De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht
Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.7.4:5.7.4 Conclusies
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.7.4
5.7.4 Conclusies
Documentgegevens:
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS378929:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de bijlagen 6 en 7b. Vergelijking van de toezichtsbevoegdheden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De belangrijkste conclusies voor het verstrekken van gegevens en inlichtingen in het kader van een derdenonderzoek laten zich als volgt samenvatten:1
De inspecteur kan zich in het kader van een derdenonderzoek wenden tot alle administratieplichtigen. Zij moeten – desgevraagd – aan een dergelijk onderzoek zowel actief als passief meewerken.
Een toezichthouder beschikt niet over eenzelfde wettelijke bevoegdheid. Maar hij kan daarentegen van een ieder medewerking vorderen die (direct) betrokken is bij de wet- en regelgeving waarop wordt toegezien. Voor de toezichthouder is op voorhand niemand uitgesloten. Alle medewerkingsvarianten zijn in beginsel onverkort van kracht. Bij een verminderde betrokkenheid moet de noodzaak pregnanter zijn en is voor vergaande bevoegdheden geen plaats.
De toezichthouder kan particulieren (waaronder ex-werknemers) in zijn nalevingstoezicht betrekken. Zij kunnen verplicht worden hun medewerking te verlenen in het kader van een derdenonderzoek.
Tegenover de inspecteur bestaat die verplichting niet.
De inspecteur kan overheidsorganen om gegevens en inlichtingen vragen. Voor hen bestaat – in het kader van een derdenonderzoek – echter geen wettelijke inzageverplichting. Deze wettelijke verplichting ontheft de overheidsorganen van de geheimhoudingsplicht.
De Awb biedt geen wettelijke bevoegdheid tot het verkrijgen van inlichtingen noch inzage bij overheidsorganen. De wettige bevoegdheid strekt alleen voorzover sprake is van een (directe) betrokkenheid bij de wet- en regelgeving waarop wordt toegezien en de medewerking redelijkerwijs noodzakelijk is. De Awb biedt, door het ontbreken van de wettelijke bepaling, geen grondslag tot ontheffing van de fiscale geheimhoudingsverplichting. Daarvoor is bijzondere wet- en regelgeving vereist. Daar waar de inspecteur overheidsbreed gegevens en inlichtingen kan verkrijgen ten dienste van de belastingheffing, ontbreekt het de toezichthouder veelal aan bevoegdheden tot het verkrijgen van toezichtgegevens van overheidsorganen. En derhalve ook van de Belastingdienst.
Aan de verplichting medewerking te verlenen ten dienste van de belastingheffing van derden kunnen alleen de – limitatief genoemde – klassieke verschoningsgerechtigden zich onttrekken en dit weigeren.
Voor de toezichthouder is dat recht niet beperkt tot de klassieke verschoningsgerechtigden. Hier kunnen ook anderen zoals de journalist en een medewerker van de Belastingdienst zich op beroepen.
De verschoningsgerechtigden hebben de verantwoordelijkheid te handelen binnen hun maatschappelijke vertrouwenspositie. Anderen mogen daar vanuit gaan en, hoewel de wet spreekt over ‘kunnen weigeren’, de verschoningsgerechtigde een beroep doen op hun vertrouwenspositie tenzij een wettelijke verplichting daartoe bestaat dan wel in overleg met degenen die van hun vertrouwelijke positie uitgaan, daar toestemming voor verlenen.
Medewerkers van de Belastingdienst kunnen onderling gegevens en inlichtingen uitwisselen indien sprake is van een belang voor de belastingheffing. Ten opzichte van andere toezichthouders geldt in beginsel de plicht tot geheimhouding met toepassing van de wettelijke geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht, tenzij er een wettelijke verplichting bestaat. Alsdan moet er sprake zijn van een belangenafweging (op het niveau van een specifieke vraag).
De inspecteur kan in het kader van een efficiënte uitvoering van zijn taak, ook gebruik maken van de werkzaamheden die anderen al hebben verricht, zoals de accountant. De brede maatschappelijke verantwoordelijkheid voor zowel het effectief als efficient uitvoeren van de taak ten dienste van de belastingheffing komt hier duidelijk naar voren.
De toezichthouder kan gebruikmaken van de uitkomsten van hun arbeid voorzover daar zwaarwegende belangen voor zijn en er directe betrokkenheid is van die derde.
Bij de belangenafweging bij het (door)verstrekken van derdeninformatie moeten ook de belangen van degenen die de vertrouwelijke gegevens beschikbaar hebben gesteld, worden meegewogen. Dit geldt voor zowel de inspecteur als de toezichthouder. Voor beiden geldt tevens dat zij, bij het verkrijgen van derdeninformatie, de belangen van de gegevensverstrekker ook moeten meewegen. En dat in volle transparantie.