Hof Leeuwarden, 14-01-2010, nr. 200.022.717
ECLI:NL:GHLEE:2010:BM4071
- Instantie
Hof Leeuwarden
- Datum
14-01-2010
- Magistraten
Mrs. Melssen, Jonkman, Kuiken
- Zaaknummer
200.022.717
- LJN
BM4071
- Vakgebied(en)
Huurrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHLEE:2010:BM4071, Uitspraak, Hof Leeuwarden, 14‑01‑2010
Uitspraak 14‑01‑2010
Mrs. Melssen, Jonkman, Kuiken
Partij(en)
Beschikking in de zaak van
- 1.
[appellant 1],
wonende te [woonplaats],
- 2.
[appellant 2],
wonende te [woonplaats],
- 3.
[appellant 3],
wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna tezamen te noemen: de erfgenamen,
advocaat mr. A.A. Westers, kantoorhoudende te Groningen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat mr. K. van Bladeren, kantoorhoudende te Groningen,
Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, van 17 september 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 15 december 2008, hebben de erfgenamen hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking en verzocht als in het petitum van dat beroepschrift verwoord.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 25 februari 2009, heeft [geïntimeerde] het verzoek bestreden en verzocht als aan het slot van dat verweerschrift aangegeven.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van 16 juni 2009 van mr. Westers, waarin namens beide partijen wordt meegedeeld dat wordt afgezien van het recht ter zitting van 25 juni 2009 te worden gehoord en het hof wordt verzocht uitspraak te doen op basis van de stukken.
De beoordeling
Met betrekking tot de feiten
1.
Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van genoemde beschikking van 17 september 2008 is, behoudens ten aanzien van de vaststelling waartegen grief 1 is gericht, geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van de feiten waartegen niet is gegriefd zal worden uitgegaan.
Met betrekking tot de grieven
2.
Uit de grieven leidt het hof af, dat het geschil in volle omvang aan hem is voorgelegd, zodat hij deze grieven niet afzonderlijk zal bespreken.
3.
Kern van het geschil ziet er — kort samengevat — op dat [geïntimeerde] het erfpachtrecht wenst over te dragen aan een derde en dat de erfgenamen met een beroep op artikel 7 van akte waarin de tussen partijen geldende bepalingen zijn neergelegd, slechts de in dat artikel bedoelde schriftelijke toestemming voor die overdracht wensen te verlenen tegen betaling van een bedrag door [geïntimeerde] aan hen van € 150.000,--.
4.
Uit de wetgeschiedenis van artikel 5:91, lid 1, BW blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de eigenaar invloed te geven op de persoon van de volgende erfpachter en om die reden de — in deze zaak aan de orde zijnde — overdracht van het erfpachtrecht aan diens toestemming heeft onderworpen.
Voormelde bedoeling blijkt uit de Memorie van Antwoord II, Parlementaire Geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, boek 5, blz. 312 waarin met betrekking tot artikel 5.7.1.5. (=5:91 BW) onder meer het volgende wordt opgemerkt:
‘Naar aanleiding van de opmerking van de Commissie over de overdraagbaarheid van de erfpacht is naar een regeling gezocht, waardoor het de gemeenten mogelijk wordt gemaakt enige invloed uit te oefenen op de persoon van de verkrijger. Hierbij is aangesloten aan de ook door de Commissie aanbevelen (hof: bedoeld aanbevolen) oplossing van Houwing (WPNR 4496, blz. 280), volgens welke de overdracht in beginsel afhankelijk kan worden gemaakt van de toestemming van de eigenaar met dien verstande dat diens toestemming onder bepaalde omstandigheden kan worden vervangen door een machtiging van de boedel. In verband daarmee is het onderhavige artikel geheel herzien. Een nieuw eerste en derde lid zijn toegevoegd.
…
Eerste lid. De eis dat toestemming van de eigenaar noodzakelijk is, kan gesteld worden voor het geval dat er een nieuwe erfpachter zou komen door overdracht of toedeling.
