Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/4.6.1
4.6.1 Totstandkoming van rechtersregelingen
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS497031:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het ging hierbij om het voorstellen tot het loslaten van het draagkrachtbeginsel door het hanteren van een forfaitair beginsel.
De gebeurtenissen worden door Dijksterhuis in detail beschreven in hoofdstuk zes van haar proefschrift: Dijksterhuis 2008a, p. 153-198.
Uitgebreider hierover: Hennevelt 2013.
Zie hieromtrent ook: paragraaf 9.3.2.4.
Aanhangsel Handelingen II 2009/10 , nr. 3158.
Hier wordt gedoeld op Meijsen & Jongbloed 2010a (Research Memorandum).
Een voorbeeld hiervan zijn de publicaties inzake de totstandkoming van het Landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken door W.F. Hendriksen in Cleiren & Schoep 2001, p. 149-150, J.P. Leijten in TCR 2000, p. 31-37, H..AE. Uniken Venenema in Cleiren & Schoep 2001, p. 139-148, E.M. Wesseling-van Gent e.a. in Trema 2001, p. 135-150 en J.R. Sijmonsma in PP 2008, p. 145-150.
Voor de Wsnp lijkt Recofa (een werkgroep van de NVvR) initiatiefnemer te zijn geweest. De aanleiding was de ontwikkeling van de nieuwe wet Wsnp. Huls & Schellekens vermelden dat het werkterrein van Recofa werd uitgebreid met de Wsnp. In dit kader is zelfs sprake geweest van samenwerking tussen Recofa en het Ministerie van Justitie in de totstandkomingsfase van de wet. Het onderzoek vermeldt niet op welke onderdelen deze samenwerking plaatsvond: Huls & Schellekens 2001, p. 7 en p. 85. Voor de alimentatienormen heeft de NVvR in het zicht van een op handen zijnde AMvB op dit gebied in 1974 het initiatief genomen tot het instellen van een werkgroep alimentatienormen die de eenheid in het beleid van rechters bij het beslissen over de alimentatieomvang na echtscheiding moest bevorderen: Dijksterhuis 2008a, p. 27 en 35-38.
Hennevelt 2009, p. 23-24.
Teuben 2004, p. 15, zie ook Ynzonides 1994, p. 12 en p. 13 en Ten Haaft 2003, p. 75.
Aldus de Beslagsyllabus juni 2011. De Beslagsyllabus van maart 2001 vermeldt dat de eerste uitgave zou dateren van januari 1993.
Zie paragraaf 2.4.5, slot.
Beslagsyllabus augustus 2012, p. 6.
Tot juni 2008 werd (eenvoudig) begroot door middel van het nemen van een vast percentage van dertig procent van de hoofdsom.
In de vorm van klassieke rechtsvorming bijvoorbeeld: de rechtspraak in drie instanties.
Een soortgelijke conclusie trekt Dijksterhuis, welke in een interview opmerkt dat (nu de Tremanormen er eenmaal zijn) het goed zou zijn de transparantie ervan te vergroten. ‘Er is geen uitleg, een soort Memorie van Toelichting, die duidelijk maakt hoe de normen zijn ontstaan en waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt, terwijl wetgever, advocatuur, en justitiabelen daarbij wel gebaat zouden zijn’, aldus Dijksterhuis. Bron: Bruins 2009, p. 87.
Zie over de rol van het LOVCK bij de totstandkoming van de Beslagsyllabus: paragraaf 9.3.2.1.
Bij afwezigheid van een wettelijke grondslag voor rechtersregelingen zijn ook geen algemene voorschriften voorhanden omtrent de wijze van totstandkoming. Dit heeft mede tot gevolg dat hierop dus ook geen geïnstitutionaliseerde controle vooraf plaatsvindt. Indien een rechtersregelingen door (privaatrechtelijke) verenigingen tot stand gebracht wordt, vormt dit een complicerende factor, omdat besluitvorming daarmee de facto buiten de invloedsfeer van de Rechtspraak ligt. De Trias-controle beperkt zich in de praktijk tot politiek ingrijpen indien een rechtersregeling niet in overeenstemming is met de politiek voorgestane lijn. Een rechtsgebied waarin de politiek zich een aantal malen in de (totstandkoming van) een regeling heeft gemengd is de vaststelling van de hoogte van alimentatie. Dijksterhuis stelt, in het kader van haar onderzoek naar de werkgroep alimentatienormen, vast dat deze initiatieven tot het vastleggen van regels in een AMvB niet hebben geleid tot het overrulen van de rechterlijke keuzes op dit gebied. Alimentatierechters hebben zich, vertegenwoordigd in de NVvR, verzet tegen de toenmalige wetsvoorstellen en daar een eigen systeem, de Tremanormen, voor in de plaats gesteld.1 De wetgever berustte hier uiteindelijk in.2 Een omgekeerde situatie vond onlangs plaats met betrekking tot de kantonrechtersformule: tijdens de jaarvergadering van 1 november 2012 kwam de Kring van Kantonrechters, in verband met een kort daarvoor gepresenteerd regeerakkoord, tot het besluit om geen aanbevelingen vast te stellen omtrent vergoedingen wegens kennelijk onredelijk ontslag na afgifte van een ontslagvergunning, teneinde doorkruising van het wetgevingsproces te vermijden.3
Ook de Beslagsyllabus kwam onlangs (2010/2011) in de publieke en politieke belangstelling te staan vanwege een discussie over de voorwaarden waaronder conservatoir beslag kan worden gelegd. De directe aanleiding was een spraakmakende zaak waarin zakenvrouw Nina Storms (voorheen Brink) meervoudig beslag legde ten laste van onderzoeksjournalist Eric Smit in verband met vermeende schade door diens te publiceren boek ‘Nina. De onweerstaanbare opkomst van een powerlady’.4 Kamerlid Van der Steur stelde in juli 2010 naar aanleiding van deze zaak kamervragen aan toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin.5 De minister antwoordde hierop dat een door het LOVCK ingestelde werkgroep zich inmiddels met de aanbevelingen uit het onderzoek naar conservatoir beslag bezighield. De minister wilde de bevindingen van die werkgroep eerst afwachten alvorens een standpunt in te nemen over de door Van der Steur opgeworpen vraag of de voorstellen die in het onderzoeksrapport6 zijn gedaan door de minister als voldoende vergaand werden gezien en of het Nederlands beslagrecht meer in overeenstemming zou moeten worden gebracht met het beslagrecht in de omringende landen. Nadien is het onderwerp niet meer ter sprake geweest.
