.5 de blik op de toekomst gericht.
De gang van het Nederlandse recht staat niet op zichzelf. In rechtsstelsels die verwant of naburig zijn aan het Nederlandse recht hebben zich vergelijkbare ontwikkelingen voorgedaan. Daarnaast zijn de laatste decennia enkele internationale codificaties verschenen waarin aandacht wordt besteed aan de levering van toekomstige goederen. In dit hoofdstuk worden dan ook enkele rechtsvergelijkende opmerkingen gemaakt.