Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.6.2:4.6.2 Synthese van rechtstheoretische invalshoeken aangaande de rechtsfiguur van de klacht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.6.2
4.6.2 Synthese van rechtstheoretische invalshoeken aangaande de rechtsfiguur van de klacht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946218:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 2, paragraaf 3.2 en 5.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 494. Zie hierover meer uitgebreid hoofdstuk 2, paragraaf 3.2.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 44 en 493-494.
Smidt & Smidt 1901 (Deel V), p. 293.
De aard en ernst van het strafbare feit zijn indirect natuurlijk wel van belang, omdat deze aspecten bijdragen aan de invulling van het algemeen belang dat bestaat bij de vervolging van het betreffende strafbare feit.
Bosch 1965, p. 95.
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.3.3 en Groenhuijsen 2019.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 2 is uiteengezet dat het oorspronkelijke onderscheid tussen het formele deel van de regeling van de klacht en de materieelrechtelijke bepalingen aangaande klachtdelicten tot op heden is gehandhaafd, maar dat deze verdeling van de regeling van de klacht in formele en materiële wetsbepalingen op een wankel fundament stoelt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat pragmatische overwegingen een rol hebben gespeeld bij de plaatsbepaling en invulling van de rechtsfiguur van de klacht.1 De ongerijmdheden waartoe dit leidt in de wetssystematiek zijn in dit hoofdstuk blootgelegd.
Het onderzoek naar vervolgingsbeletselen maakt duidelijk dat deze op velerlei wijze in de wet zijn verankerd. Een duidelijke wetssystematiek ten aanzien van de vervolgingsbeletselen ontbreekt. Bij gebreke aan een coherent systeem leidt een wijziging van de vormgeving van de regeling van klachtdelicten dus niet tot een systeembreuk. Zodoende bestaat ruimte om te bezien of de huidige regeling van klachtdelicten volstaat of dat het de voorkeur verdient deze rechtsfiguur in de Wetboeken van Strafrecht en Strafvordering anders vorm te geven.
Bij de analyse van de vervolgingsbeletselen in paragraaf 4 bleek dat het functioneren van en de idee achter een vervolgingsbeletsel steeds leidend zijn voor de vormgeving en plaatsbepaling in de wet van dat beletsel. Bij de behandeling van het wederrechtelijkheidsvraagstuk en bij de vergelijking van het klachtvereiste met het in art. 167a Sv verankerde hoorrecht is aan bod gekomen dat het de voorkeur verdient het klachtvereiste een louter processuele functie te laten vervullen. Hoofdzakelijk omdat de werking van het klachtvereiste dan aansluit op het grondbeginsel dat redengevend is voor de regeling van klachtdelicten. Het verdient dan ook aanbeveling om de regeling van klachtdelicten van het Wetboek van Strafrecht naar het Wetboek van Strafvordering over te hevelen. Plaatsing in het Wetboek van Strafvordering onderstreept de idee dat het al dan niet indienen van een klacht losstaat van de materieelrechtelijke laakbaarheid van het overtreden van een strafbaar gestelde norm en dat die klacht slechts raakt aan de mogelijkheid tot vervolging van het reeds begane strafbare feit.
Hierbij breng ik in herinnering dat over de plaatsing van de regeling van de klacht in titel VII in het Algemene Deel van het Wetboek van Strafrecht stevig is getwist en dat die bepalingen in de voorbereiding van het strafwetboek door de Raad van State werden bestempeld als zijnde ‘van bloot formeelen aard’ die tot de procesorde behoren.2 De wetgever bepaalde uiteindelijk dat uitsluitend de vorm van de klacht tot het procesrecht behoorde, maar dat het aanwijzen van klachtdelicten en de bevoegdheid tot het indienen en intrekken van de klacht onderwerpen van materieel recht zijn.3 In de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Wetboek van Strafrecht uit 1886 is onderstreept dat het klachtvereiste, in lijn met het stelsel van het nieuwe wetboek, als een voorschrift van materieel strafrecht moet worden beschouwd en niet als een processuele bepaling.4 Gelet op het voorgaande verdient die duiding mijns inziens niet de voorkeur. Het verhoudt zich niet goed tot de strekking van de regeling van klachtdelicten en die strekking had bij de vormgeving en plaatsing van de regeling juist leidend moeten zijn. De duiding van de klacht als strafprocessueel mechanisme draagt bij aan het besef dat het overtreden van de strafwet – ook indien het een klachtdelict betreft – zonder meer laakbaar is en dat de daarna volgende vragen of die rechtsschending kan worden vervolgd (waarbij de klacht een rol speelt) en zal worden vervolgd (waarbij het opportuniteitsbeginsel een rol speelt) strafprocessueel van aard zijn. Dit sluit ook beter aan op de (in het geval van relatieve klachtdelicten geboden) mogelijkheid om een klacht te splitsen en dus te beperken tot een deel van de daders.
