Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/2.2.4.1
2.2.4.1 Doel en rechtvaardiging van artikel 133 InsO
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS405712:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 1.4.2.4.
De specifieke gevallen waarin aandeelhouders door een dubbele opstelling (financieren met leningen of het verstrekken van garanties) een uitzondering maken op de uitgangspunten van rechtspersoonlijkheid met beperkte aansprakelijkheid waarbij aandeelhouders met risicodragend kapitaal financieren, worden hier buiten beschouwing gelaten.
Zie ten aanzien van de achtergrond van artikel 130 en 131 InsO ook Kayser (Höchstrichterliche Rechtsprechung zum Insolvenzrecht, p. 206): 'Im Rahmen der besonderen Insolvenzanfechtung wird den Gläubigern folglich die Pflicht zu wechselseitiger Rücksichtnahme auferlegt.'
Kayser, Höchstrichterliche Rechtsprechung zum Insolvenzrecht, p. 233.
Kayser, Höchstrichterliche Rechtsprechung zum Insolvenzrecht, p. 149 tot en met p. 160.
Artikel 133 InsO voorziet in de aantastbaarheid van handelingen van de schuldenaar waarmee deze opzettelijk zijn schuldeisers benadeelt. Het uitgangspunt van artikel 133 InsO is dat handelingen van de schuldenaar waarmee deze opzettelijk zijn schuldeisers benadeelt, niet werken in een insolventieprocedure.
De Insolvenzanfechtung ziet echter niet slechts op de relatie van de schuldenaar tot diens schuldeisers, maar in de praktijk bovenal op de verhouding van de gezamenlijke schuldeisers tot de wederpartij (Anfechtungsgegner). De rechtvaardiging van het ingrijpen onder artikel 133 InsO wordt in de eerste plaats gevonden in de subjectieve gesteldheid van de schuldenaar. De vrije beschikkingsmacht van de schuldenaar vindt haar begrenzing daar waar de schuldenaar zijn schuldeisers opzettelijk benadeelt. Deze verwerpelijke subjectieve gesteldheid vormt het aangrijpingspunt van de Insolvenzanfechtung. Dit biedt echter nog onvoldoende rechtvaardiging om ook de gevolgen ten laste van de wederpartij te laten komen. Vereist, maar ook voldoende, is daarom dat de wederpartij wist van deze subjectieve gesteldheid van de schuldenaar. Niet vereist is dat de wederpartij zelf opzettelijk de gezamenlijke schuldeisers benadeelde.
In het inleidende hoofdstuk is een principieel onderscheid besproken tussen de vormen van benadeling (zie § 1.4). Enerzijds zijn er handelingen die een inbreuk maken op de integriteit van het verhaalsvermogen. Hierbij dient bovenal gedacht te worden aan de verkoop van een goed door de schuldenaar onder de waarde. Anderzijds zijn er de gevallen waarin de handeling de paritas creditorum doorbreekt. Hierbij dient bovenal gedacht te worden aan de betaling van een individuele schuldeiser op de valreep. Kenmerkend van handelingen die de paritas creditorum doorbreken, is dat deze voor de schuldenaar zelf vermogensneutraal zijn. In de inleiding is ook ingegaan op een aantal belangrijke verschillen tussen deze twee vormen van benadelende handelingen. 1 Geconcludeerd is daar ook dat een handeling die tot benadeling van schuldeisers leidt, in de regel in één van de twee categorieën valt: of de paritas creditorum wordt doorbroken of de integriteit van het verhaalsvermogen wordt aangetast.2
Artikel 133 InsO ziet nu op beide gevallen van schuldeisersbenadeling. Artikel 133 InsO is daarmee zowel van toepassing op handelingen die de integriteit van het verhaalsvermogen aantasten als op handelingen die de paritas creditorum doorbreken. Voor toepasselijkheid van artikel 133 InsO is dus, anders dan onder de artikelen 130 en 131 InsO,3 niet vereist dat de wederpartij reeds een schuldeiser is en zonder de gewraakte handeling de hoedanigheid van insolventie-schuldeiser zou hebben. Artikel 133 InsO kan dan ook niet enkel en alleen verklaard worden door het streven de gelijkheid van crediteuren onderling te bewaken. Het uitgangspunt dat crediteuren zich jegens elkaar redelijk hebben te gedragen, is dan ook van minder belang voor de verklaring van artikel 133 InsO, dan voor artikel 130 en 131 InsO. Waar artikel 130 en 131 InsO geen subjectieve vereisten stellen aan de zijde van de schuldenaar, ligt dit anders bij artikel 133 InsO. Artikel 133 InsO vereist zelfs een vorm van opzet aan de zijde van de schuldenaar. Anderzijds geldt wel dat veel gevallen die onder artikel 133 InsO beslecht worden wel degelijk zien op een voldoening van een bestaande schuld. Het gaat dan veelal om incongruente voldoeningen verricht onder druk. Het werkingsgebied van artikel 133 InsO is echter ruimer en het artikel is dan ook niet in de eerste plaats of bovenal geschreven voor handelingen van de schuldenaar die bestaande schuldeisers in een betere positie brengen. Te beperkt komt me dan ook voor de verklaring die Kayser geeft van de achtergrond van artikel 133 InsO:
Steht die Vorschrift des § 133 InsO nicht in unmittelbarem Zusammenhang mit der materiellen Insolvenz, findet sie ihre innere Rechijertigung in der Missbilligung besonderer Verhaltenweisen des Schuldners. Sie ist Ausdruck des Gedankens, dass ein Schuldner nicht berechtigt ist, vorsätzlich einzelne Gläubiger Gegenüber anderen zu bevorzugen. Schutzzweck ist das Interesse der Gläubiger, dass der Schuldner ihre prinzipiell gleichen Befriedigungschancen nicht beeinträchtigt.'4
Opvallend daarbij is dat Kayser vervolgens5 onder artikel 133 InsO slechts uitspraken bespreekt die zien op de voldoening van bestaande schuldeisers (einzelne Gläubiger). Het toepassingsgebied van artikel 133 InsO is echter niet beperkt tot het voldoen van bestaande schuldeisers en ziet ook op handelingen die de integriteit van het vermogen van de schuldenaar aantasten.