Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/2.5:2.5 Analyse
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/2.5
2.5 Analyse
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS444754:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omdat er verschillende heffingsmethoden zijn, kan daartussen een keuze worden gemaakt. Voordat ik aan de beantwoording van de vraag toekom hoe die keuze wordt gemaakt, heb ik in dit hoofdstuk eerst onderzocht waarom er meerdere heffingsmethoden bestaan. Uit het daartoe uitgevoerde rechtshistorisch komt naar voren dat de wetgever dat tot nu toe nooit uiteen heeft gezet. Voor mij is dit een opmerkelijke uitkomst, omdat de heffingsmethoden een fundamenteel onderdeel van onze belastingwetgeving zijn.
Gogel maakte in het door hem ontworpen belastingstelsel van 1805 onderscheid tussen zogenoemde beschreven middelen (directe belastingen) en onbeschreven middelen (indirecte belastingen). Hij sloot daarmee aan bij een op dat moment reeds bestaand onderscheid. Appelius haakte met zijn Stelselwet 1821 op zijn beurt weer aan bij Gogel. Geen van beiden heeft echter verder toegelicht waarom ze twee heffingstechnieken van belang achtten. Bij de invoering van de AWR in 1959 is het thans nog bestaande onderscheid aangebracht tussen enerzijds belastingheffing op basis van door de Belastingdienst vastgestelde aanslagen en anderzijds belastingheffing door middel van een door de belastingplichtige ingediende aangifte waarbij het verschuldigde bedrag direct voldoet of afdraagt. Dit betekende inhoudelijk echter geen majeure wijziging ten opzichte van de situatie zoals die in ieder geval al sinds het begin van de 19e eeuw bestaat. Wanneer dit onderscheid is ontstaan, heb ik niet kunnen vaststellen. Dit vergt namelijk historisch archiefonderzoek waarvoor andere expertise nodig is.
Het bestaan van verschillende heffingsmethoden moet – naar het mij het meest waarschijnlijk voorkomt – worden verklaard vanuit een praktische behoefte. In bepaalde gevallen werd de ene heffingsmethode geschikter geacht dan de andere. Zaken waarvan een persoon langere tijd eigenaar bleef, konden bijvoorbeeld eenvoudiger worden geregistreerd dan zaken die gemakkelijk en/of regelmatig van eigenaar wisselden of snel werden verbruikt. Van die eerste groep konden registers worden aangelegd die voor de Belastingdienst vervolgens als basis dienden voor het opleggen van aanslagen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de grondbelasting, de patentbelasting, maar thans ook bij de onroerende zaakbelasting. Bij de tweede groep zaken is dat niet mogelijk. In dat geval was er een voorkeur om de heffing van belasting aan te laten sluiten op het moment waarop zich een bepaalde handeling voordeed. De Belastingdienst kan niet bij al die handelingen aanwezig zijn. Het lag daardoor meer voor de hand dat belastingplichtigen zelf het verschuldigde belastingbedrag bepaalden. Zij hadden immers het beste zicht op de daarvoor relevante feiten en omstandigheden.
De discussie rondom de zogenoemde eigen aangifte laat zien dat er binnen een bepaalde heffingsmethode (in dit geval beschreven (directe) middelen) weer verschillende subvormen kunnen bestaan. Dit roept het beeld op van een doorlopend geheel van verschillende varianten van heffingsmethoden (een continuüm). De uitersten daarvan worden gevormd door twee zuivere vormen. Het ene is de vorm waarbij de aanslagen worden vastgesteld door de Belastingdienst enkel op basis van hem bekende informatie. Bij de andere uiterste vorm stelt de belastingplichtige zelf vast hoeveel belasting hij is verschuldigd. Dit deelt hij vervolgens mee aan de Belastingdienst. Daartussen bestaan verschillende ‘hybride’-vormen met kenmerken van beide uitersten, zoals bijvoorbeeld het vaststellen van een aanslag door de Belastingdienst onder andere op basis van een aangifte van de belastingplichtige. De vraag die in dit verband kan worden gesteld, mede gelet op het voorgaande, is of het beeld klopt dat de keuze tussen een aangifte- en een aanslagbelasting er daadwerkelijk één is tussen twee uitersten. In hoofdstuk 3 zal ik de heffingsmethoden daartoe met elkaar vergelijken en op zoek gaan naar de verschillen daartussen.
Verder leert de discussie rondom de eigen aangifte, dat daarbij vooral afwegingen zijn gemaakt waarbij de volgende twee factoren relevant waren. Enerzijds zijn dat de administratieve lasten voor de belastingplichtigen (zoals het moeten maken van bezwaar in geval van onjuiste aanslagen) en anderzijds uitvoeringslastenvoor de Belastingdienst (in casu het behandelen van bezwaren en toezicht achteraf).