Rb. Noord-Holland, 05-04-2017, nr. C/15/239957 / HA ZA 16-124, nr. C/15/239967 / HA ZA 16-129
ECLI:NL:RBNHO:2017:4193
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
05-04-2017
- Magistraten
Mr. A.C. Haverkate
- Zaaknummer
C/15/239957 / HA ZA 16-124
C/15/239967 / HA ZA 16-129
- Vakgebied(en)
Vervoersrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2017:4193, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 05‑04‑2017
Uitspraak 05‑04‑2017
Mr. A.C. Haverkate
Partij(en)
Vonnis in gevoegde zaken van 5 april 2017
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/15/239957 / HA ZA 16-124 van
de naamloze vennootschap
DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
(proces)advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. [gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde,
advocaat mr. T.J. Dorhout Mees te Zwolle,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/15/239967 / HA ZA 16-129 van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ABEEL HOLDING B.V.,
gevestigd te Den Haag,
eiseres,
advocaat mr. I.M.F. van Emstede te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. [gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde,
advocaat mr. T.J. Dorhout Mees te Zwolle.
Partijen zullen hierna Delta Lloyd, Abeel en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure in de zaak 16-124
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
de dagvaarding met producties 1–7,
- —
de incidentele vordering van [gedaagde] tot oproeping in vrijwaring,
- —
de conclusie van antwoord in incident,
- —
het proces-verbaal van de openbare terechtzitting gehouden op 29 juni 2016, waarbij de rechtbank [gedaagde] vergunt om H.H.C./D.R.S. Inspecties B.V. (hierna te noemen: H.H.C./D.R.S.) in vrijwaring te doen dagvaarden,
- —
de conclusie van antwoord met producties 1–2,
- —
het tussenvonnis van 19 oktober 2016,
- —
de akte houdende aanvullende producties 8–10 van de zijde van Delta Lloyd,
- —
de akte houdende aanvullende producties 3–5 van de zijde van [gedaagde],
- —
het proces-verbaal van comparitie van 10 februari 2017, waarbij de zaak 16–124 gelijktijdig met de zaak 16–129 is behandeld.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De procedure in de zaak 16–129
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
de dagvaarding met producties 1–16, die tevens een incidentele vordering tot voeging bevat,
- —
de incidentele vordering van [gedaagde] tot oproeping in vrijwaring,
- —
de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident,
- —
de vonnissen in incident van 13 juli 2016, waarbij de rechtbank de zaak 16–129 voegt bij bij de zaak 16–124 en toestaat dat H.H.C./D.R.S. door [gedaagde] wordt gedagvaard,
- —
de conclusie van antwoord met producties 1–2,
- —
het tussenvonnis van 19 oktober 2016,
- —
de akte houdende aanvullende producties 17, 18.1 en 18.2 van de zijde van Abeel,
- —
de akte houdende aanvullende producties 3–5 van de zijde van [gedaagde],
- —
het proces-verbaal van comparitie van 10 februari 2017, waarbij de zaak 16–129 gelijktijdig met de zaak 16–124 is behandeld.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
in beide zaken
3.1.
Abeel is eigenaar van een in 2009 gebouwd luxe motorjacht van het type Super van Craft, genaamd ‘[motorjacht]’.
3.2.
De [motorjacht] wordt gebruikt als pleziervaartuig en is Allrisk verzekerd bij Delta Lloyd onder een watersportpolis. Op de polis is vermeld dat de gebruiker van het vaartuig [betrokkene 1] (hierna te noemen: [betrokkene 1]) is. [betrokkene 1] is enig bestuurder van Abeel.
3.3.
[gedaagde] is een scheepswerf die onder meer actief is op het gebied van (winter)stalling, onderhoud, reparatie en verkoop van jachten.
3.4.
Bij brief van 30 september 2013 heeft [betrokkene 2] (hierna te noemen: [betrokkene 2]) aan [betrokkene 1] bevestigd de aan [gedaagde] verstrekte opdracht tot het uitvoeren van diverse schilderwerkzaamheden aan de [motorjacht] ten bedrage van in totaal € 21.861,- en tot het stallen van de [motorjacht] in de winterberging ten bedrage van € 4.732,85 inclusief hijskosten, schoonspuiten van het onderwaterschip, bokhuur, gebruik van elektra en BTW. In deze brief is verder vermeld dat op de opdrachtbevestiging de Hiswa Algemene Aannemings-, Verkoop- en Leveringsvoorwaarden van toepassing zijn. [betrokkene 1] heeft de opdrachtbevestiging voor akkoord ondertekend (hierna te noemen: de overeenkomst).
3.5.
Op 8 oktober 2013 heeft [betrokkene 1] het Reserveringsformulier Winterstalling 2013/2014 (hierna te noemen: het Reserveringsformulier) ondertekend, waarmee bij [gedaagde] met ingang van 1 oktober 2013 een plaats voor de winterstalling is gereserveerd. Op het Reserveringsformulier heeft [betrokkene 1] aangegeven dat de [motorjacht] in de verwarmde stofarme hal moet worden geplaatst, dat voor de werkzaamheden wordt verwezen naar de opdracht tot schilderwerk van 30 september 2013 en dat hij het polisnummer van de Allrisk verzekering bij Delta Lloyd de volgende dag doorbelt.
3.6.
Op het Reserveringsformulier is verder het volgende vermeld:
‘(…)
- —
Op onze stallingsfaciliteiten zijn van toepassing de Hiswa Algemene Voorwaarden Huur en Verhuur lig- en/of bergplaatsen, afgedrukt aan de achterzijde van dit formulier. Op onze overige diensten zijn van toepassing de Hiswa Algemene Aannemings-, Verkoop- en Leveringsvoorwaarden, welke wij u op verzoek kunnen toesturen en u kunt lezen op onze website www. [gedaagde].nl
- —
Ondergetekende/huurder heeft kennis genomen van en is akkoord gegaan met de tarieven, het werfreglement (bijlage) en de Hiswa Voorwaarden op de achterzijde van dit formulier.’
3.7.
In het Werfreglement is onder meer het volgende vermeld:
‘(…)
Aansprakelijkheids-en milieuvoorschriften
Aansprakelijkheid voor schade:
- a.
De huurder is aansprakelijk voor alle schade van welke aard dan ook, aan personen of zaken welke door toedoen of nalatigheid van hemzelf wordt veroorzaakt.
- b.
Het jacht dient ten minste W.A. en tegen brand verzekerd te zijn en verblijft voor rekening en risico van huurder op onze werf. De werf is in geen enkel opzicht aansprakelijk voor welke schade dan ook aan personen en het jacht en/of uitrusting, ongeacht de oorzaak. Ook is de werf niet aansprakelijk voor brandschade of vermissing van uitrusting en/of onderdelen.
