Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/8.2.1
8.2.1 Bescherming tegen ongegronde vorderingen
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364092:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De obfuscating power of time en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot bescherming van de (quasi-) debiteur tegen bewij snood is alom aanvaard als verjaringsdoel; voor zover publicaties of rechterlijke uitspraken zich over doelen van verjaring uitlaten, noemen zij het. Ik heb het niet ook maar één keer betwist zien worden. Wat de doctrine betreft: zie onder vele anderen Asser/Hartkamp 4-1, nr. 653; Koopmann, diss., p.; Von Savigny (1841), p. 267; Mugdan (1899), p. 512; Spiro (1975), p. 8; Staudinger-Peters 2004, § 194 Rnr 5; Palandt-Heinrichs (2002) Überblick vor § 194 Rnr 7; Piekenbrock (2006), p. 327; Büning (1964), p. 7 Law Commission (1998), p. 11. De laatste schrijft bijvoorbeeld: 'A key concern was that the defendant would have lost relevant evidence, and be unable to defend the case adequately. Due to the loss of vouchers or other written evidence, and the death or disappearance of witnesses it might be very difficult, if not impossible, for a defendant to meet a claim made after several years had gone by. Even where witnesses were stil available they might have no memory — or an inaccurate memory — of the events in question.' Deze passage laat zich met talloze vergelijkbare citaten aanvullen. Zo staat reeds in het uit 1829 stammende First Report of the Real Property Commissioners (Parliamentary Papers, 1829, Vol X, p 1, 39): 'Experience teaches us, that owing to the perishable nature of all evidence, the truth cannot be ascertained on any contested question of fact after a considerable lapse of time.' Wat de rechtspraak betreft, uit een lange reeks: Van Hese/De Schelde (28 april 2000, NJ 200, 430), r.o. 3.3.1 en The House of Lords, 1 maart 2006 (Haward -v- Fawcetts).
De Law Commission (1998), p. 11, schrijft bijvoorbeeld: 'Although written records may be more durable than the memory of a witness, they may still be lost, or deteriorate in quality over time. The improvement in our capacity to record and store information in retrievable foren has increased the amount of documentary information available, but in order to keep the amount of information handled to manageable levels, and to reduce storage costs, many institutions have implemented document destruction policies, whereby documents not required for immediate needs are destroyed after a set interval.'
Zo zal bijvoorbeeld gelet op het Haviltex-criterium een contract zonder toelichting van hen die bij de totstandkoming van dat contract betrokken waren niet naar behoren uitgelegd kunnen worden, terwijl al helemaal de enkele getuigenverklaringen over dat contract zonder de eigenlijke tekst onbruikbaar zijn.
Colegrove v Smyth, [1994] 5 Med LR 111.
Zie nader hierna, § 12.1.
Naast (i) het feit dat het bewijsmotief van beperkt belang was, pleitte in de asbestzaken tevens tegen verjaring dat (ii) de schuldenaar nog in zekere mate rekening had kunnen houden met de schadevergoedingsvordering en (iii) het slachtoffer het nadeel pas na ommekomst van de verjaringstermijn in alle hevigheid ondervond zodat de tijd nog geen helende werking had kunnen hebben. Zie nader Smeehuijzen, AV&S 2005 en hierna, § 12.1.
Voor de bewoordingen 'verjaring van een vordering' is echter geen alternatief (ik heb het althans niet kunnen verzinnen) en bovendien is, zolang men zich maar bewust is van het misverstand dat zij in de hand kunnen werken, hun verwarrende effect nu ook weer niet zo groot dat de discussie gebaat is bij nieuwe terminologie. Evenzeer onzuiver zijn overigens, om dezelfde reden waarom de 'verjaring van een vordering' onjuist is, formuleringen waarin wordt gesproken van bescherming van 'de debiteur' tegen bewijsnood: als de verjaring die functie vervult, was er helemaal geen debiteur. Voor het woord debiteur is wel een alternatief, men zou steeds kunnen spreken van de (quasi)debiteur, maar het bezwaar daarvan is dat het lijkt te miskennen dat de verjaring tevens strekt ter bescherming van werkelijke debiteuren (we zullen dat nog zien). Bovendien geldt ook hier wat mij betreft dat de gebrekkigheid van de term debiteur onvoldoende zwaarwegend is om de veij aringstaal te veranderen.