Voor informatie over de wijze van totstandkoming van rechtersregelingen ligt het voor de hand om hetgeen in de considerans van individuele rechtersregelingen is opgenomen te raadplegen. Voorts kan informatie worden gevonden in de verslagen van onderzoeken, zoals die van Huls & Schellekens en Dijksterhuis,7 alsmede hetgeen in publicaties door de bij de totstandkoming van de regeling betrokkenen is gepubliceerd.8 Men komt dan tot de conclusie dat veelal onduidelijk blijft welke instantie bepaalt (of misschien zelfs: welke persoon of functionaris) bepaalt dat sprake is van een situatie waarin rechterlijke samenwerking in de vorm van het opstellen van een rechtersregeling gewenst is en waarom. Dit is slechts anders indien (extern) onderzoek naar een specifieke regeling is gedaan.9 Uit onderzoek door Hennevelt naar onder meer de totstandkoming van diverse rechtersregelingen in het burgerlijk procesrecht blijkt dat de regelingen zelf geen informatie geven over de initiatiefnemers, samenstelling van werkgroepen en de wijze waarop de inhoud van de regelingen tot stand is gekomen.10
Over de Beslagsyllabus is bekend dat deze een voorloper heeft gehad in de (niet openbare) ‘aanbevelingen en beleidsbesluiten’ van de vergadering van de toenmalige rechtbankpresidenten.11 Het doel van deze afspraken was om op landelijk niveau de besluitvorming inzake onder meer het verlof tot conservatoire beslaglegging en gerechtelijke bewaring te uniformeren. Deze afspraken hebben een aantal jaren als bijlage deel uitgemaakt van de Beslagsyllabus, waarvan de eerste versie dateert van november 1991.12 Het onderhoud van de Beslagsyllabus en de bijlage kwam toen in handen van rechtbank Amsterdam te liggen.
De bevindingen in het kader van door mij afgenomen ExpertInterviews met (voorzieningen)rechters13 onderschrijven dat informatie over wijze waarop de inhoud van de Beslagsyllabus tot stand kwam, en komt, niet werd en wordt vastgelegd. Zo kon bijvoorbeeld, met uitzondering van de eindredacteur, geen der respondenten de vraag beantwoorden hoe en waarom in 2008 het initiatief tot het opnemen van een de bepaling inzake een differentiatie (staffel) voor de begroting van de vordering in het geval van verhaalsbeslag14 tot stand is gekomen.15
Naar ik meen is met deze situatie sprake van een ongewenst gebrek aan transparantie. Van algemene regels die buiten een wettelijke bevoegdheid tot stand komen mag, met name in het kader van de legitimiteit, toch minimaal worden geëist dat hierover een zekere verantwoording wordt afgelegd over de wijze waarop (de inhoud van) een rechtersregeling tot stand komt, wat de overwegingen zijn en wie hieraan een bijdrage leveren. Hieronder valt mede een motivering met betrekking tot achtergronden waarom bepalingen worden opgenomen of gewijzigd. Omdat uit wettelijke regelingen veelal niet blijkt of bedoeld is dat bewust (beleids- of interpretatie)ruimte wordt geboden, waar vervolgens met een rechtersregeling of anderszins16 in wordt voorzien, is verantwoording inzake de overwegingen van adviserende en/of besluitvormende entiteiten die in dit verband een adviseren of besluiten nemen, mijns inziens een vereiste. Dit betekent dat het in mijn visie onjuist is dat op ‘raadkamer’-achtige wijze, derhalve in de beslotenheid van een privaatrechtelijke organisatie of van (werk)groepen binnen een publiekrechtelijke organisatie als de Rechtspraak, waarvan samenstelling en werkwijze onbekend zijn, algemene regels tot stand komen, zonder dat hierover (publiek) verantwoording wordt afgelegd.17 Dit geldt ook voor de Beslagsyllabus, die sedert 2003 ressorteert onder de verantwoordelijkheid van het LOVCK.18