Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:101 BW:Eigen schuld
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:101 BW
Eigen schuld
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 22-12-2025
Actueel t/m
22-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:101 BW
Schade mede een gevolg van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend
De stelplicht en bewijslast van de feiten die tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van eigen schuld rusten op de aangesprokene. Dit uitgangspunt vloeit rechtstreeks voort uit de hoofdregel van art. 150 Rv en is hecht verankerd in de rechtspraak van de Hoge Raad. Soms wordt alleen maar overwogen dat ‘de bewijslast ter zake van eigen schuld’ op de aangesprokene rust,1 soms dat op de aangesprokene de bewijslast rust van ‘omstandigheden die kunnen meebrengen dat de vergoedingsplicht (…) geheel of gedeeltelijk vervalt wegens eigen schuld’,2 of dat ‘stelplicht en bewijslast van de feitelijke grondslag van een eigen-schuld-verweer op (de aangesprokene) rusten’.3
In art. 6:101 lid 1 BW zijn verschillende elementen te onderscheiden. Het lijdt geen twijfel dat het bij de hier bedoelde stelplicht en bewijslast gaat om feiten en omstandigheden waaruit volgt dat ‘de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend’. Dat is waarop de hiervoor geciteerde jurisprudentie in wisselende omschrijvingen steeds ziet. Dat die stelplicht en bewijslast op de aangesprokene rusten volgt daaruit dat het de aangesprokene is die het rechtsgevolg van art. 6:101 lid 1 BW, te weten vermindering van zijn vergoedingsplicht, inroept.4
Verdeling schade: causaliteitsmaatstaf
Als vaststaat dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, dan wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Dit is een juridische exercitie die de rechter moet uitvoeren op basis van de reeds vastgestelde wederzijdse omstandigheden. Los van de stelplicht en bewijslast ter zake van de aansprakelijkheid enerzijds en de eigen schuld (in de hierboven bedoelde zin) anderzijds, zullen zich daarbij als zodanig in beginsel geen separate vragen van stelplicht en bewijslastverdeling voordoen.
Verdeling schade: billijkheidscorrectie
Bij de billijkheidscorrectie kan er wel aanleiding zijn voor separate vragen van stelplicht en bewijslastverdeling.
De rechter is niet gehouden, zonder daartoe strekkend partijdebat, de billijkheidscorrectie ambtshalve toe te passen.5 Van toepassing van de billijkheidscorrectie kan slechts sprake zijn als voldoende feitelijke gronden in het kader van het debat over de toepassing van art. 6:101 BW en de gevolgen daarvan voor de vergoedingsplicht zijn aangevoerd die daartoe aanleiding kunnen geven. Als het partijdebat daartoe aanleiding geeft, moet de rechter de billijkheidscorrectie toepassen.6 Of daarbij met zoveel woorden ‘billijkheidscorrectie’ is gezegd, is niet van belang.
Vragen van stelplicht- en bewijslastverdeling zullen ook bij de toepassing van de billijkheidscorrectie veelal niet prominent naar voren komen, maar het is denkbaar indien voor de toepassing van de billijkheidscorrectie relevante feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die gemotiveerd zijn betwist en dus niet vast staan. Op wie de stelplicht en de bewijslast dan rusten hangt ervan af. Theoretisch is de billijkheidscorrectie een instrument waarmee wijziging wordt gebracht in de verdeling van de schade zoals die op grond van de causaliteitsmaatstaf moet plaatsvinden. Indien de benadeelde vindt dat hij op grond van de billijkheidscorrectie meer schade vergoed moet krijgen dan uit de causaliteitsmaatstaf voortvloeit, roept hij het rechtsgevolg van de in art. 6:101 lid 1 BW geformuleerde billijkheidscorrectie in, te weten een uitbreiding van zijn recht op schadevergoeding. Daarom rusten op hem dan stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die tot toepassing van die correctie aanleiding geven. Indien de aangesprokene vindt dat hij minder schade hoeft te vergoeden dan uit de causaliteitsmaatstaf voortvloeit, roept hij het rechtsgevolg van de in art. 6:101 lid 1 BW geformuleerde billijkheidscorrectie in, te weten een nog verdere vermindering van zijn verplichting tot schadevergoeding. Dan rusten stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden die tot toepassing van die correctie aanleiding geven op hem.