- c.
De werf aanvaard geen enkele aansprakelijkheid voor schade 's tijdens het hijsen en het transport van het jacht. De positie van de hijsbanden dient door de opdrachtgever aangewezen te worden.
- d.
Voor zover onze eigen voorwaarden niet worden tegengesproken, geschieden onze transacties volgens de ‘HISWA’-voorwaarden, n.l.;
Hiswa-algemene voorwaarden voor de huur en verhuur van lig-en bergplaatsen voor vaartuigen en aanverwante artikelen
(…)’
3.8.
Bij e-mail van 8 oktober 2013, afkomstig van [betrokkene 1]/Abeel Holding ([betrokkene 1]@planet.nl), aan [gedaagde] (info@[gedaagde]..nl ), met een cc-bericht aan info@abeel-vastgoed.nl, heeft [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] vragen gesteld over extra kosten van het meelakken van de achterdeuren van de [motorjacht], over het vastzetten van één van de twee ankers en over het van boord halen van een defribrillator.
3.9.
Bij e-mail van 9 oktober 2013, afkomstig van [betrokkene 1]/Abeel Holding ([betrokkene 1]@planet.nl), heeft [betrokkene 1] aan [betrokkene 2]/ [gedaagde] het volgende bericht:
‘Beste [betrokkene 2],
Hierbij de polis gegevens van de [motorjacht].
Eigenaar boot Abeel Holding BV Verz. Mij. Delta Lloyd.
Polisnummer. [001]
Fijne dag,
Gr. [betrokkene 1].’
3.10.
Op 9 oktober 2013 heeft [gedaagde] de [motorjacht] met behulp van haar portaalkraan uit het water gehaald. Hangend in de kraan circa twee meter boven het water is de achterste hijskabel aan stuurboordzijde van de portaalkraan gebroken en is de [motorjacht] met de achterzijde in het water en met de voorzijde op de rand van de kade gevallen. Bij deze val is de [motorjacht] ernstig beschadigd geraakt.
3.11.
Nadat de schade bij Delta Lloyd was gemeld, heeft Delta Lloyd bij brief van 11 oktober 2033 [gedaagde] voor de schade aansprakelijk gesteld. Daarnaast heeft Delta Lloyd de heer G. van de Werken, werkzaam bij Expertise Service Center (hierna te noemen: Van de Werken), benoemd om onderzoek te doen naar de omvang van de schade en de toedracht van het schadevoorval, De verzekeraar van [gedaagde] heeft de heer B. Spaargaren als expert benoemd. De experts hebben de expertise gezamenlijk verricht. Daarnaast zijn als partijen bij het onderzoek betrokken geweest de heer F. Kersten, expert namens Abeel, de heer M.J. Brockhus, expert namens H.H.C./D.R.S., en de heer [directeur], directeur verzekeringen Rabobank Den Haag.
3.12.
De bevindingen van het onderzoek door Van de Werken zijn neergelegd in een eindrapport van 1 december 2014. In dit rapport is vermeld dat de oorzaak van het vallen van het schip uit de kraan door de gebroken hijskabel onvoldoende onderhoud van de kraan was, omdat de kabel ernstige corrosieschade vertoonde en hierdoor was verzwakt. De schade is door Van de Werken op basis van feitelijk gemaakte herstelkosten (reparatiefacturen van [A] B.V. te [a-plaats], waar de [motorjacht] gedurende twee winters (2013 en 2014) voor reparatie heeft gestaan en de vastgestelde inboedel- en restschade) begroot op een bedrag van in totaal € 228.304,07.
3.13.
Op 24 september 2015 heeft Van de Werken een aanvullende rapportage uitgebracht. De aanleiding hiervoor was het (later ter beschikking gestelde) inspectierapport opgemaakt door H.H.C./D.R.S. (nr. 18119-1) betreffende de op 21 augustus 2013 uitgevoerde periodieke keuring aan de portaalkraan van [gedaagde]. In het inspectierapport is vermeld dat tekortkomingen zijn waargenomen en dat nacontrole noodzakelijk is voor alle punten genoemd op pagina's 4 en 6 van het rapport.
In de aanvullende rapportage komt Van de Werken, die zich voor zijn onderzoek onder meer heeft laten voorlichten door keuringsbedrijf Holland Testing Technics, tot de volgende conclusies:
‘ Wij concluderen dat
- 1)
Uit het rapport blijkt dat er wel degelijk tekortkomingen zijn waargenomen tijdens inspectie. (…)
- 2)
Er geen veiligheidssticker is verstrekt.
- 3)
Het plotseling verschenen inspectierapport 18119-1 niet is ondertekend door [gedaagde].
- 4)
De beoordeling in het rapport 1101 is onjuist gezien de door ons vastgestelde zware corrosie van de hijskabel zes weken na de inspectie. (…)
- 5)
Hijsbelasting MBL circa 75 ton. (…) Onder wat voor hijsomstandigheden dan ook mag de kraan of onderdelen van de kraan niet bezwijken onder het scheepsgewicht van 42 ton.
- 6)
Uit de punten 2, 3 en 4 volgt dat de kraan ten tijde van het gebruik op 9 oktober 2013 geen goedkeuring had en of had mogen hebben.
Veiligheid: Naar de mening van Holland Testing Technics dient na een kraaninspectie altijd een beproeving te worden verricht. De beproeving wordt uitgevoerd met een testgewicht van 125% van de maximale hijslast. Met name de overlastbeveiliging dient hierbij te worden gecontroleerd op werking en te worden afgesteld.
Door het ontbreken van het testgewicht heeft men de overlastbeveiliging niet kunnen controleren en afstellen. Mede gezien de gebruiksaard van de kraan waarbij dikwijls personen rond het vaartuig lopen bij hijsen, is dit een onacceptabel bedrijfs risico.’
3.14.
Bij brief van 16 oktober 2014, aangevuld bij brief van 16 april 2015, heeft mr. Van Emstede [gedaagde] namens Abeel aansprakelijk gesteld voor de niet door de verzekering gedekte door Abeel geleden schade en haar gesommeerd om de alstoen bekende schade te vergoeden. Bij brief van 12 mei 2015 heeft de verzekeraar van [gedaagde] geen aansprakelijkheid erkend en de vordering van Abeel betwist.
3.15.
