Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.1.2
V.1.2 De voorgeschiedenis
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS379792:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De in de blokkeringsregeling voorziene instantie, bijvoorbeeld de voorzitter van een KvK, moest dan een deskundige benoemen. Zie Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 19.
Art. 53b en 53c WvK waren in het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht van overeenkomstige toepassing verklaard. Zie voor deze artikelen Stb. 1970, 411. Art. 53b (lid 1) WvK kwam overeen met het huidige art. 2:351 lid 1 BW (met uitzondering van de laatste zin van lid 1 over de voormalig bij de vennootschap betrokkenen; deze zin kwam eerst in de wet met de herziening van het enquêterecht in 1993, zie Stb. 1993, 597). Art. 53b (lid 2) WvK zag op de nauw verbonden rechtspersoon, zie het huidige art. 2:351 lid 2 BW. Art. 53c WvK is overgeheveld naar art. 2:352 BW.
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 12, 15, 19-20, 23. De benoeming van deskundigen bij uitstoting (`bevel tot overdracht') was opgenomen in een ingewikkeld geformuleerd art. 2. Bij de uittreding was art. 2 ingevolge art. 7 van overeenkomstige toepassing. Art. 2 van het ontwerp luidde: `1) Indien de vordering is toegewezen, wordt de prijs waartegen de gedaagde zijn aandelen moet overdragen, op verzoek vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen als bedoeld in artikel 571, vijfde lid, van het Wetboek van Koophandel, die daarbij de in de blokkeringsregeling vervatte bepalingen omtrent de waanlering van aandelen in acht zullen nemen. Het verzoek tot vaststelling van de prijs kan door de meest gerede partij worden gedaan zodra de uitspraak waarbij de vordering is toegewezen, kracht van gewijsde heeft gekregen. Is de benoeming van deskundigen niet binnen vier weken nadat het verzoek is gedaan, geschied, dan benoemt de voorzitter van de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam deskundigen op schriftelijk verzoek van de meest gerede partij. 2) De deskundigen delen de door hen vastgestelde prijs bij aangetekende brief mee aan de vennootschap en aan alle aandeelhouders op hun adres opgenomen in het register bedoeld in art. 571 van het Wetboek van Koophandel.'
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 16-17 (ontwerp wettekst), p. 20-22 (toelichting).
Bovendien was er dan informeel overleg mogelijk. Partijen zouden zo eerder tot een compromis komen.
Advies RMK (1970), p. 14-18, p. 27-31. In het Advies RMK (1976) n.a.v. het Voorontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht staan een samenvatting van het 1970-advies op p. 4-6. De RMK wilde met zijn geschillenregeling zo veel mogelijk aansluiten bij het enquêterecht. Toch zag hij een duidelijk verschil met een enquêteprocedure. Het oplossen van een geschil tussen aandeelhouders was iets anders dan het opheffen van wanbeleid, aldus de RMK. Zie Advies RMK (1970), p. 19-20; zie ook Advies RMK (1976), p. 6. Overigens kwam de deskundige die de aandelen kon waarderen, in de RMK-geschillenregeling wel zijdelings in beeld. Bij een bevel tot uitstoting of uittreding kon de OK namelijk een deskundigenbericht uitlokken teneinde de 'contraprestatie' van de verkrijger vast te stellen.
Advies RMK (1976), p. 9-11. Bij de voorgestelde wijze van levering en betaling (in het bijzonder het volgen van de statutaire blokkeringsregeling bij uitstoting) plaatste de RMK geen kanttekeningen.
Rapport Gecombineerde Cie (1978), p. 2-3.
