Navraag bij de griffie van de Rechtbank te Rotterdam heeft opgeleverd dat het in de strafzaak tegen de beslagene verbeurdverklaarde geldbedrag het gehele bedrag betreft waarop het beklag betrekking heeft.
HR, 25-06-2013, nr. 11/01595
ECLI:NL:HR:2013:1273
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-06-2013
- Zaaknummer
11/01595
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:1273, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1213, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:1213, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑04‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1273, Gevolgd
Uitspraak 25‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag, 2 blokken goud en 2 merkhorloges onder ander (A) t.z.v. verdenking van o.m. witwassen. Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat voorwerpen in strafzaak tegen A bij arrest van Hof verbeurd zijn verklaard.
Partij(en)
25 juni 2013
Strafkamer
11/01595
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van4 november 2010, nummerRK 09/536, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat de klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rechtbank van 4 november 2010 waarbij een klaagschrift van de klager voor zover strekkende tot teruggave van een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag van € 308.925,- ongegrond is verklaard.
2.2. De beschikking van de Rechtbank houdt, voor zover hier van belang, in:
"De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, in die strafzaak (definitief) oordelend, het in beslag genomen geld zal verbeurdverklaren.
(...)
Ten slotte heeft de rechtbank, in dezelfde samenstelling als de huidige kamer, in bovengenoemde strafzaak tegen [betrokkene 1], in een vonnis van dezelfde datum als die waarop de onderhavige beslissing tegen het beklag wordt gewezen, [betrokkene 1] veroordeeld voor - kort gezegd - de handel in verdovende middelen en het witwassen van het in beslag genomen geld. Daarbij is ook als bijkomende straf de verbeurdverklaring van dat geld opgelegd."
2.3.
Blijkens de door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen zoals in de conclusie vermeld, betreft het in de strafzaak tegen de beslagene verbeurdverklaarde geldbedrag het gehele bedrag waarop het beklag betrekking heeft.
2.4.
Deze beslissing omtrent het beslag in de strafzaak tegen een ander dan de klager betekent dat de klager, die teruggave heeft verzocht van het geldbedrag ten aanzien waarvan inmiddels bij voormeld vonnis is beslist, geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de Rechtbank van 4 november 2010, waarin zijn beklag ongegrond is verklaard. De klager dient daarom in het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. In de bestreden beschikking is immers naar zijn aard een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande. Door die beslissing omtrent het beslag in de strafzaak tegen [betrokkene 1] kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Dit is ingevolge art. 552b Sv eerst anders nadat de beslissing tot verbeurdverklaring in de strafzaak uitvoerbaar is geworden. De klager dient daarom in zijn beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013.
Conclusie 23‑04‑2013
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag, 2 blokken goud en 2 merkhorloges onder ander (A) t.z.v. verdenking van o.m. witwassen. Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat voorwerpen in strafzaak tegen A bij arrest van Hof verbeurd zijn verklaard.
Nr. 11/01595 B
Zitting: 23 april 2013
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[klager]
1. De Rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 4 november 2010 het beklag van de klager ex art. 552a lid 1 Sv ongegrond verklaard.
2. Tegen deze uitspraak is namens de klager cassatieberoep ingesteld.
3. Namens de klager heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt erover dat van de behandeling van het klaagschrift van de klager in de meervoudige raadkamer van de Rechtbank op 8 oktober 2010 geen proces-verbaal is opgemaakt.
4. De ontvankelijkheid van het beroep
4.1. Aan de bespreking van het middel kom ik niet toe. Het beklag heeft betrekking op de inbeslagneming van een geldbedrag van € 308.925 onder de beslagene [betrokkene 1] en op het uitblijven van een last tot teruggave van dit geldbedrag aan de klager. In de bestreden beschikking heeft de Rechtbank geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de rechter in de strafzaak tegen de beslagene tot verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag zou beslissen en dat het belang van strafvordering zich om die reden tegen de teruggave van het geldbedrag aan de klager verzette. Uit de overwegingen van de Rechtbank op p. 3 van de bestreden beschikking blijkt vervolgens dat de Rechtbank te Rotterdam op dezelfde datum als de datum van de beschikking vonnis heeft gewezen in de strafzaak tegen de beslagene en dat bij dit vonnis aan de beslagene inderdaad als bijkomende straf de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag is opgelegd.1.
4.2. In zijn beschikking van 8 januari 2008 (LJN BB8989) overwoog de Hoge Raad als volgt met betrekking tot een geval waarin de strafrechter na de datum van de bestreden beschikking de bewaring ten behoeve van de rechthebbende had gelast van het geldbedrag waarop het klaagschrift betrekking had:
"De klager dient daarom in het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. In de bestreden beschikking is immers naar zijn aard een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande. Door die beslissing omtrent het beslag in de strafzaak tegen de klager kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen."
Wat voor een beslissing tot bewaring ten behoeve van de rechthebbende geldt, geldt zeker ook voor een door de strafrechter uitgesproken verbeurdverklaring. Niet van belang is daarbij of de beslissing van de strafrechter in kracht van gewijsde is gegaan of niet. De klager/verdachte kan de verbeurdverklaring desgewenst in hoger beroep aanvechten.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑04‑2013