Bij brief van 13 november 2015 heeft advocaat mr. P.A. den Haan namens Abeel, [betrokkene 1] en Delta Lloyd de bepalingen uit de Hiswa Algemene Aannemings-, Verkoop-en Leveringsvoorwaarden, de Hiswa Algemene Voorwaarden Huur en Verhuur lig- en/of bergplaatsen en het Werfreglement vernietigd. Bij brief van 25 januari 2016 heeft de verzekeraar van [gedaagde] de buitengerechtelijke vernietiging van de algemene voorwaarden betwist.
4. Het geschil
in de zaak 16-124
4.1.
Delta Lloyd vordert, samengevat en na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
- I.
voor recht verklaart dat [gedaagde] gehouden is tot vergoeding van de door Abeel geleden en door Delta Lloyd vergoede schade;
- II.
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Delta Lloyd van een bedrag van € 252.008,46 aan schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over elk van de betaalde deelbedragen vanaf 14 dagen na de factuurdatum, althans vanaf de datum van aansprakelijkstelling, althans vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
- III.
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Delta Lloyd van een bedrag van € 4.000,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis;
- IV.
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Delta Lloyd van de kosten van het geding met de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Delta Lloyd legt aan haar vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting om na uitvoering van de opdracht de [motorjacht] weer in dezelfde staat aan Abeel ter beschikking te stellen. [gedaagde] heeft bij de uitvoering van de opdracht schade toegebracht aan de [motorjacht]. Door de [motorjacht] te hijsen met een portaalkraan, waarvan de hijskabels waren verroest, en die daardoor in een slechte conditie verkeerde en feitelijk ongeschikt was om te hijsen, is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade. [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een redelijk bekwame en redelijk handelende scheepswerf mag worden verwacht, althans in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is, althans heeft zij onzorgvuldig gehandeld. [gedaagde] had zich als professionele en ter zake kundige partij moeten realiseren dat het gebruik van een dergelijke kraan onaanvaardbare risico's met zich bracht en had zich van het gebruik ervan dienen te onthouden. Door deze handelwijze van [gedaagde] heeft Abeel substantiële schade geleden, waarvan Delta Lloyd een bedrag van € 228.995,58 heeft vergoed onder de polis. Hierdoor is Delta Lloyd gesubrogeerd in de rechten van Abeel jegens [gedaagde]. Delta Lloyd kan vanwege de aansprakelijkheid van [gedaagde] regres nemen. Naast een bedrag van € 228.995,58 aan directe schade maakt Delta Lloyd aanspraak op een bedrag van € 23.012,88 aan expertisekosten, vermeerderd met wettelijke rente. Ook dient [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 4.000,- te betalen, nu Delta Lloyd tevergeefs heeft geprobeerd voldoening van haar vordering buiten rechte te bewerkstelligen.
4.3.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in de zaak 16-129
4.5.
Abeel vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Abeel van een bedrag van € 437.141,52 te vermeerderen met
- —
de wettelijke rente over € 384.266,52 vanaf 7 november 2014 tot 8 mei 2015 ad € 4.432,22 en met de wettelijke rente over € 437.141,52 vanaf 8 mei 2015,
- —
de expertisekosten ten bedrage van € 1.577,13,
- —
de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 3.960,71,
alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Abeel legt aan haar vorderingen voormelde stellingen van Delta Lloyd over de wanprestatie en het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en de hieruit voortvloeiende schade aan de [motorjacht] ten grondslag. Abeel stelt dat de inzet van deze procedure vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van het schadevoorval in 2013 is, die niet door de verzekering bij Delta Lloyd is gedekt. Het betreft schade die Abeel lijdt als gevolg van de waardevermindering van de [motorjacht] door het schadevoorval, de charterinkomsten die Abeel in 2014 heeft gemist vanwege het herstel en de verzekeringskosten met betrekking tot de [motorjacht] over het jaar 2014. Abeel stelt, samengevat, dat na raadpleging van een vijftal deskundigen is gebleken dat de [motorjacht] na reparatie in waarde is verminderd met een bedrag van € 420.875,00. De in 2014 gemiste charterinkomsten heeft Abeel afgeleid uit de, in de jaren 2009–2013, met de [motorjacht] gegenereerde charterinkomsten waaruit een gemiddelde jaarlijkse charteropbrengst van € 9.656,00 volgt. De verzekeringskosten 2014 vloeien voort uit de desbetreffende premienota van 3 juni 2014 van Delta Lloyd van € 6.610,52. Abeel stelt daarmee een niet door de verzekering gedekte schade ten bedrage van in totaal € 437.141,52 te lijden, die zij door [gedaagde] vergoed wenst te zien. De wettelijke rente is [gedaagde] verschuldigd vanaf 7 november 2014, zijnde het tijdstip waarop [gedaagde] gelet op de brief van Abeel van 16 oktober 2014 in verzuim is geraakt met het betalen van het alstoen bekende schadebedrag van € 384.266,52. De wettelijke rente over € 437.141,52 is [gedaagde] verschuldigd vanaf 8 mei 2015, zijnde het tijdstip waarop [gedaagde] gelet op de brief van Abeel van 16 april 2015 in verzuim is geraakt. Verder maakt Abeel aanspraak op de door haar gemaakte expertisekosten (de kosten van de experts Van den Heuvel en Beekmann) ten bedrage van in totaal € 1.577,13, alsmede op de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 3.960,71, berekend conform het rapport BGK-integraal 2013 en uitgaande van voormeld totaalbedrag van € 437.141,52.
4.7.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
in beide zaken
Uitleg Reserveringsformulier
5.1.
De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag hoe het Reserveringsformulier juridisch moet worden gekwalificeerd. Partijen zijn het er namelijk niet over eens of het Reserveringsformulier een separate overeenkomst is (verweer [gedaagde]) of slechts informerend van aard is (stelling Delta Lloyd en Abeel).
5.2.
Vaststaat dat bij de overeenkomst van 30 september 2013 aan [gedaagde] opdracht is verstrekt tot het uitvoeren van diverse schilderwerkzaamheden aan de [motorjacht] en tot het stallen van de [motorjacht] in de winterberging. Vervolgens heeft [betrokkene 1] op 8 oktober 2013 het Reserveringsformulier ondertekend. Hierop is niet alleen aangegeven dat de [motorjacht] in de winter in de verwarmde stofarme hal moet worden geplaatst, maar het bepaalt ook dat de huurder door de ondertekening van het formulier akkoord gaat met de tarieven, het Werfreglement (bijlage) en de Hiswa Algemene Voorwaarden Huur en Verhuur lig- en/of bergplaatsen (op de achterzijde van het formulier). De toepasselijkheid van deze Hiswavoorwaarden en het Werfreglement volgt niet reeds uit het sluiten van de overeenkomst op 30 september 2013. Anders dan Delta Lloyd stelt, is het Reserveringsformulier dan ook niet slechts bedoeld als een informatief formulier met daarbij enkele gedragsregels, maar heeft dit te gelden als een aparte overeenkomst. Deze overeenkomst hangt wel nauw samen met de overeenkomst van 30 september 2013, nu op de overeenkomst van 8 oktober 2013 voor het uitvoeren van werkzaamheden wordt verwezen naar de opdracht tot schilderwerk van 30 september 2013 en beide overeenkomsten zien op de winterstalling van de [motorjacht]. De overeenkomsten zullen hierna vanwege hun onderlinge samenhang ‘de Overeenkomst’ genoemd worden.
