Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling
Einde inhoudsopgave
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.4.6:6.4.6 De betrouwbaarheid van informatie in de aspectenleer
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.4.6
6.4.6 De betrouwbaarheid van informatie in de aspectenleer
Documentgegevens:
mr. M. Mussche, datum 30-05-2011
- Datum
30-05-2011
- Auteur
mr. M. Mussche
- JCDI
JCDI:ADS607379:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Noot bij HR 13 januari 1987, NJ 1987, 863.
HR 4 april 2006, NJ 2007, 144 (Schalken).
HR 26 februari 2008, NJ 2008, 148.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van Veen annoteerde bij een arrest uit 1987:
`Vermoedelijk zullen enkele factoren te zamen van belang gaan worden voor de vraag of de dader op de juistheid van een ingewonnen advies af mag gaan. Daarbij denk ik aan de mate van waarschijnlijkheid dat het advies juist is, aan de reputatie en de deskundigheid van de adviseur, aan zijn onpartijdigheid en belangeloosheid, zijn niet-betrokkenheid bij de zaak waarin of waarover hij adviseert. Of de dader op een advies had mogen afgaan wordt daarmee een sterk feitelijke kwestie, die door de feitenrechter, al deze omstandigheden in aanmerking nemend, moet worden beantwoord. Ook de vraag of aannemelijk is dat de dader zich door adviezen heeft laten leiden is van geheel feitelijke aard.'1
Bijna twee decennia nadien formuleerde de Hoge Raad een aantal factoren die volgens hem van invloed zijn op de betrouwbaarheid van informatie van een ander. Waar van Veen zich nog nadrukkelijk concentreert op de persoon van de adviseur, heeft de Hoge Raad in 2006 ook oog voor de persoon van de verdachte, het object van advies en de totstandkoming van het advies. Hij overweegt:
`Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, vereist is dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (vgl. HR 23 mei 1995, NJ 1995, 631). Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen (vgl. HR 13 december 1960, NJ 1961, 416). Bij de beoordeling van een daartoe strekkend verweer kunnen verschillende aspecten van belang zijn, waaronder:
— de positie van de verdachte binnen het bedrijf;
— de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur;
— de specifieke deskundigheid van de adviseur;
— de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen;
—de manier waarop en de omstandigheden waaronder het advies is ingewonnen en gegeven.'2
Deze overweging werd herhaald in een arrest van de Hoge Raad uit 2008, maar bevatte toen twee opvallende verschillen.3 Het aspect 'de positie van de verdachte binnen het bedrijf' ontbrak en 'de manier waarop en omstandigheden waaronder het advies is ingewonnen en gegeven' was vervangen door 'de precieze inhoud van de adviezen'. De lijst van aspecten zag er in die zaak dus als volgt uit:
de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur;
de specifieke deskundigheid van de adviseur;
de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen;
de precieze inhoud van de adviezen.
De gewijzigde opsomming werd voorafgegaan door de woorden 'in een geval als het onderhavige'. Mogelijk is de lijst dus afgestemd op de concrete casus en beoogt de Hoge Raad geen inhoudelijke wijziging aan te brengen ten opzichte van het arrest uit 2006. Bovendien geeft het woord 'waaronder' aan dat het een niet-limitatieve opsomming betreft. Er is overigens wel iets te zeggen voor het wegvallen van aspect 'de positie van de verdachte binnen het bedrijf'. De positie van de verdachte binnen het bedrijf is vooral van belang voor de vraag of de verdachte als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt (het beschikkingscriterium). Als dat eenmaal is vastgesteld, hoeft die omstandigheid in beginsel niet nogmaals aan de orde te komen. Dat ligt alleen anders als de verdachte bestuurder niet terechtstaat voor feitelijk leidinggeven aan een strafbaar feit, maar verdacht wordt van overtreding van een strafbepaling die direct tot hem gericht is (de verdachte is normadressaat).
In de volgende paragraaf werk ik de door de Hoge Raad opgesomde omstandigheden aan de hand van jurisprudentie nader uit.