Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/10.2.3
10.2.3 De uitvoeringsinformatie
mr. drs. J. Westerweel, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248548:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dölle en Elzinga 2004, p. 561.
Stb. 2016, 101.
Stcrt. 2016, 16004.
Het is niet duidelijk wat hiermee bedoeld wordt.
Stb. 2016, 101, p. 11. Naast de uniforme indeling in taakvelden wordt in artikel 8 lid 3 sub a BBV sinds 2016 voorgeschreven dat de doelstellingen van programma’s, met name de beoogde maatschappelijke effecten, toegelicht moeten worden aan de hand van eveneens bij ministeriële regeling vast te stellen beleidsindicatoren. Ook dit moet de onderlinge vergelijkbaarheid en toegankelijkheid van gemeentelijke begrotingen en jaarstukken ten goede komen, Stcrt. 2016, 20622.
Voor Bestuur en ondersteuning zijn dat (1) Bestuur, (2) Burgerzaken, (3) Beheer overige gebouwen en gronden, (4) Overhead, (5) Treasury, (6) OZB woningen, (7) OZB niet-woningen, (8) Parkeerbelasting, (9) Belastingen overig, (10) Algemene uitkering en overige uitkeringen gemeentefonds, (11) Overige baten en lasten, (12) Vennootschapsbelasting, (13) Mutaties reserves en (14) Resultaat van de rekening van baten en lasten. Voor Veiligheid zijn dat (1) Crisisbeheersing en brandweer en (2) Openbare orde en veiligheid.
Stb. 2016, 101, p. 11.
De begroting zoals deze zojuist is beschreven, is op zichzelf ongeschikt om door het college te worden uitgevoerd. Het college dient daarvoor op grond van artikel 186 lid 2 sub a Gemeentewet jo. artikel 66 BBV de begroting nog uit te werken in de uitvoeringsinformatie. In de uitvoeringsinformatie geeft het college handen en voeten aan het beleid zoals dat door de raad in de begrotingsprogramma’s is geformuleerd. Vóór het BBV in 2016 werd gewijzigd, moest dit gebeuren aan de hand van productenramingen en productenrealisaties, waarbij producten de eenheden waren waarin de programma’s waren onderverdeeld. Productenramingen werden ten tijde van de begroting opgesteld terwijl productenrealisaties werden opgesteld ten tijde van de jaarrekening. Het eerste document bevatte daarom de geschatte baten en lasten per product, terwijl het tweede document de daadwerkelijk gerealiseerde baten en lasten per product weergaf. De twee onderdelen van de uitvoeringsinformatie waren daardoor zowel voor de uitvoering van het beleid als de controle daarvan van belang. De producten in een productenraming moesten een bepaalde samenhang met elkaar vertonen, meetbaar zijn in tijd, geld en kwaliteit en helder aansluiten op de programma’s in de begroting, maar het college mocht verder zelf bepalen welke producten in de productenraming werden opgenomen.1 Die vrijheid is met de wijziging van het BBV uit 2016 deels verdwenen.2 Sindsdien is het college verplicht bij het opstellen van de uitvoeringsinformatie gebruik te maken van taakvelden in plaats van producten, waarbij het grote verschil is dat de taakvelden bij ministeriële regeling zijn vastgesteld.3 De uitvoeringsinformatie van elke gemeente is daardoor uit dezelfde onderdelen opgebouwd. De belangrijkste reden voor de wijziging was dat gemeentelijke begrotingen onvoldoende toegankelijk waren voor niet-ingewijden en moeilijk met elkaar konden worden vergeleken. Door een uniforme indeling van de uitvoeringsinformatie voor te schrijven, hoopte de regering de horizontale verantwoording4 te versterken en de betrokkenheid van belanghebbenden, waaronder burgers, te stimuleren.5 Het BBV is verder in 2016 ten aanzien van de uitvoeringsinformatie niet noemenswaardig gewijzigd.
De ministeriële regeling waarin de taakvelden zijn vastgelegd, bevat in totaal 53 verschillende taakvelden verdeeld over 9 beleidsterreinen. De taakvelden zijn niet gelijk verdeeld over de beleidsterreinen. Het beleidsterrein Bestuur en ondersteuning bevat bijvoorbeeld veertien taakvelden terwijl het beleidsterrein Veiligheid er slechts twee kent.6 Er bestaan daarnaast grote verschillen in de gedetailleerdheid van de verschillende taakvelden. De toelichting bij het BBV zegt daarover: ‘van belang is […] dat de taakvelden voldoende concreet zijn om als bouwstenen te gebruiken voor de verdere uitwerking van de beleidskeuzes en de daarop gebaseerde programma’s. Daarbij moet recht worden gedaan aan de grote verschillen tussen beleidsterreinen; de mate van detaillering van de taakvelden kan sterk uiteenlopen al naar gelang het beleidsveld.’7 Voor dit laatste punt is uiteraard veel te zeggen, maar soms lijkt de ministeriële regeling bij de detaillering van taakvelden wat arbitraire keuzes te hebben gemaakt. Zo valt moeilijk te begrijpen waarom één van de twee taakvelden waaruit het beleidsveld Veiligheid is opgebouwd, namelijk openbare orde en veiligheid, misschien nog wel breder is dan het beleidsveld zelf.
Dat het college bij het opstellen van de uitvoeringsinformatie verplicht gebruik moet maken van taakvelden, betekent overigens niet dat daarvan inhoudelijke sturing uitgaat. Daarvoor zijn de taakvelden te breed geformuleerd. Daarnaast mogen zij naar eigen inzicht verder worden onderverdeeld en mogen zij aan meerdere programma’s worden gekoppeld. Al met al heeft het college hierdoor nog veel vrijheid om met behulp van de uitvoeringsinformatie inhoudelijk een eigen invulling te geven aan de realisatie van gemeentelijk beleid.