Contractspartij
5.3.
Als meest verstrekkend verweer voert [gedaagde] aan dat Abeel geen contractspartij is bij de Overeenkomst. [gedaagde] stelt dat zij de Overeenkomst met [betrokkene 1] heeft gesloten, zodat Abeel geen vordering uit hoofde van de Overeenkomst op [gedaagde] heeft, waarmee er dus ook geen vordering is waarin Delta Lloyd gesubrogeerd kan zijn.
5.4.
Delta Lloyd en Abeel betwisten dat [gedaagde] de Overeenkomst met [betrokkene 1] heeft gesloten. Abeel is volgens hen de contractspartij. Daartoe stellen zij dat [gedaagde] wist dan wel redelijkerwijs had moet begrijpen dat [betrokkene 1] de overeenkomst met [gedaagde] sloot in zijn hoedanigheid van directeur van Abeel. [betrokkene 1] heeft dit gemeld tijdens het eerste gesprek met [betrokkene 2] en heeft hem zijn visitekaartje gegeven met zijn zakelijke gegevens. Daarnaast stellen Delta Lloyd en Abeel dat er ten tijde van het sluiten van de Overeenkomst correspondentie met [gedaagde] heeft plaatsgevonden, waarin door [betrokkene 1] Abeel wordt genoemd.
5.5.
Bij de beantwoording van de vraag of [betrokkene 1] in eigen naam of namens Abeel de Overeenkomst met [gedaagde] heeft gesloten, komt het aan op hetgeen [gedaagde] en [betrokkene 1] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en op wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.
5.6.
Weliswaar staan de overeenkomst en het Reserveringsformulier op naam van [betrokkene 1] zonder uitdrukkelijke vermelding dat [betrokkene 1] als vertegenwoordiger van Abeel is opgetreden, maar uit de door Abeel overgelegde e-mailberichten van 8 en 9 oktober 2013 van [betrokkene 1] aan [gedaagde] (producties 18.1 en 18.2), waarin Abeel uitdrukkelijk (als eigenares van de [motorjacht]) wordt genoemd, blijkt zonder meer dat dit wel de bedoeling was. In het vervolg is dit ook zo opgevat, ook door de verzekeraar van [gedaagde], Avéro Achmea, Dat blijkt uit de door Abeel overgelegde brieven die tussen partijen gewisseld zijn. Mr. Van Emstede heeft in de periode 2014–2016 diverse brieven aan de directie van [gedaagde] en aan Avéro Achmea gestuurd uit naam van Abeel, met als onderwerp ‘Abeel Holding B.V./ B.V. [gedaagde]’. In de reacties hierop, ook voor het laatst bij brief van 25 januari 2016, wordt door Avéro Achmea diezelfde kop als onderwerp aangehouden en wordt gesproken over 'partijen'. Gesteld noch gebleken is dat eerder dan bij de conclusie van antwoord door Avéro Achmea dan wel door (de gemachtigde van) [gedaagde] een aanmerking is gemaakt op de gehanteerde partijaanduiding. Uit de gedragingen en verklaringen van [betrokkene 1] en Abeel had [gedaagde] dan ook moeten begrijpen dat [betrokkene 1] als vertegenwoordiger van Abeel is opgetreden en dat de Overeenkomst mitsdien is gesloten tussen [gedaagde] en Abeel (en niet tussen [gedaagde] en [betrokkene 1]). Daarbij komt dat de onderhavige vorderingen niet alleen zijn ingesteld uit hoofde van wanprestatie, maar ook uit hoofde van onrechtmatig handelen door [gedaagde], waarbij de vraag wie de Overeenkomst heeft gesloten geen rol speelt.
Toepasselijkheid Algemene voorwaarden
5.7.
Ter afwering van de vorderingen beroept [gedaagde] zich vervolgens op de toepasselijkheid van de Hiswa Algemene Aannemings-, Verkoop- en Leveringsvoorwaarden, de Hiswa Algemene Voorwaarden Huur en Verhuur lig- en/of bergplaatsen en het Werfreglement. In het Werfreglement is een exoneratieclausule opgenomen, waarin is bepaald dat [gedaagde] geen enkele aansprakelijkheid aanvaardt voor schades tijdens het hijsen van een jacht. Toepassing van deze exoneratie leidt er volgens [gedaagde] reeds toe dat zij niet aansprakelijk is voor de door Delta Lloyd en Abeel in deze procedures gevorderde schade.
5.8.
Alvorens de vraag te beantwoorden of [gedaagde] zich terecht op (de exoneratieclausule in) voormelde algemene voorwaarden beroept, dient de vraag beantwoord te worden of deze voorwaarden, zoals [gedaagde] stelt, deel uitmaken van de tussen [gedaagde] en Abeel gesloten Overeenkomst. Abeel en Delta Lloyd betwisten namelijk dat de algemene voorwaarden waar [gedaagde] zich op beroept van toepassing zijn, nu in de overeenkomst en het Reserveringsformulier naar drie verschillende sets van algemene voorwaarden wordt verwezen, namelijk de Hiswa Algemene Aannemings-, Verkoop- en Leveringsvoorwaarden, de Hiswa Algemene Voorwaarden Huur en Verhuur lig- en/of bergplaatsen en de eigen algemene voorwaarden zoals opgenomen in het Werfreglement. [gedaagde] heeft verzuimd op begrijpelijke wijze kenbaar te maken welke voorwaarden van toepassing zijn, op grond waarvan Abeel en Delta Lloyd onder verwijzing naar de jurisprudentie betogen dat op de gegeven opdracht dan geen van de genoemde sets van algemene voorwaarden van toepassing is.
5.9.
De rechtbank stelt voorop dat vaste jurisprudentie is dat, indien wordt verwezen naar meerdere onderling verschillende sets van voorwaarden, zonder dat op enigerlei — voor de wederpartij begrijpelijke en niet onredelijk bezwarende — wijze is aangegeven of nader geregeld welke van die sets in het gegeven geval van toepassing zal zijn, geen van die sets deel uitmaakt van de overeenkomst.
5.10.
