25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/69.3.3:69.3.3 Inhoudelijke besluitvorming en beoordeling
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/69.3.3
69.3.3 Inhoudelijke besluitvorming en beoordeling
Documentgegevens:
prof. mr. G.A. van der Veen, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. G.A. van der Veen
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1128.
Zie in vergelijkbare zin uit het belastingrecht HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in het voorstel van 2017 opgenomen en nadien stevig afgezwakte artikelen 20.32 en 20.33 bieden grondslagen voor het vaststellen van standaarden, zoals semantische, reken- en meet-, verbeeldings- en uitwisselstandaarden.
Thans is niet zo goed geregeld, welke standaarden bij de inhoudelijke besluitvorming en beoordeling leidend zijn.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit een Afdelingsuitspraak over geurmetingen in het kader van handhaving. De Afdeling stond voor de vraag welk verspreidingsmodel moest worden gehanteerd. Meer concreet was aan de orde welke software-implementatie en versie van dat verspreidingsmodel in het kader van handhaving moet worden gehanteerd. De vergunningvoorschriften verwezen naar het NNM, zijnde het ‘Nieuw Nationaal Model’. Dat werd ook bij de handhaving benut. Volgens paragraaf 3.4.4.4 van het NNM kan bij controle van een bestaande vergunning een verspreidingsmodel worden gebruikt dat in dat geval hetzelfde moet zijn als in de vergunningaanvraag. De Afdeling begreep de paragraaf aldus, dat naast het verspreidingsmodel ook de implementatie en versie van het model hetzelfde moest zijn als het model dat bij de vergunningaanvraag was gebruikt. Er was evenwel gerekend met een andere implementatie en versie van het NNM. Mede daarom was volgens de Afdeling niet komen vast te staan dat geurimmissiegrenswaarden waren overtreden.1
De uitspraak maakt niet duidelijk of de oudere software nog beschikbaar was ten tijde van de overtreding. Wanneer dat niet zo is, zou uit de uitspraak de conclusie getrokken kunnen worden dat niet meer gehandhaafd kan worden. Het mag duidelijk zijn dat dat niet wenselijk is. In wezen, zouden oude versies dus beschikbaar moeten blijven om handhaving mogelijk te houden.
Het is de vraag of ook in de Awb aandacht moet worden geschonken aan dergelijke effecten van digitalisering op de besluitvorming en beoordeling. Vooralsnog lijken de bestaande eisen van ordelijke vergaring van kennis (artikel 3:2 Awb) en valide motivering (artikel 3:46 Awb) en het rechtszekerheidsbeginsel voldoende handvatten te bieden. Wel is denkbaar dat de beoordeling lastiger wordt, naar mate het bestuur zwaarder leunt op modellen en invoergegevens. De bestuursrechter zal zich dan ook op die modellen en gegevens moeten inwerken en uitleg moeten vragen, maar lijkt dat (terecht) ook te doen.2