In 1978 verscheen eveneens de Nota van het NGB. Het NGB zag niet goed waarom er na een prijsvaststelling door deskundigen bij de uittreding werd afgeweken van een statutaire aanbiedingsof goedkeuringsregeling. De verhouding tussen de verschillende groepen aandeelhouders kon zo eventueel gewijzigd worden. Dit vond het NGB ongewenst. Zo zou een ongewenste verschuiving in het aandelenbezit kunnen optreden, en een voordeliger positie voor de 'foute' aandeelhouder was het gevolg. De overdracht via de blokkeringsregeling deed zulks voorkomen. Zie Nota (NGB), p. 5-8.
Voorontwerp (1981), p. 9-10.
Voorontwerp (1981), p. 6 en toelichting p. 28. De aandeelhouders die zich aan de zijde van de gedaagde aandeelhouder voegden, dienden de rechter te vragen de blokkeringsregeling toe te passen.
Ik neem aan dat de wetgever in de toelichting van het voorontwerp van 1981 de Voorzitter van de OK en niet de OK in volledige samenstelling bedoelde. Het voorgestelde wetsartikellid bepaalde namelijk: `(...) dan benoemt de voorzitter van de ondememingskamer hen op schriftelijk verzoek van de eisers. De ondememingskamer bepaalt daarbij tevens (curs. CB) te wiens laste de kosten van de prijsvaststelling komen (...).' Ook op dit punt diende de blokkeringsregeling weer als leidraad: indien over de kosten van de deskundige iets in de statuten stond, behoorde de rechter deze bepaling in acht te nemen.
Toelichting bij het voorontwerp (1981), p. 19-21.
Zie art. 2:195 lid 3 en 4(oud) BW, met het vervallen van de Departementale Richtlijnen (Wet herziening preventief toezicht) vemummerd tot resp. lid 4 en 5, zie Stb. 2000, 283.
Toelichting bij het voorontwerp (1981), p. 23.
De wettelijke geschillenregeling was in een door de Commissie Vennootschapsrecht opgesteld ontwerp uit 1975 geheel anders van opzet en indeling dan de huidige. Er was voorzien in een procedure in twee fasen. De eerste fase betrof de behandeling door de rechter van de uitstotings- of uittredingsvordering. Wees de rechter de vordering toe, dan kon mogelijk de tweede fase volgen. Noodzakelijk was deze tweede fase echter niet. De Commissie Vennootschapsrecht voorzag dat de blokkeringsregeling tot een 'vrijwillige afwikkeling' zou moeten kunnen leiden. Een statutaire aanbiedingsregeling wees gegadigden aan, aan wie de veroordeelde aandeelhouder zijn aandelen overdroeg, al dan niet vrijelijk. De aandeelhouder mocht proberen met deze potentiële nieuwe aandeelhouder(s) tot overeenstemming te komen over de prijs van de aandelen. Indien de aandeelhouder en de gegadigde(n) het niet eens werden over een prijs, bood de tweede fase soelaas. Een van de procespartijen mocht namelijk een verzoek tot prijsvaststelling doen. Zo'n verzoek zette een 'dwingende procedure' in werking. De mogelijkheid van een vrijwillige afwikkeling was hiermee van de baan. Het verzoek hield in dat er een deskundigenbenoeming zou plaatsvinden. De eerste optie was dat de in de blokkeringsregeling genoemde deskundigen de aandelen zouden waarderen.1 Deze onafhankelijke deskundigen moesten hierbij wel de statutaire bepalingen omtrent de waardering van de aandelen in acht nemen. Bleef deze wijze van deskundigen-benoeming langer dan vier weken uit, dan was de aanwijzing door de rechter de tweede optie. De 'meest gerede partij' diende de voorzitter van de OK schriftelijk te verzoeken een of meer deskundigen te benoemen. Anders dan de vordering tot uitstoting of uittreding, betrof het een rekestprocedure.