Vaststaat dat [gedaagde] op het Reserveringsformulier aangeeft dat voor haar stallingsfaciliteiten de Hiswa Algemene Voorwaarden Huur en Verhuur lig- en/of bergplaatsen en voor haar overige diensten de Hiswa Algemene Aannemings-, Verkoop- en Leveringsvoorwaarden van toepassing zijn. In de overeenkomst verwijst [gedaagde] echter enkel naar de Hiswa Algemene Aannemings-, Verkoop- en Leveringsvoorwaarden. Uit de overeenkomst kan niet worden opgemaakt dat voor de overeengekomen winterstalling met bijbehorende werkzaamheden tevens andere algemene voorwaarden gelden.
Verder wordt op het Reserveringsformulier naast de Hiswa voorwaarden verwezen naar het Werfreglement, waarin aansprakelijkheids- en milieuvoorschriften zijn opgenomen. In afwijking van beide sets Hiswavoorwaarden is in het Werfreglement een exoneratieclausule opgenomen die iedere aansprakelijkheid voor schades tijdens het hijsen en transport van het jacht uitsluit. Verder staat in het Werfreglement dat ‘voor zover onze eigen voorwaarden niet worden tegengesproken, onze transacties volgens de Hiswa Algemene Voorwaarden Huur en Verhuur lig- en/of bergplaatsen geschieden’. Volgens [gedaagde], daarnaar ter zitting gevraagd, betreffen die eigen voorwaarden zoals genoemd onder punt d. van het Aansprakelijkheidsvoorschrift de voorwaarden in datzelfde voorschrift onder de punten a, b en c.
Hieruit volgt dat door toedoen van [gedaagde] drie verschillende sets van algemene voorwaarden, die een verschillend toepassingsbereik hebben, aan de orde zijn. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] ten tijde van de totstandkoming van de Overeenkomst duidelijke mededelingen aan Abeel heeft gedaan welke van de drie sets van voorwaarden zij op de (diverse onderdelen van de) Overeenkomst toepasselijk wenste te doen zijn. Dit had wel op de weg van [gedaagde] gelegen, te meer nu [betrokkene 1], die de [motorjacht] weliswaar zakelijk voor Abeel heeft aangekocht maar in deze feitelijk als consument is te beschouwen, niet eerder zaken met [gedaagde] had gedaan. Van een klant die niet beroepsmatig in de branche van [gedaagde] opereert kan niet worden verlangd dat hij zelf uitzoekt waar de strijdigheden tussen de verschillende algemene voorwaarden zitten en welke voorwaarden in welke situatie gelden.
Voor Abeel was naar het oordeel van de rechtbank niet op begrijpelijke en niet onredelijk bezwarende wijze aangegeven of geregeld welke van de sets van voorwaarden van toepassing zouden zijn. Zoals Delta Lloyd en Abeel terecht hebben aangevoerd volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2507 (Visser/Avéro), welke zaak grote gelijkenis vertoont met deze zaak, dat daarom geen van de onderling verschillende sets van algemene voorwaarden deel uitmaakt van de Overeenkomst. De conclusie is dus dat de Hiswa Algemene Aannemings-, Verkoop- en Leveringsvoorwaarden, de Hiswa Algemene Voorwaarden Huur en Verhuur lig- en/of bergplaatsen en de eigen algemene voorwaarden van [gedaagde] zoals opgenomen in het Werfreglement onder de punten a. tot en met d. niet van toepassing zijn.
Uit het voorgaande volgt dat de overige stellingen en weren op dit punt geen bespreking meer behoeven.
5.11.
Voor zover [gedaagde] stelt dat de vordering van Delta Lloyd moet worden afgewezen, omdat de aansprakelijkheid uitsluitend kan zijn gebaseerd op artikel 6:173 respectievelijk artikel 6:174 Burgerlijk Wetboek (BW), welke aanspraken op grond van artikel 6:197 lid 2 BW niet vatbaar zijn voor subrogatie, faalt dat verweer. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van Abeel en Delta Lloyd dat zij primair hun vorderingen tot aansprakelijkheid baseren op artikel 6:74 juncto 6:77 BW. Deze vorderingen slagen zoals uit het navolgende blijkt. De vraag of Delta Lloyd, zoals zij subsidiair doet, onrechtmatige daad aan haar schadevergoedingsvordering ten grondslag kan leggen gelet op het bepaalde in artikel 6:197 lid 2 BW, kan daarom onbesproken blijven.
Artikel 6:77 BW
5.12.
Ingevolge artikel 6:74 BW verplicht iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.
Ingevolge artikel 6:77 BW wordt een tekortkoming die ontstaat door het gebruik bij de uitvoering van een verbintenis van een zaak die daartoe ongeschikt is, aan de schuldenaar toegerekend, tenzij dit gelet op de inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn.
5.13.
Dat er sprake is van een tekortkoming omdat [gedaagde] niet in staat was de [motorjacht] in dezelfde staat terug te geven, is niet in geschil. Voorts is in voldoende mate komen vast te staan dat in dit geval sprake is geweest van een ongeschikte hulpzaak in de zin van
artikel 6:77 BW. [gedaagde] heeft bij het uitvoeren van de aan haar verstrekte opdracht gebruik gemaakt van een hijskraan, waarvan de hijskabel — zo staat tussen partijen vast — is
bezweken. Aan een hijskraan als die van [gedaagde] mag de eis gesteld worden dat de hijskabels daarvan bij normaal gebruik goed blijven functioneren wat bij het uit het water hijsen van de [motorjacht] overduidelijk niet het geval is geweest. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de hijskabel van de kraan ondeugdelijk was en dat in elk geval op het moment van het schadevoorval werd gewerkt met een niet goedgekeurde hijskraan. Dit betekent dat het schadevoorval, nu dit is ontstaan door het gebruik van een ongeschikte hulpzaak, in beginsel aan [gedaagde] moet worden toegerekend.
5.14.
De rechtbank komt vervolgens toe aan de beoordeling van de vraag of [gedaagde] een beroep toekomt op voormelde ‘tenzij-clausule’ uit artikel 6:77 BW. Zij stelt daarbij voorop dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omstandigheden die een beroep op de tenzij-clausule rechtvaardigen, rusten op [gedaagde].
5.15.
De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat zij het onredelijk vindt om het gebrek aan de hijsapparatuur aan haar toe te rekenen, omdat de zaakschade door haar niet hoefde te worden voorzien en zij daaraan geen schuld heeft. Volgens [gedaagde] heeft zij de hijsapparatuur op de gebruikelijke wijze laten keuren door een daartoe bevoegde en geëigende instantie, H.H.C./D.R.S., en wist zij niet, althans had zij niet hoeven te weten dat de kabels van de hijsapparatuur ondeugdelijk waren.