…
Het beding kan niet inhouden dat (reeds) bij overlijden van de erfpachter toestemming nodig is voor de overgang van de erfpacht op diens intestatie of testamentaire erfgenamen. Wel echter kan het omvatten het geval van overdracht ingevolge een legaat aan de legataris.
Zoals in de tweede zin van lid 1 is uitgedrukt, staat het beding niet in de weg aan uitwinning door de schuldeisers (…). Voor de grondeigenaar betekent dit weliswaar dat hem bij uitwinning tegen zijn zin een nieuwe erfpachter kan worden opgedrongen (die overigens zelf de erfpacht weer slechts kan overdragen met toestemming van de eigenaar), maar het belang van de grondeigenaar moet hier wijken voor het meer algemene belang dat…’
5.
Tussen partijen is — terecht — niet in geschil dat aan het verlenen van die toestemming een voorwaarde mag worden verbonden. Immers, bij het mondeling overleg zoals dat eveneens blijkt uit de hiervoor vermelde parlementaire geschiedenis (boek 5, blz. 314) heeft de regeringscommissaris op de vraag of de eigenaar aan de toestemming tot overdracht voorwaarden mag verbinden, bijvoorbeeld omtrent de wijze waarop de in erfpacht gegeven grond moet worden gebruikt, bevestigend geantwoord, daartoe aanvoerende dat dit een rechtshandeling is die als elke rechtshandeling onder een voorwaarde kan worden verricht, tenzij uit de wet of de aard van de rechtshandeling anders voortvloeit.
6.
Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, een en ander in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de grondeigenaar aan zijn toestemming weliswaar voorwaarden mag verbinden, maar dat die voorwaarden uitsluitend de persoon van de volgende erfpachter mogen betreffen en/of de wijze waarop de in erfpacht gegeven grond moet worden gebruikt, maar in ieder geval niet een financiële vergoeding als door de erfgenamen verlangd.
7.
Uit het vorenoverwogene vloeit tevens voort dat de door de erfgenamen aan hun toestemming verbonden voorwaarde dat [geïntimeerde] van het door hem terzake de overdracht ontvangen bedrag € 150.000,-- aan hen betaalt, in strijd is met de kennelijke bedoeling van de wet(gever). Hun weigering om [geïntimeerde] toestemming tot de overdracht te verlenen om reden dat hij de door hen gestelde voorwaarde niet wenst na te komen, is derhalve in strijd met de bedoeling van de wet(gever) en moet reeds hierom als een weigering zonder redelijke gronden worden aangemerkt.
8.
Voor zover de erfgenamen nog een beroep hebben gedaan op artikel 5:90 BW kan hen dat niet baten, alleen al om reden dat het hof met de kantonrechter van oordeel is dat dit artikel uitsluitend betrekking heeft (zie Parlementaire Geschiedenis boek 5, blz. 309) op vruchten van roerende zaken of voordeel van onroerende zaken, waartoe niet gerekend kan worden de door [geïntimeerde] terzake de overdracht te verkrijgen geldsom.
9.
Ten slotte hebben de erfgenamen in enkele grieven ook nog verwezen naar specifieke jurisprudentie en literatuur. Het hof is van oordeel dat de aard van het geschil die in de betreffende jurisprudentie en/of literatuur aan de orde komt en/of de vordering/het verzoek die in de besproken zaken aan de orde zijn, afwijken van die welke in deze zaak voorliggen, zodat reeds hierom ook het beroep van de erfgenamen hierop hen niet kan baten.
10.
Op grond van het vorenstaande dient de beschikking van de kantonrechter te worden bekrachtigd.
11.
De erfgenamen zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.
Slotsom
12.
Gelet op het vorenstaande zal het hof beslissen als hierna aangegeven.
De beslissing
Het gerechtshof
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
veroordeelt de erfgenamen in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die aan de zijde van [geïntimeerde] vast tot aan deze uitspraak op € 254,--aan verschotten en op € 894,-- aan salaris voor de advocaat (tarief II, 1 punt).
Aldus gewezen door mrs. Melssen, voorzitter, Jonkman en Kuiken, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van donderdag 14 januari 2010 in bijzijn van de griffier.