De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.6.2.1:2.6.2.1 Bevoegdheden
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.6.2.1
2.6.2.1 Bevoegdheden
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372080:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.7.1 voor een nadere toelichting op de verschillende fases waaruit de enquêteprocedure is opgebouwd.
Art. 2:349a lid 2 BW en art. 2:357 lid 1 BW.
Zie art. 2:351 BW, art. 2:352 BW, art. 2:352a BW en 2:354 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Enquêtegerechtigden zijn zelfstandig bevoegd om een verzoek tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken te doen en aldus een enquêteprocedure van start te doen gaan. Enquêtegerechtigden zijn tevens zelfstandig bevoegd tot het doen van een verzoek om vast te stellen dat sprake is van wanbeleid – waardoor een nieuwe fase1 in de enquêteprocedure wordt ingeleid – en tot het treffen van eindvoorzieningen (mits het onderzoeksverslag aan hen ter inzage ligt) en om een verkorting, verlenging, of wijziging van (onmiddellijke) voorzieningen.2 Het gebeurt in de praktijk niet of nauwelijks dat tijdelijk door de ondernemingskamer aangestelde functionarissen dergelijke verzoeken indienen, maar de wet bevat geen (expliciete) beperkingen op dit punt. Hierop wordt in par. 2.6.4 teruggekomen.
Enquêtegerechtigde partijen zijn ook bevoegd om om onmiddellijke voorzieningen te verzoeken. Evenwel is het nu ook weer niet zo dat de enquêtegerechtigden zelfstandig alle verzoeken kunnen doen waarin het enquêterecht voorziet.3 De verzoeken die zij niet kunnen doen, zijn echter niet relevant in het kader van dit onderzoek.