Het uitgangspunt overigens dat er een vordering bestaat, is dieper in ons verjaringsrecht verankerd dan alleen in het taalgebruik. Zo vangt het belangrijkste type verjaringstermijn, de zogenaamde relatieve termijn, aan op het moment waarop de debiteur in staat was zijn vordering in te stellen.
Zie Wiersma, PP 2003, p. 16, die suggereert 'de regeling van de bevrijdende verjaring in Boek 3 BW te vervangen door een in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op te nemen regeling van wettelijke vermoedens'. Die suggestie moet afgezien van de kwestie van het bewijs met name stranden omdat zij miskent dat de debiteur er een wezenlijk belang bij heeft op enig moment te weten waar hij aan toe is, geheel afgezien van de bewijsproblematiek.
Zie in vergelijkbare zin Spiro (1975), p. 9.
Zie in gelijke zin Spiro (1975), p. 8. Interessant is dat Von Savigny nog een stap verder gaat, in die zin dat hij de controle over de tijd van de eiser niet slechts ziet als een reden om hem nadere bescherming te onthouden, maar als een extra motief voor verjaring, omdat de eiser de positie van de gedaagde door zijn dralen met opzet zou kunnen ondermijnen: 'Ein wichtiger Grund der Klagvetjálirung (...) liegt endlich darin, daá der Einstellung der Klage in der Willkühr des Klágers liegt, daá er es also in seiner Macht hat, durch lange Verzeigerung derselben, der Verteidigung des Beglagten zu erschweren, indem die Beweismittel ohne des Beglagten Schuld untergehen Minnen, z.B. durch den Tod der vorhandenen Zeugen. Die Beschránkung dieser einseitigen Macht des Klágers, die auf unredliche Weise misbraucht werden kann, ist verzüglich zu beachten.' (Von Savigny 1841, p. 271). Die angst voor weloverwogen misbruik van tijdsverloop ziet men in meer recente verhandelingen over de ratio van verjaring niet of nauwelijks terug. Overigens geldt de in de hoofdtekst bedoelde rechtvaardiging alleen voor de (standaard)situatie waarin de eiser zijn vordering inderdaad binnen afzienbare tijd kon instellen. Als hij dat niet kon, is het op zichzelf een nobel streven ook hem tegen teloorgang van bewijs door tijdsverloop te beschermen. De moeilijkheid is evenwel dat die bescherming zich niet verdraagt met de werking van verjaring; die neemt hem zijn vordering nu juist af, terwijl de bescherming van de eiser tegen teloorgang van bewijs erop gericht zou moeten zijn hem die vordering met succes te laten doorzetten. Met andere woorden: zolang de verjaring gerechtvaardigd is, is er voor een instrument dat de eiser beschermt geen plaats.
Ook kan men nog aanvoeren dat in werkelijkheid de gedaagde zich in een nadeliger bewijspositie dan de eiser kan bevinden doordat de gedaagde zich er niet van bewust is dat nog een vordering tegen hem gericht zal worden. Zie bijvoorbeeld de Law Commission: 'The events giving rise to the plaintiff s claim may be one of a series of similar transactions (...), and the defendant may have no particular reason to recall them or to preserve any related evidence. The defendant may also in many cases be unaware that the plaintiff had any grounds for making a claim against him or her.' (Law Commission (1998) p. 11).