De deskundigen, al dan niet door de voorzitter van de OK aangewezen, hadden enkele bevoegdheden die de onderzoekers in een enquêteprocedure eveneens hadden.2 Tot slot was bepaald dat zij de door hen vastgestelde prijs bij aangetekende brief aan alle aandeelhouders en de vennootschap behoorden mede te delen. Het ontwerp ging uit van prijsvaststelling door of partijen zelf, of door deskundigen. Het was dus niet de rechter die de waarde bepaalde. Hij beval slechts de uitstoting of de uittreding van de aandeelhouder.
Als moment van waardebepaling moesten de deskundigen uitgaan van de feitelijke situatie op het moment van hun optreden, aldus de Commissie Vennootschapsrecht in 1975. Dit gold bij de uitstoting en de uittreding. Voor het antwoord op de vraag wie de kosten van het deskundigenbericht moest dragen, behoorde wederom de statutaire regeling zoveel mogelijk gevolgd te worden.3
In het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht waren lange artikelen gewijd aan de wijze waarop de afwikkeling van de overdracht bij de uitstoting moest geschieden. De blokkeringsregeling die bij vrijwillige overdracht gold, was ook bij de gedwongen overdracht na een uitstotingsvonnis van toepassing. Zowel met de aanbiedingsregeling als de goedkeuringsregeling diende men rekening te houden. De Commissie Vennootschapsrecht huldigde het standpunt dat de uitstoting er niet toe mocht leiden dat buiten de wil van de betrokken aandeelhouders om een andere machtsverhouding in de vennootschap tot stand kwam. Zodra de deskundigen de prijs kenbaar maakten, gold deze mededeling als het aanbod waarop de aandeelhouders — die in de statutaire aanbiedingsregeling genoemd werden of die door het goedkeurende orgaan waren aangewezen — konden ingaan. Zij hadden hiervoor vier weken. Een resultaat waarbij uiteindelijk niet alle aandelen werden aanvaard, was denkbaar. Het rechterlijk bevel tot overdracht verviel dan. Was tot slot de uitgestoten aandeelhouder niet van zins zijn aandelen te leveren, dan kreeg het bestuur van de vennootschap bij wijze van wettelijke volmacht de bevoegdheid namens hem te leveren.
Bij de uittreding lag dit alles een stuk eenvoudiger. De blokkeringsregeling gold niet, omdat de rechter bepaalde welk deel van de aandelen ieder van de gedaagden moest overnemen. Ook de aan de vennootschap gegeven bevoegdheid namens de weigerachtige aandeelhouder te leveren, bleef achterwege. De uittredende aandeelhouder wilde ongetwijfeld meewerken aan de levering, was de gedachte van Commissie Vennootschapsrecht. Overigens ontbrak een bijzondere voorziening voor de situatie dat de overnemende aandeelhouders niet zouden betalen. De uittredende aandeelhouder diende 'langs normale bestaande wegen' zijn geld op te eisen.4
De ideeën van de Commissie Vennootschapsrecht kwamen niet geheel uit de lucht vallen. In 1970 had de RMK al een 'proeve van wetsartikelen' gepubliceerd teneinde conflicten tussen aandeelhouders te kunnen oplossen. De RMK deelde de procedure net als de Commissie Vennootschapsrecht in twee fasen in. De inhoud van de fasen was echter een totaal andere. Ook had de RMK een andere functie voor de deskundige in gedachten. Het uitgangspunt van de door de RMK voorgestelde regeling was 'een oplossing in der minne'. In de eerste fase kon een (minderheids)aandeelhouder de OK verzoeken drie deskundigen te benoemen. Deze deskundigen kregen vervolgens de taak een schriftelijk advies uit te brengen over de mogelijkheden tot opheffing van de 'gewichtige moeilijkheden' die tussen de aandeelhouders waren ontstaan. Het was de bedoeling een objectieve analyse van de deskundigen te verkrijgen, gericht op een minnelijke oplossing van het geschil.5 Het advies was vrijblijvend, de aandeelhouders en de vennootschap waren in de ogen van de RMK geheel vrij het advies te aanvaarden. De idee van een minnelijke oplossing lag eveneens besloten in een tussenfase. Er was namelijk in een afkoelingsperiode voorzien. Na het advies konden de aandeelhouders zich dus bezinnen. Zij mochten het advies van de deskundigen opvolgen of alsnog anderszins tot onderlinge overeenstemming komen. De tweede fase ging eerst in indien de moeilijkheden voortduurden. De OK kon dan de uitstoting of de uittreding bevelen.6