Dit betoog kan [gedaagde] niet baten. Los van het feit dat [gedaagde] niet weerspreekt dat zij op de hoogte was van het naar aanleiding van de keuring van 21 augustus 2013 opgestelde inspectierapport van H.H.C./D.R.S., waaruit op een aantal punten tekortkomingen aan de kraan blijken, en van het feit dat de kraan ten tijde van het schadevoorval niet over de benodigde goedkeuring beschikte, brengt artikel 6:77 BW nu eenmaal mee dat ook buiten de invloedssfeer van de schuldenaar gelegen oorzaken voor zijn risico komen, behoudens voor zover sprake is van een situatie waarop de eerder vermelde tenzij-clausule van toepassing is. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het gaat hier om schade die is ontstaan tijdens hijswerkzaamheden die in het kader van de opdracht noodzakelijk waren. Het gaat dus om factoren die samenhangen met de (verplichting tot zorgvuldige) uitvoering van de opdracht, hetgeen rechtvaardigt dat het daaruit voortvloeiende nadeel voor rekening van [gedaagde] komt. Ook de omstandigheid dat Abeel verzekerd is tegen schade als de onderhavige betekent niet dat het onredelijk is om de schade aan [gedaagde] toe te rekenen, reeds omdat [gedaagde] zelf ook voor de onderhavige schade verzekerd is.
5.16.
Gelet op het voorgaande is het naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk om de gevolgen van het falen van de onderhavige hulpzaak aan [gedaagde] toe te rekenen. De rechtbank wijst het beroep van [gedaagde] op de onredelijkheid van die toerekening dan ook af.
Conclusie aansprakelijkheid
5.17.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die Abeel en Delta Lloyd als gesubrogeerd verzekeraar ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming hebben geleden.
5.18.
Het beroep dat [gedaagde] tegenover Delta Lloyd heeft gedaan op de Bedrijfsregeling Brandregres 2000 (BBr) maakt dit oordeel niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] haar stelling dat de BBr aan verhaal van de kosten in de weg staat, onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] stelt immers slechts dat Delta Lloyd geen brandverzekeraar is in de zin van de BBr. Tegenover de gemotiveerde betwisting van Delta Lloyd dat de onderhavige watersportverzekering niet is aan te merken als een brandverzekering in de zin van de BBr had het op de weg van [gedaagde] gelegen haar stelling op dit punt nader te concretiseren en onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. De rechtbank acht de BBr dan ook niet van toepassing is, zodat Delta Lloyd de mogelijkheid heeft haar verhaalsrecht jegens [gedaagde] uit te oefenen.
5.19.
Evenmin kan het beroep op het bord op de scheepswerf, waarop staat dat de werf zich niet aansprakelijk stelt voor eventuele schade door kraangebruik en transport van schepen, [gedaagde] baten. Los van de vraag of met dit bord bedoeld is een exoneratiebeding in te leven te roepen, heeft [gedaagde] tegenover de gemotiveerde betwisting dat Abeel van dit beding op het bord op de hoogte was en daarmee (stilzwijgend) akkoord is gegaan, onvoldoende aangevoerd. Een beroep op exoneratie is niet louter op basis van een dergelijk bordje toegestaan.
Daarbij komt — zo overweegt de rechtbank ten overvloede — dat in het geval dat het Werfreglement, met exoneratieclausule die gelijkenis vertoont met de tekst op het bord, wél van toepassing zou worden geacht op de Overeenkomst, het beroep hierop niet zou slagen. De toepassing van de exoneratieclausule zou in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. In dat verband wijst de rechtbank op de volgende relevante omstandigheden die naar voren zijn gekomen.
- a.
[gedaagde] is in ernstige mate tekort geschoten door bij de uitvoering van de opdracht gebruik te maken van een ondeugdelijke hijskraan;
- b.
Het betreft hier een exoneratiebeding met een zeer ingrijpend karakter. Het beding houdt geen beperking van aansprakelijkheid in, maar een volledige uitsluiting van aansprakelijkheid, zelfs met inbegrip van opzet en bewuste roekeloosheid van de kant van [gedaagde];
- c.
Het exoneratiebeding staat verscholen in het Werfreglement, waarin verder met name praktische regels zijn opgenomen (een soort huishoudelijk reglement). De Hiswa voorwaarden bevatten een dergelijk, verstrekkend beding niet;
- d.
[gedaagde] en Abeel hebben niet eerder zaken met elkaar gedaan. Ter zitting is onweersproken gesteld dat ter gelegenheid van het gesprek op de werf van [gedaagde], voorafgaand aan de verstrekking van de opdracht, met geen woord is gesproken,
laat staan onderhandeld, over de toepasselijkheid van algemene voorwaarden van [gedaagde] met de daarin opgenomen exoneratieclausule. Daarbij is tevens van belang dat [betrokkene 1], hoewel optredend in zijn hoedanigheid als directeur van Abeel, in deze niet heeft te gelden als een professionele wederpartij maar veel meer als consument.
Onder deze omstandigheden zou de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar hebben geacht dat [gedaagde] een beroep doet op het exoneratiebeding.
5.20.
De rechtbank zal hieronder ingaan op de omvang van de gestelde schade(posten).
in de zaak 16-124
Directe schade
5.21.
Delta Lloyd vordert een bedrag van € 228.304,07 aan schade dat door haar onder de polis aan Abeel is vergoed. Dit betreft reparatiekosten (€ 225.354,07), inboedelschade (€ 750,00) en restschade (€ 2.200,00). Daarbij is nog een bedrag van € 691,51 aan reparaties gekomen, welk bedrag — naar Delta Lloyd stelt — eveneens door haar is vergoed. Delta Lloyd verwijst ter onderbouwing van haar vordering naar het door Van de Werken opgestelde eindrapport van 1 december 2014, diverse overgelegde facturen en een betaalbewijs.
[gedaagde] betwist de omvang van de gestelde schade, met name voor zover het niet de directe reparatiekosten betreft. [gedaagde] heeft haar verweer echter op geen enkele manier onderbouwd, hetgeen gezien de gemotiveerde stellingen van Delta Lloyd wel op haar weg had gelegen. Dit geldt ook voor de door [gedaagde] eerst ter zitting naar voren gebrachte betwisting van het causaal verband tussen het schadevoorval en de gevorderde schade. De rechtbank acht het door Delta Lloyd gevorderde bedrag van (€ 228.304,07 + € 691,51=) € 228.995,58 aan directe schade daarom toewijsbaar.
Expertisekosten
5.22.