In het verkeersrecht gelden ten gunste van kinderen jonger dan veertien jaar en voetgangers en fietsers vaste percentages van 100 en 50 voor de toepassing van de billijkheidscorrectie, behoudens opzet of bewuste roekeloosheid, in welk geval de gewone regels van art. 6:101 BW voor de verdeling van de schade weer gelden. De stelplicht en bewijslast van opzet of bewuste roekeloosheid bij de benadeelde rusten op de aangesprokene.7 Dat is in lijn met de hiervoor uiteengezette regel dat de aangesprokene die zich op de billijkheidscorrectie beroept ter (verdere) vermindering van zijn verplichting tot schadevergoeding, de bewijslast heeft van feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding geven.
Schadebeperkingsplicht
De schadebeperkingsplicht is een species van eigen schuld. Evenals bij gewone eigen schuld rusten de stelplicht en de bewijslast op de aangesprokene8, in dit geval van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de omvang van de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde moet worden toegerekend.9 Dat betekent dat hij concreet zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de benadeelde niet heeft voldaan aan hetgeen redelijkerwijs met het oog op de beperking van de schade van hem mocht worden gevergd.10
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:101 BW
Eigen schuld
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 22-12-2025
22-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:101 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 101
Schade mede een gevolg van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend
De stelplicht en bewijslast van de feiten die tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van eigen schuld rusten op de aangesprokene. Dit uitgangspunt vloeit rechtstreeks voort uit de hoofdregel van art. 150 Rv en is hecht verankerd in de rechtspraak van de Hoge Raad. Soms wordt alleen maar overwogen dat ‘de bewijslast ter zake van eigen schuld’ op de aangesprokene rust,1 soms dat op de aangesprokene de bewijslast rust van ‘omstandigheden die kunnen meebrengen dat de vergoedingsplicht (…) geheel of gedeeltelijk vervalt wegens eigen schuld’,2 of dat ‘stelplicht en bewijslast van de feitelijke grondslag van een eigen-schuld-verweer op (de aangesprokene) rusten’.3
In art. 6:101 lid 1 BW zijn verschillende elementen te onderscheiden. Het lijdt geen twijfel dat het bij de hier bedoelde stelplicht en bewijslast gaat om feiten en omstandigheden waaruit volgt dat ‘de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend’. Dat is waarop de hiervoor geciteerde jurisprudentie in wisselende omschrijvingen steeds ziet. Dat die stelplicht en bewijslast op de aangesprokene rusten volgt daaruit dat het de aangesprokene is die het rechtsgevolg van art. 6:101 lid 1 BW, te weten vermindering van zijn vergoedingsplicht, inroept.4
Verdeling schade: causaliteitsmaatstaf
Als vaststaat dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, dan wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Dit is een juridische exercitie die de rechter moet uitvoeren op basis van de reeds vastgestelde wederzijdse omstandigheden. Los van de stelplicht en bewijslast ter zake van de aansprakelijkheid enerzijds en de eigen schuld (in de hierboven bedoelde zin) anderzijds, zullen zich daarbij als zodanig in beginsel geen separate vragen van stelplicht en bewijslastverdeling voordoen.
Verdeling schade: billijkheidscorrectie
Bij de billijkheidscorrectie kan er wel aanleiding zijn voor separate vragen van stelplicht en bewijslastverdeling.
De rechter is niet gehouden, zonder daartoe strekkend partijdebat, de billijkheidscorrectie ambtshalve toe te passen.5 Van toepassing van de billijkheidscorrectie kan slechts sprake zijn als voldoende feitelijke gronden in het kader van het debat over de toepassing van art. 6:101 BW en de gevolgen daarvan voor de vergoedingsplicht zijn aangevoerd die daartoe aanleiding kunnen geven. Als het partijdebat daartoe aanleiding geeft, moet de rechter de billijkheidscorrectie toepassen.6 Of daarbij met zoveel woorden ‘billijkheidscorrectie’ is gezegd, is niet van belang.
