Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.6.5
14.6.5 Beperking bevoegdheid Hof van Justitie bij justitiële en politiële samenwerking in strafzaken
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456981:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 497.
R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 608.
A. Hinarejos, Judicial control in the European Union: reforming jurisdiction in the intergovernmental pillars, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 108-113.
Artikel III-283: Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden betreffende de bepalingen in de afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk IV van titel III betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is het Hof van Justitie niet bevoegd de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of van andere instanties van een lidstaat belast met wetshandhaving of de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid, indien deze handelingen onder het nationaal recht vallen (mijn cursivering, TK).
A. Hinarejos, Judicial control in the European Union: reforming jurisdiction in the intergovernmental pillars, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 1112-1113. Dit lijkt ook het punt te zijn waar Barents zich op baseert waar hij betwijfelt of de bepaling een wezenlijke beperking van rechtsmacht inhoudt.
Hoewel het Hof van Justitie in beginsel jurisdictie heeft ook waar het om de samenwerking in strafzaken gaat, is in artikel 276 VWEU een op het eerste gezicht belangrijke beperking aangebracht op de bevoegdheid van het Hof. In dat artikel zijn de bepalingen bekend uit artikel 68, tweede lid, EG-verdrag en 35, vijfde lid, VEU overgenomen, inhoudende dat het Hof bij de beoordeling van justitiële en politiële samenwerking in strafzaken niet bevoegd is
‘om de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of van andere instanties belast met wetshandhaving in een lidstaat, noch om zich uit te spreken over de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid’.
Hoewel Barents de vraag opwerpt of deze bepaling een wezenlijke beperking van de rechtsmacht van het Hof inhoudt,1 is hij tevens van mening dat deze bepaling een grotere betekenis kan krijgen dan voorheen.2 Hinarejos gaat betrekkelijk uitgebreid op de bepaling in, maar sluit af met de opmerking dat te bezien valt hoe het Hof met de bepaling om zal gaan.3 In elk geval is de vraag of de bepaling ook werking heeft bij toepassing van de prejudiciële procedure, nu verdedigd kan worden dat het Hof bij de beantwoording van prejudiciële vragen niet direct de geldigheid of evenredigheid nagaat van operaties van de politie of andere instanties. Slechts bij een inbreukprocedure zou de bepaling dan betekenis hebben. Zo zou het Hof de functie kunnen blijven vervullen van interpreet van het Unierecht en de rechtseenheid kunnen blijven bewaken. De nationale rechter zal zich immers wel over de materie uit moeten laten, ook al zou deze bepaling het Hof weerhouden van een beantwoording vaan prejudiciële vraag. Het lijkt weinig effectief dat het Hof zich in een dergelijk geval in stilzwijgen hult. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Verdrag van Lissabon, specifieker: op basis van de pendant van artikel 276 in de verworpen Europese Grondwet,4 zou voorts zijn op te maken dat de beperking alleen ziet op politieoptreden dat zijn oorsprong vindt in het nationale recht van een lidstaat. Over optreden dat is gebaseerd op Unierecht zou het Hof zich hoe dan ook wel hebben mogen uitlaten.5
Al met al lijkt zeer de vraag of het Hof zich terughoudend zal opstellen, met name waar het wordt gevraagd zich uit te laten over politieoptreden met een Europese dimensie en mogelijke implicaties voor de grond- of mensenrechten van de betrokken burger. Als dat inderdaad de opstelling van het Hof van Justitie blijkt te zijn, brengt deze bepaling geen beperking aan op hetgeen hiervoor aangaande de prejudiciële procedure is opgemerkt. De voor het vertrouwensbeginsel relevante werking van die prejudiciële procedure bestaat dan in volle omvang. Stelt het Hof van Justitie zich terughoudend op bij de beantwoording van prejudiciële vragen die (mede) betrekking hebben op ‘operaties van de politie of van andere instanties belast met wetshandhaving in een lidstaat’, dan kan dat tot gevolg hebben dat de meerwaarde die de prejudiciële procedure heeft bij het versterken van onderling vertrouwen, ten dele teniet wordt gedaan. In veel gevallen zal immers het aspect waar het bij de samenwerking om draait mede met ‘operaties van de politie of van andere instanties belast met wetshandhaving in een lidstaat’ samenhangen, in het bijzonder als het om kleine rechtshulp gaat, in EU-verband vooral in de vorm van het nog te bespreken Europees onderzoeksbevel.