Delta Lloyd vordert verder een bedrag van € 23.012,88 aan expertisekosten. Daartoe verwijst zij naar een tweetal overgelegde facturen van 2 november 2014 en van 5 januari 2016. Delta Lloyd vordert de expertisekosten op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, namelijk als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid die mede voor vergoeding in aanmerking komen.
5.23.
[gedaagde] stelt dat Delta Lloyd alleen verhaal heeft voor het bedrag dat zij daadwerkelijk aan Abeel heeft uitgekeerd. De gevorderde expertisekosten zijn eigen kosten van Delta Lloyd ten aanzien waarvan geen subrogatie heeft plaatsgevonden, zodat deze niet vergoeding in aanmerking komen.
5.24.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2003:AI0894) volgt dat het verhaalsrecht van de verzekeraar ertoe strekt te voorkomen dat degene die schade heeft veroorzaakt, aan zijn verplichting tot vergoeding van de schade ontkomt en ervan profiteert dat de door hem veroorzaakte schade wordt vergoed door de verzekeraar van degene die de schade heeft geleden. Als Delta Lloyd als verzekeraar verhaal neemt, komen daarom de in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW vermelde redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking, indien en voor zover deze door Abeel zijn gemaakt, of, zo deze zijn gemaakt door Delta Lloyd, zij onder deze bepaling zouden vallen, indien zij door Abeel zouden zijn gemaakt.
5.25.
De gevorderde expertisekosten zien op de vaststelling van de schade als gevolg van het schadevoorval waarvoor [gedaagde] jegens Abeel aansprakelijk is. Gelet op de aard van de schade was het redelijk dat een expertisebureau is ingeschakeld om de schade vast te stellen en een onderzoek te doen naar de omstandigheden die tot de schade hebben geleid. [gedaagde] heeft daarnaast de redelijkheid van de omvang van de gemaakte kosten niet voldoende concreet bestreden. Gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade kunnen deze kosten ook aan [gedaagde] worden toegerekend. Gesteld noch gebleken is dat de geclaimde kosten niet voor vergoeding in aanmerking zouden zijn gekomen als deze door Abeel zelf zouden zijn gemaakt.
[gedaagde] kan dan ook niet profiteren van het feit dat de kosten niet door Abeel, maar door Delta Lloyd als de verzekeraar van Abeel zijn gemaakt.
De conclusie is dat de gevorderde expertisekosten aan Delta Lloyd kunnen worden toegewezen.
Conclusie hoofdsom
5.26. Het voorgaande leidt ertoe dat de door Delta Lloyd gevorderde verklaring voor recht op de na te melden wijze wordt toegewezen en dat de door Delta Lloyd gevorderde hoofdsom van € 252.008,46 aan schade toewijsbaar is, De overige verweren kunnen hierdoor onbesproken blijven. Voor bewijslevering is onder deze omstandigheden geen plaats.
Wettelijke rente
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar vanaf de dag van de dagvaarding, zijnde 15 februari 2016, nu gesteld noch gebleken is op welke data de verschillende facturen van [A] alsmede de twee facturen van de expertisekosten daadwerkelijk zijn betaald.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.28.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal — mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal — worden afgewezen. Delta Lloyd stelt weliswaar dat zij voorafgaand aan deze procedure correspondentie met (de verzekeraar van) [gedaagde] heeft gevoerd, maar zij heeft geen specificaties overgelegd waaruit volgt dat zij kosten heeft gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daarmee heeft Delta LLoyd onvoldoende gesteld om de gevorderde kosten toegewezen te kunnen krijgen. De kosten waarvan Delta Lloyd vergoeding vordert, moeten worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
Kosten van het geding
5.29.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Delta Lloyd worden begroot op:
— dagvaarding | € | 102,55 | |
— griffierecht | 3.903,00 | ||
— salaris advocaat | 4.000,00 | (2,0 punten × tarief € 2.000,00) | |
Totaal | € | 8.005,55 |
5.30.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
5.31.
De gevorderde wettelijke rente over de proces- en nakosten wordt op na te melden wijze toegewezen.
in de zaak 16-129
5.32.
Abeel vordert in de eerste plaats vergoeding van de waardevermindering van de [motorjacht] als gevolg van het schadevoorval ad € 420.875,00. Daarnaast vordert Abeel vergoeding van de in 2014 gemiste charterinkomsten ten bedrage van € 9.656,00 en vergoeding van de verzekeringskosten 2014 ten bedrage van € 6.610,52.
Waardevermindering
5.33.
De rechtbank oordeelt ten aanzien van de gestelde waardevermindering van de [motorjacht] als volgt. Ingevolge artikel 6:97 BW dient de rechter de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is.
Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding geldt dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Op praktische gronden en om redenen van billijkheid, kan in bijzondere gevallen van een of meer omstandigheden van het geval worden geabstraheerd. (Zie onder meer HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, NJ 2009/387).
Zo is in de jurisprudentie in gevallen van zaaksbeschadiging (welke categorie wordt gezien als een voorbeeld van abstraheren ‘op praktische gronden’) bepaald dat uitgangspunt is dat de eigenaar van de beschadigde zaak door die beschadiging een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waardevermindering die de zaak heeft ondergaan. Volgens vaste rechtspraak zal het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt in het algemeen gelijk zijn aan de — naar objectieve maatstaven berekende — kosten die met het herstel zijn gemoeid (vgl. HR 7 mei 2004, LJN AO2786, NJ 2005/76).
5.34.
De rechtbank begrijpt uit de stellingen van Abeel dat de reeds door Delta Lloyd gedane betaling van de (reparatie)kosten geen herstel van de oorspronkelijke toestand en daarmee dus ook geen volledige vergoeding van haar vermogensschade tot stand brengt. Abeel stelt dat zij tot op de dag van vandaag met allerlei mankementen aan de [motorjacht] wordt geconfronteerd als gevolg van het schadevoorval en dat de waardevermindering veel meer omvat dan hetgeen met de betaalde herstelkosten is verholpen. Daarbij wijst zij erop dat een na zware schade gerepareerd vaartuig veel moeilijker is te verkopen. Met betrekking tot de gestelde waardevermindering beroept Abeel zich op verklaringen van een vijftal geraadpleegde deskundigen. Abeel heeft het gemiddelde van de door hen begrote waardeverminderingspercentages genomen en komt dan uit op een percentage van 46.25% van € 910.000,00, zijnde volgens Abeel de waarde van de [motorjacht] voor het schadevoorval. Dit komt neer op een waardevermindering van € 420.875,00.
5.35.