Het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht uit 1975 voorzag niet in de benoeming van deskundigen die advies zouden uitbrengen over de oplossing van de moeilijkheden. De RMK bleef bij zijn standpunt dat er een voorstadium of eerste fase van 'bijgestuurd overleg' in de geschillenregeling opgenomen diende te worden. Hij meende dat de rechter minder goed was toegerust om zich intensief bezig te houden met het opsporen van de alternatieven en de details van de goede oplossingen voor bepaalde gevallen. De rechter zou, gezien het gecompliceerde karakter van de problemen binnen de BV, veelal toch een deskundigenrapport vragen. Een tweede argument zag op de belasting van de rechterlijke macht. Het aantal procedures bleef door het voorgestelde voorstadium beperkt. BV's wilden moeilijkheden immers in eigen kring oplossen en de verwachting was dat zij het advies op zouden volgen. De taak van de rechter werd dus beperkt. De RMK concludeerde dat het deskundigenadvies, voorzien in zijn eerste fase, niet mocht worden overgeslagen.7
De praktijkbeoefenaars — verenigd in de Gecombineerde Commissie — konden zich in beginsel vinden in de wijze waarop het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht de waardering en de overdracht van de aandelen vormgaf, waarbij als uitgangspunt de statutaire regeling inzake de prijsbepaling en de overdracht gold. Slechts indien de benoemende instantie de deskundige niet zou aanwijzen, was het de rechter die op verzoek een deskundige benoemde. De Gecombineerde Commissie deed vervolgens de suggestie om de deskundigenbenoeming altijd en direct door de rechter te laten plaatsvinden. Zij beoogde hiermee 'een aanzienlijke vereenvoudiging en tijd- en geldbesparing'. Eventuele statutaire bepalingen over de deskundige moesten in de rechtelijke aanwijzing verdisconteerd worden. Zo wend slechts de statutaire benoemingsprocedure terzijde gesteld; de eisen die de statuten aan de deskundige stelden, werden afdoende in acht genomen. De vennootschap diende uiteindelijk zorg te dragen voor mededeling van de door de deskundige vastgestelde prijs en voor de afhandeling van de overdracht conform de statuten.8
De Gecombineerde Commissie wees erop dat de statuten niet altijd een duidelijk voorschrift over de betaling van de kosten van een deskundigenbericht bevatten. Zij pleitte ervoor dat de rechter de vennootschap kon aanwijzen als degene die de kosten voor haar rekening diende te nemen.9
De bovengenoemde suggesties en commentaren van de diverse instanties werden verwerkt in een voorontwerp van wet uit 1981. De uitdrukkelijke wens van de RMK om te voorzien in een voorstadium van bijgestuurd overleg met een vrijblijvend deskundigenadvies, wees de minister echter af. Hij dacht dat een dergelijke bemiddeling niet meer zou helpen. Er was immers sprake van 'kennelijke onoverbrugbare tegenstellingen tussen aandeelhouders'. Indien de OK als enige feitelijke instantie proefde dat een minnelijke regeling bereikt kon worden, was een comparitie van partijen de aangewezen weg. De minister wees hierbij op de praktijk in het enquêterecht.10 De suggestie van het NGB bij de uittreding ook de aanbiedings- of goedkeuringsregeling te volgen, honoreerde de wetgever daarentegen wél.11
Voor de overdracht van de aandelen bedacht de wetgever twee scenario's. De aandeelhouder kon wel of niet meewerken aan de overdracht van zijn aandelen. Voor een 'vrijwillige afwikkeling' verwees het voorontwerp naar de statutaire blokkeringsregeling. Nadere regels waren niet nodig. Indien er geen gegadigden werden gevonden voor de aandelen of de aandeelhouder wilde niet meewerken, dan trad een wettelijke overdrachtsregeling in werking. Deze regeling was niet facultatief. Met het verzoek tot prijsvaststelling was sprake van een dwingende procedure.