Naarmate het tijdsverloop toeneemt tussen enerzijds het moment waarop de feiten waarop een vordering is gebaseerd zich hebben voorgedaan en anderzijds het moment waarop een vordering geldend wordt gemaakt, is het voor de vermeende schuldenaar moeilijker zich tegen die vordering te verweren, veronderstellende al dat hij in staat zou zijn een eigen standpunt over de gegrondheid van de vordering in te nemen1
Immers, in het algemeen verliezen bewijsmiddelen door tijdsverloop aan kracht en geloofwaardigheid of verdwijnen zij zelfs helemaal. Getuigen zijn niet meer te vinden of hun herinneringen zijn vervaagd. Schriftelijk stukken raken zoek of worden weggegooid.2 In dit verband is te bedenken dat een schriftelijk stuk zelfstandig, zonder toelichting van betrokkenen over zijn context zelden voldoende zeggingskracht heeft en andersom ook getuigenverklaringen geheel los van schriftelijke stukken beschouwd vaak weinig betekenis hebben.3 Doordat in zekere zin dus de ketting zo sterk is als zijn zwakste schakel, redt de mogelijke persistentie van een of een aantal van de benodigde bewijsmiddelen de bewijsvoering in haar geheel meestal niet.
De voorgaande alinea gaat uit van een nog tamelijk heldere situatie, in die zin dat de aangesprokene zelf zijn positie heeft bepaald en verweer wil voeren vanuit de overtuiging dat de vordering ongegrond is. In de praktijk echter zal de aangesprokene zich, zeker na aanzienlijk tijdsverloop, vaak in een veel schimmiger toestand bevinden, namelijk die waarin hij zelf eigenlijk geen idee heeft of de vordering nu gegrond is of niet. Voorbeelden laten zich gemakkelijk bedenken: de feiten vonden plaats onder een rechtsvoorganger; de werknemers die bij de totstandkoming van het contract betrokken waren zijn overleden of onvindbaar of de betrokkene weet zich van de toedracht van de vermeende onrechtmatige daad niets meer te herinneren. Zo meende in een Engelse zaak4 een patiënte dat de twee artsen door wie zij was geopereerd een medische fout hadden gemaakt. Zij sprak de artsen aan tot schadevergoeding, 28 jaar na de operatie. Op dat moment waren alle medische gegevens vernietigd, was een van de artsen overleden en was de andere meer dan tachtig jaar oud, nauwelijks nog compos mentis. Onder die omstandigheden konden de artsen zich niet meer verweren, eenvoudig omdat zij zich zelf geen oordeel over de vordering konden vormen.
Die verduistering van het verleden — of het nu slechts bewijsmiddelen of in meer brede zin de gegevens om zijn positie te bepalen betreft — is de schuldenaar niet te verwijten. Het is onmogelijk het verleden integraal tot in lengte van dagen te boekstaven. Om drie redenen te noemen: (i) men weet eenvoudig niet uit welke feitencomplexen eventueel nog aanspraken kunnen voortvloeien (ii) een noodzakelijk ongerichte verzameling gegevens is in kwantitatieve zin niet te overzien5 en (iii) sommige middelen om de feiten vast te stellen, zoals met name het menselijk geheugen, láten zich eenvoudig niet conserveren.
De niet-toerekenbare verzwakking van zijn bewijspositie brengt het gevaar met zich mee dat de aangesproken partij inderdaad wordt veroordeeld, terwijl de vordering in werkelijkheid ongegrond is. Die dreiging is nog sterker als hij zelfs zijn eigen positie niet meer kan bepalen; het is dan niet eens meer mogelijk de feiten te stellen om tot afwijzing van de vordering te concluderen, het bewijs van die feiten nog daargelaten. De verjaring heeft tot doel dit risico op een onterechte veroordeling te ecarteren door de vordering gedurende slechts beperkte tijd in rechte afdwingbaar te doen zijn.
Hoewel op zichzelf de bescherming van de debiteur tegen bewijsnood als ver-j aringsdoel noch in Nederlandse, noch in de buitenlandse literatuur wordt betwist integendeel, het wordt bijna steeds genoemd —, lijken soms zijn implicaties niet helemaal te worden onderkend. Die miskenning is erin gelegen dat verjaringsdiscussies zich over het algemeen toespitsen op de vraag of het al dan niet terecht is dat een bepaalde vordering verjaart. Als men de verjaringsvraag echter langs die lijn formuleert, neemt men het bestaan van die vordering tot uitgangspunt en slaat men de vraag of hij wel of niet bestaat over. Met die vooronderstelling is in feite, waarschijnlijk veelal onbewust, al een heel zwaar argument tegen de verjaring aangevoerd; door aan te nemen dat de vordering bestaat, neemt men logischerwijze tevens aan dat de bewijslevering ten aanzien van dat bestaan rond is. Daarmee is in feite een van de dragende bestaansredenen van de verjaring irrelevant verklaard.