[gedaagde] betwist de gestelde waardevermindering. [gedaagde] stelt, onder verwijzing naar drie door haar overgelegde verklaringen van deskundigen, dat er in ieder geval objectief gezien geen sprake is van enige waardevermindering en dat als er al aanleiding zou bestaan om een korting toe te passen in verband met de mogelijke wetenschap van een koper van het schadevoorval, hooguit met een korting van 5% rekening kan worden gehouden.
5.36.
Abeel heeft in het geding gebracht een verklaring van [naam 1] van [B] van 22 oktober 2013, een verklaring van [naam 2] van [C] van 24 oktober 2013, een verklaring van [naam 3] van [D] van 25 oktober 2013, een taxatierapport van T. van den Heuvel van Expertisebureau T. van den Heuvel van 25 september 2014 en een expertiserapport van G. Beekmann van Beekmann Expertise van 31 maart 2015. [naam 1], [naam 2] en [naam 3] concluderen dat na vakkundig herstel rekening gehouden moet worden met een waardevermindering van minimaal 40% op de geldende normale verkoopprijs, omdat schadevaartuigen in het luxe segment als de [motorjacht] moeilijk te verkopen zijn. Van den Heuvel stelt in zijn rapportage dat de sporen van de reparatiewerkzaamheden van de [motorjacht] zichtbaar zijn en dat door deze schade een blijvende waardevermindering (circa 50%) is opgetreden. In het expertiserapport van Beekmann is vermeld dat, gelet op de mededelingsplicht omtrent de schade bij eventuele verkoop en de duidelijk zichtbare littekens van de reparatie van de schade, een waardevermindering als gevolg van het schadevoorval optreedt van 35%.
5.37.
[gedaagde] heeft in het geding gebracht een verklaring van T. Veldman van ESMA Expertise van 12 augustus 2016, een verklaring van J. Rotgans (onafhankelijk scheeps- en werktuigbouwkundig expert en Register Taxateur VRT) van 26 januari 2017 en een expertiserapport van T. Dekker re van Vijzelaar Expertise van 27 januari 2017.
In de verklaring van Veldman staat dat in technische zin en wat uiterlijke staat betreft geen sprake is van enige waardevermindering. Volgens Veldman is er sprake van een unieke uitvoering van de Super Craft, die na de reparatie weer in een topconditie verkeert en in minimaal gelijke staat als voor het schadevoorval. Het nadeel bij eventuele verkoop zou maximaal 5% van de waarde in 2013 mogen bedragen. Rotgans heeft verklaard dat bij een stalen schip als de [motorjacht] altijd lasnaden zichtbaar zijn en dat er na professionele reparatie van een waardevermindering geen sprake is. Rotgans acht niet aannemelijk dat de meldingsplicht de verkoop negatief zal beïnvloeden. In het expertiserapport van Vijzelaar Expertise wordt gesteld dat er altijd lasnaden zichtbaar zijn, maar dat deze volledig middels plamuren onzichtbaar hersteld kunnen worden. Geconcludeerd wordt in het expertiserapport van Vijzelaar Expertise dat een waardevermindering als gevolg van de schade allerminst aannemelijk is, nu de schade degelijk dan wel op een professionele manier is uitgevoerd.
5.38.
De rechtbank overweegt dat, nu sprake is van sterk uiteenlopende verklaringen van deskundigen, het voor haar niet mogelijk is aan de hand daarvan tot een bepaling, of zelfs maar een schatting, van de waardevermindering te komen. De rechtbank acht het daarom nodig een deskundigenbericht in te winnen.
Voordat daartoe wordt overgegaan, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal te benoemen deskundigen en een voorstel te doen over de persoon van de deskundige(n) en het specialisme van de deskundige(n).
Voorts kunnen partijen zich uitlaten over de aan de deskundige(n) te stellen vragen. De rechtbank geeft partijen in overweging, na overleg over een en ander, tot een gezamenlijk voorstel te komen. Indien partijen zich wensen uitte laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben.
Partijen kunnen zich tevens uitlaten over de hoogte van het voorschot van de deskundige(n). Bij gebreke van een dergelijke uitlating, zal de rechtbank in overleg met de te benoemen deskundige(n) de hoogte van het voorschot van laatstgenoemde(n) vaststellen.
5.39.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat de deskundige(n) dient/dienen te worden benoemd op het gebied van schadeherstel en taxatie van vaartuigen en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:
- 1.
Wat was de dagwaarde van de [motorjacht], inclusief en exclusief BTW, in de (onbeschadigde) staat voor het schadevoorval op 9 oktober 2013, rekening houdend met de Hiswa-afschrijvingsvoorwaarden?
- 2.
Zijn er na voltooiing van de reparaties door [A] (d.w.z. de werkzaamheden die tot de dagvaarding zijn gefactureerd en door Delta Lloyd ten behoeve van Abeel zijn betaald, in totaal een bedrag van € 228.995,58 ) nog gebreken of defecten aan de [motorjacht] geconstateerd die te herleiden zijn tot het schadevoorval?
Zo ja, kunt u dit uiteenzetten en deze nadere schadepost(en) begroten?
- 3.
Is er na reparatie sprake van een (blijvende) waardevermindering van de [motorjacht], met andere woorden verkeert de [motorjacht] na reparatie in minimaal gelijke of in mindere staat als voor het schadevoorval? Wilt u uw antwoord motiveren en aangeven welke factoren daarbij een rol spelen?
- 4.
Indien sprake is van een waardevermindering, hoeveel bedraagt deze waardevermindering dan in % ten opzichte van de waarde van de [motorjacht] voor de schade? Kunt u aangeven op welk bedrag u de waardevermindering begroot?
- 5.
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
De deskundige(n) zal/zullen bij zijn/ haar / hun onderzoek dienen uit te gaan van de tussen partijen niet in geschil zijnde nieuwbouwwaarde van de [motorjacht] in 2009 van € 1.365.000,00 inclusief BTW. Verder staat als onweersproken vast dat de [motorjacht] voor het schadevoorval in goede staat van onderhoud verkeerde.
5.40.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door Abeel moeten worden betaald.
5.41.
De rechtbank zal de zaak, gelet op het voorgaande, naar de rol verwijzen.
6. De beslissing
De rechtbank
in de zaak 16-124
6.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] gehouden is tot vergoeding van de door Abeel geleden en door Delta Lloyd vergoede schade als onder punt 6.2. vermeld,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Delta Lloyd te betalen een bedrag van € 252.008,46 (tweehonderdtweeënvijftigduizend acht euro en zesenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de datum van dagvaarding, te weten 15 februari 2016, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Delta Lloyd tot op heden begroot op € 8.005,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de zaak 16-129
6.7.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 mei 2017 voor hel nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage en over hetgeen is vermeld onder de punten 5.38 en 5.39,
6.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2017.