Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.5.3
IX.3.5.3 Voorstel voor een nieuw uitgangspunt: de vordering bestaat, indien de essentialia van de verbintenis aanwezig zijn
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS359917:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. reeds: Coebergh 1934, p. 337.
Zo ook: Olthof 1988, p. 123. In het bijzonder ten aanzien van vorderingen uit de wet zal het echter niet altijd eenvoudig zijn om vast te stellen welk rechtsfeit de vordering doet ontstaan en zodoende de ontstaansbron van de vordering is. Zie hierna: § IX.3.5.6.1.
Zie nr. 882.
Zie echter wat betreft de voorwaarde waarvan de vervulling in de macht is gelegen van de schuldenaar hetgeen hiervoor in nr. 888 is opgemerkt over de ‘potestatieve’ voorwaarde.
Zie HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G, waarover: § IX.3.3.
Zie nr. 893.
889. Een nieuw uitgangspunt: het bestaan van een vordering kan worden aangenomen, indien aan de essentialia van een verbintenis is voldaan. Zoals hiervoor is gebleken, zijn er in de doctrine en jurisprudentie tot op heden geen duidelijke criteria geformuleerd aan de hand waarvan bestaande en toekomstige vorderingen van elkaar kunnen worden onderscheiden. Al eerder is gememoreerd dat dit uitermate ongelukkig is voor in het bijzonder de cessie en verpanding van vorderingen in de financiële praktijk. Teneinde meer duidelijkheid te verkrijgen, zal in deze paragraaf voor het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen een nieuw uitgangspunt worden geformuleerd.
Hoewel het gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad niet zeker is of, en in hoeverre, dit als positief recht kan worden aanvaard, zou naar mijn mening het uitgangspunt dienen te zijn dat het bestaan van een verbintenis, en dus van een vordering, kan worden aangenomen, indien aan de essentialia van een verbintenis is voldaan.1 Dit betekent in de regel dat de vordering ontstaat tegelijk met het opkomen van haar ontstaansbron.2 Veelal zullen de overige hiervoor genoemde wezenskenmerken van de verbintenis3 op dat moment ook aanwezig zijn. Indien aan de wezenskenmerken van een verbintenis is voldaan, maar de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk is van een toekomstige onzekere gebeurtenis, is er sprake van een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde. In beginsel kan elke toekomstige, onzekere gebeurtenis een ‘voorwaarde’ zijn in de zin van art. 6:21 BW. Dat geldt ook indien de voorwaarde is gelegen in een handeling of wilsverklaring van de schuldeiser of de schuldenaar.4 Alleen indien de toekomstige, onzekere gebeurtenis betrekking heeft op een van de hiervoor genoemde wezenskenmerken van een verbintenis, kan het plaatsvinden van de gebeurtenis niet worden aangemerkt als een ‘voorwaarde’, maar is er sprake van een ‘ontstaansvereiste’.
Op deze wijze opgevat, is het onderscheid dat de Hoge Raad in het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. maakt tussen ‘voorwaarden’ en ‘ontstaansvereisten’ goed te hanteren. Het uitgangspunt behoeft voor het geldende recht wel een belangrijke nuancering. Zoals blijkt uit onder meer het arrest WUH/Emmerig q.q.5 kan uit de aard van een overeenkomst volgen dat een bepaalde toekomstige onzekere gebeurtenis – zoals het verschaffen van huurgenot – een vereiste is voor het ontstaan van de vordering. Hetzelfde kan volgen uit de bedoeling van partijen of uit de wet of het wettelijk systeem (zie hierna).6
In het hiernavolgende zal met toepassing van het hier geformuleerde uitgangspunt worden ingegaan op het moment van ontstaan van vorderingen uit rechtshandeling (§ 3.5.4), vorderingen ter zake van burgerlijke vruchten (§ 3.5.5) en vorderingen uit de wet en uit publiekrechtelijke rechtsverhoudingen (§ 3.5.6).