Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/1.7.2:1.7.2 Bestuursstrafrecht
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/1.7.2
1.7.2 Bestuursstrafrecht
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS490740:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is vooral de zo-even genoemde rechtspraak van het EHRM over art. 6, eerste lid EVRM geweest die in de ontwikkeling van het denken over de doorwerking van het nemo tenetur-beginsel buiten het commune strafrecht een grote rol heeft gespeeld.1 Het beginsel is volgens het Hof niet alleen verbonden aan de strafrechtelijke procedure in enge zin. Ook de bestraffing van burgers door bestuurlijke autoriteiten moet voldoen aan (procedurele) minimumnormen. Dan kan vooral worden gedacht aan het bestraffend bestuursrecht, waarin de bestuurlijke boeteoplegging als alternatief voor de strafrechtelijke vervolging, tot ontwikkeling is gekomen.2
Spanning tussen meewerkplicht en nemo tenetur; verschillende opvattingen
Alleen al gelet op de hoeveelheid rechtspraak en literatuur daarover, doen zich binnen dit deelgebied van het bestuursrecht kennelijk grote problemen voor met het nemo tenetur-beginsel.3 Die worden vooral opgeroepen door het bestaan van vele meewerkverplichtingen van burgers ten behoeve van het toezicht op de naleving van voorschriften en de samenloop daarvan met repressief toezicht, dat wil zeggen toezicht naar aanleiding van het vermoeden dan wel de constatering van een overtreding (toezichtsuitoefening ter voorbereiding van eventuele sanctiebesluiten)4. Dan gaat het vooral om de vraag waar een (wettelijke) meewerkplicht ophoudt en het nemo tenetur-beginsel begint.
Het antwoord op deze en andere vragen over de betekenis van het beginsel voor een (wettelijke) meewerkplicht, wordt nogal verschillend beantwoord. In de literatuur loopt het spectrum uiteen van schrijvers die vinden dat het beginsel meer dan een zwijgrecht omvat en prevaleert boven een (wettelijke) meewerkplicht, tot schrijvers die juist het tegendeel menen.
De Nederlandse rechter is in navolging van de wetgever van opvatting dat (de erkenning door het EHRM van) het nemo tenetur-beginsel (primair) een zwijgrecht behelst en dat het beginsel niet belet dat bestuursorganen de medewerking vorderen van burgers, zolang dat niet (enkel) als doel heeft gegevens te verkrijgen voor de het opleggen van een straf. Alleen wanneer er sprake is van een verhoor(situatie) kan de verdachte meewerkplichtige zich beroepen op het strafrechtelijk zwijgrecht in art. 29 Sv of het boeterechtelijk zwijgrecht in art. 5:10a Awb.5
Dat in de doctrine een ruimere gelding aan het nemo tenetur-beginsel pleegt te worden toegekend dan volgt uit de (bestuurs)strafrechtelijke wetgeving en rechtspraak, is al vaker geconstateerd.6 De verschillende opvattingen zijn een uiting van de kritische spanning tussen de traditionele drang naar waarheidsvinding (‘discovery’) – in belastingzaken ten behoeve van een adequate belastingheffing – en de recente(re) erkenning van het recht op een behoorlijk strafproces in onder meer het EVRM. Daarin is de verdachte geen voorwerp van onderzoek, maar wordt hij erkend als procespartij.
Dat het recht zichzelf niet te hoeven belasten sommigen te ver gaat en anderen juist niet ver genoeg, is volgens Melai en Groenhuijsen een belangrijkste impuls voor een constante verantwoording van de inhoud en toepassing van het nemo tenetur-beginsel.7