Illustratief in dit verband is de Nederlandse discussie over de verjaring van asbestvorderingen. Daar was het meest gehoorde argument tegen verjaring dat het toch niet zo kan zijn dat een vordering verjaart, nog voordat de benadeelde — die ziek werd, meer dan dertig jaar na de laatste asbestblootstelling — zijn vordering had kunnen instellen. Dat is geen overtuigende tegenwerping, omdat de absolute dertigjaarstermijn per definitie vorderingen doet verjaren die de benadeelde nog niet had kunnen instellen.6 Een veel wezenlijker bedenking bij verjaring van asbestvorderingen is dat, met name vanwege het monocausale karakter van de asbestziekte mesothelioom, zelfs na meer dan dertig jaar nog met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat een vordering bestaat; dat dus, anders dan normaal bij lang tijdsverloop, de bewijsmiddelen nog niet in onaanvaardbare mate zijn aangetast en dat dus een zeer belangrijk, zo niet het belangrijkste verjaringsmotief geen opgeld doet. Dit bezwaar tegen het aannemen van verjaring is echter in de doctrine nooit geëxpliciteerd, omdat het startpunt van de gedachtevorming steeds het bestaan van de vordering was.7
Overigens gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat de woorden "verjaring van een vordering" ook wel tot dit soort Baron van Mtinchenhausen-achtige misverstanden aanleiding geven, omdat ook die woorden vooronderstellen dat er een vordering is. Het in deze paragraaf bedoelde doel van de verjaring is evenwel, om zo te zeggen, vorderingen te doen verjaren die ongegrond zijn, maar waarvan toewijzing dreigt doordat de debiteur zich wegens bewijsnood door tijdsverloop niet meer kan verweren. Als de verjaring die rol vervult, verjaart er dus eigenlijk helemaal geen vordering, want er is geen vordering en die is er ook nooit geweest.8,9
Tot slot is het misschien goed twee mogelijke kanttekeningen bij de bescherming tegen bewijsnood als verjaringsdoel te bespreken. Ten eerste zou men zich kunnen afvragen of dat doel niet eveneens kan worden bereikt door de enkele verschuiving in bewijslast ten gunste van de aangesprokene.10 De zwakte van dat alternatief is dat het, waar de feiten werkelijk zijn ondergesneeuwd, ontoereikend is: het versterkt weliswaar de positie van de aangesprokene in het processuele debat, maar het ontslaat hem niet van de verplichting dat debat te voeren; hij moet onverkort zijn eigen positie bepalen en zelfs als hij dat zou kunnen, dan zal hij, waar zijn wederpartij op het eerste gezicht overtuigende bewijzen ter tafel brengt, niet in staat zijn bewijsrechtelijk weerwerk te bieden in de vorm van bijvoorbeeld tegenbewijs.11
Ten tweede zou over de bescherming tegen bewijsnood als doel van de verjaring twijfel kunnen rijzen vanuit de gedachte dat tijdsverloop toch evenzeer de bewijspositie van de eiser als die van de gedaagde aantast. Men zou zelfs kunnen zeggen dat de eiser nog sterker wordt benadeeld, doordat bij aanvang van de procedure de stel- en bewijsbal op zijn helft ligt; hij moet het bestaan van zijn vordering adstrueren. Het weerwoord op dit bezwaar van eenzijdigheid is dat de eiser de bescherming tegen the obfuscating power of time niet nodig heeft, omdat hij zich die bescherming zelf kan verschaffen; hij heeft immers het tijdsverloop in de hand doordat hij als initiatiefnemer tot de procedure bepaalt wanneer de vordering wordt ingesteld.12,13