Vragen van stelplicht- en bewijslastverdeling zullen ook bij de toepassing van de billijkheidscorrectie veelal niet prominent naar voren komen, maar het is denkbaar indien voor de toepassing van de billijkheidscorrectie relevante feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die gemotiveerd zijn betwist en dus niet vast staan. Op wie de stelplicht en de bewijslast dan rusten hangt ervan af. Theoretisch is de billijkheidscorrectie een instrument waarmee wijziging wordt gebracht in de verdeling van de schade zoals die op grond van de causaliteitsmaatstaf moet plaatsvinden. Indien de benadeelde vindt dat hij op grond van de billijkheidscorrectie meer schade vergoed moet krijgen dan uit de causaliteitsmaatstaf voortvloeit, roept hij het rechtsgevolg van de in art. 6:101 lid 1 BW geformuleerde billijkheidscorrectie in, te weten een uitbreiding van zijn recht op schadevergoeding. Daarom rusten op hem dan stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die tot toepassing van die correctie aanleiding geven. Indien de aangesprokene vindt dat hij minder schade hoeft te vergoeden dan uit de causaliteitsmaatstaf voortvloeit, roept hij het rechtsgevolg van de in art. 6:101 lid 1 BW geformuleerde billijkheidscorrectie in, te weten een nog verdere vermindering van zijn verplichting tot schadevergoeding. Dan rusten stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden die tot toepassing van die correctie aanleiding geven op hem.
In het verkeersrecht gelden ten gunste van kinderen jonger dan veertien jaar en voetgangers en fietsers vaste percentages van 100 en 50 voor de toepassing van de billijkheidscorrectie, behoudens opzet of bewuste roekeloosheid, in welk geval de gewone regels van art. 6:101 BW voor de verdeling van de schade weer gelden. De stelplicht en bewijslast van opzet of bewuste roekeloosheid bij de benadeelde rusten op de aangesprokene.7 Dat is in lijn met de hiervoor uiteengezette regel dat de aangesprokene die zich op de billijkheidscorrectie beroept ter (verdere) vermindering van zijn verplichting tot schadevergoeding, de bewijslast heeft van feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding geven.
Schadebeperkingsplicht
De schadebeperkingsplicht is een species van eigen schuld. Evenals bij gewone eigen schuld rusten de stelplicht en de bewijslast op de aangesprokene8, in dit geval van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de omvang van de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde moet worden toegerekend.9 Dat betekent dat hij concreet zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de benadeelde niet heeft voldaan aan hetgeen redelijkerwijs met het oog op de beperking van de schade van hem mocht worden gevergd.10
Voetnoten
1.
HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4522, NJ 1983/444.
2.
HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4046, NJ 2001/632.
3.
HR 17 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9749, NJ 2006/668, rov. 3.3.3 en HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6996, NJ 2011/307.
4.
Zie verder Boonekamp, GS Schadevergoeding, art. 6:101 BW, aant. 3.7.1.
5.
HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2733, NJ 1998/895.
6.
Vgl. HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3751, NJ 2013/477, rov. 3.6.
7.
HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7863, NJ 2008/64 m.nt. T. Hartlief, rov. 4.2.
8.
HR 12 april 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4996, NJ 1986/809 m.nt. Brunner, rov. 3.5; HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, RvdW 2020/940, rov. 3.4.
9.
Zie verder: Boonekamp, GS Schadevergoeding, art. 6:101 BW, aant. 5.12.
10.
Aldus A-G Huydecoper in ECLI:NL:PHR:2002:AD9139 voor HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9139, NJ 2002/325 en A-G Spier in ECLI:NL:PHR:2003:AF9414 voor HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9414, NJ 2004/460.