De eerste stap van deze dwingende procedure was de benoeming van deskundigen die de aandelen dienden te waarderen. De benoeming geschiedde grotendeels langs de door de Commissie Vennootschapsrecht in haar ontwerp uitgezette lijnen: de deskundige van de blokkeringsregeling werd op de in die regeling voorziene wijze benoemd, of de voorzitter van de OK zorgde voor de benoeming na een schriftelijk verzoek. Indien men de benoemende instantie verzocht tot actie over te gaan, maar er binnen een maand geen deskundigenbenoeming had plaatsgevonden, dan was een verzoek aan de voorzitter van de OK legitiem. Ontbeerde de blokkeringsregeling een wijze van benoeming, dan mocht de rechter direct geadieerd worden. De OK bepaalde tevens wie kosten van dit deskundigenbericht moest dragen.12
De deskundigen moesten de wijze van waardering van de blokkeringsregeling volgen, zo die in de statuten was opgenomen. Het moment waartegen de deskundigen de aandelen waardeerden, stond niet dwingendrechtelijk in het voorontwerp van 1981. Uit de toelichting bleek evenwel dat zij moesten uitgaan van de feitelijke situatie op het tijdstip van hun benoeming. Zodra de prijs was vastgesteld, behoorde de deskundige deze schriftelijk aan de vennootschap en de procespartij en mee te delen. In het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht was een uitgebreidere mededelingsplicht voor de deskundige opgenomen. De vennootschap, de procespartijen en de (overige) aandeelhouders moesten per aangetekende brief van de prijs in kennis worden gesteld. De minister vond echter dat de 'taak van verwittiging van de aandeelhouders' geheel in handen van de vennootschap lag. De deskundigen behoefden hier niet mee te worden belast. Een normale, niet-aangetekende brief aan partijen (in de praktijk aan de raadsman) en de vennootschap was voldoende. De partijen moesten er vervolgens op toezien dat de overdracht krachtens de blokkeringsregeling in gang werd gezet.13
De betaling diende te geschieden in contanten. Deze regel vloeide ook voort uit de eisen die de wet aan de blokkeringsregeling bij de BV stelde.14 Omdat de waardering en de overdracht bij de geschillenregelingprocedure zoveel mogelijk trachtten aan te sluiten bij de regels omtrent de vrijwillige overdracht en de bepalingen van de statutaire blokkeringsregeling, gold ook bij uitstoting en uittreding een betaling in contanten. Een NV kon een afbetalingsregeling in de statuten opnemen. Indien in zo'n bepaling was voorzien, dan diende ook deze te worden gevolgd.15
Het voorontwerp uit 1981 werd wederom ter advisering aan de Gecombineerde Commissie, de WK en het NGB gezonden. Alle drie zagen zij geen aanleiding over de benoeming van deskundigen, de prijswaardering en de levering en overdracht van de aandelen opmerkingen te plaatsen.
Het (definitieve) wetsvoorstel uit 1984 week enigszins af van het voorontwerp. Een van de redenen was gelegen in het feit dat het voorstel uit 1981 een aantal malen werd besproken door de Commissie Vennootschapsrecht. De verschillen waren onder meer het resultaat van de discussies in haar vergaderingen. De relevante afwijkingen bespreek ik in de volgende paragrafen. Ik ga eerst in op de benoeming en de werkzaamheden van de deskundigen, zie art. 2:339 lid 1 en 3 BW.