Hier kan tegenin worden gebracht dat de weging van de door de strafbare feiten geraakte belangen – met het oog op de vraag of deze dienen te worden aangemerkt als klachtdelict – dermate is verweven met het strafbare feit dat dit tot het materiële strafrecht behoort. Het wegen van de ernst van strafbare feiten en de gevolgen die daaraan verbonden kunnen worden is echter geenszins beperkt tot bepalingen in het Wetboek van Strafrecht. Dit gebeurt evenzeer in het Wetboek van Strafvordering. Zo is daarin bijvoorbeeld bepaald voor welke strafbare feiten een verdachte in voorlopige hechtenis kan worden genomen.5 Daarbij speelt de ernst van de feiten en het maatschappelijk belang nadrukkelijk een rol. Bovendien staat in relatie tot klachtdelicten bij de weging van het private en het publieke belang primair de vraag centraal in hoeverre de publieke gemeenschap en het slachtoffer respectievelijk zijn gebaat bij en worden geschaad door de vervolging van een strafbaar feit. Die belangenafweging ziet niet primair op het strafbare feit zelf, maar op de gevolgen die een vervolging van het strafbare feit met zich kan brengen.6 Voor dit onderscheid heeft men geen, althans onvoldoende, oog gehad toen het aanwijzen van klachtdelicten als materieelrechtelijke aangelegenheid werd geduid en een plaats verwierf in het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht. De gedachte daarachter was dat de vraag of een misdrijf slechts op klacht vervolgbaar is nauw verbonden zou zijn met die van de strafbaarstelling van het feit.7 Die gedachte is mijns inziens dus niet juist en gaat voor geen van de huidige klachtdelicten op.
Bovenvermelde bevindingen brengen mij tot het voorstel om alle facetten van de regeling van klachtdelicten te plaatsen in het Wetboek van Strafvordering. In één wetsartikel – binnen de titel betreffende aangiften en klachten – kan in twee artikelleden worden aangeduid welke strafbare feiten hebben te gelden als absolute en relatieve klachtdelicten.8 Dit biedt tevens een oplossing voor de tot op heden gehanteerde onoverzichtelijke aanwijzingssystematiek van relatieve klachtdelicten, waarbij veelvuldig gebruik wordt gemaakt van schakelbepalingen.9 Als de wetgever besluit de klachtdelicten zoals hierboven beschreven aan te wijzen, kan tevens van de gelegenheid gebruik worden gemaakt het in art. 316 lid 1 Sr gelegen (absolute) vervolgingsbeletsel te laten vervallen en de in dat artikel beschreven relatie eveneens door middel van een (relatief ) klachtvereiste bescherming te bieden. De artikelen die volgen op deze aanwijzingsbepaling in het Wetboek van Strafvordering kunnen al hetgeen betreffende de klacht regelen dat thans is opgenomen in het Algemene Deel van het Wetboek van Strafrecht en hetgeen in dit verband reeds deel uitmaakt van het Wetboek van Strafvordering. Tot slot kan een rechtsingang worden gecreeerd voor de klachtgerechtigde waarin – vanwege het ontbreken van een klacht – de beëindiging kan worden verzocht van een onwenselijk geachte vervolging. Een positieve beslissing op dit verzoek zou met zich moeten brengen dat ook (verdere) opsporing van het onderhavige feit achterwege blijft. Deze rechtsgang betreft als het ware het spiegelbeeld van de situatie waarop art. 12 Sv ziet. Ook in dit geval zou het daarbij moeten gaan om een procedure die in raadkamer wordt behandeld, zodat geen ruchtbaarheid voor (de vervolging van) de strafbare feiten ontstaat. De rechtsgang beoogt immers de klachtgerechtigde betrokkene in staat te stellen (verdere) aandacht voor de aan de zaak ten grondslag liggende feiten te voorkomen. Daarbij plaats ik de kanttekening dat de voorgestane rechtsgang – anders dan art. 12 Sv voorschrijft – niet voor alle belanghebbenden open zou moeten staan, maar uitsluitend voor klachtgerechtigden.