Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.5.6
4.5.6 Oneigenlijke vermenging
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644773:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hetzelfde geldt in beginsel voor een stapel hout of een zak aardappelen, alhoewel het hierbij een minder uitgemaakte zaak is. Heisterkamp stelt dat de houtblokken respectievelijk aardappelen niet individualiseerbaar zijn, ondanks dat ze onderling van vorm verschillen (Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019, Rn 516, p. 451).
HR 12 januari 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AC2286 (Mulder c.s./Teixeira de Mattos) met noot H. Drion.
Snijders & Rank-Berenschot (2017), p. 243.
Art. 3:109 BW: “Wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden.” Art. 3:119 lid 1 BW: “De bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn. Lid 2: Ten aanzien van registergoederen wijkt dit vermoeden, wanneer komt vast te staan dat de wederpartij of diens rechtsvoorganger te eniger tijd rechthebbende was en dat de bezitter zich niet kan beroepen op verkrijging nadien onder bijzondere titel waarvoor inschrijving in de registers vereist is.” De vraag rijst of dit vermoeden nog gerechtvaardigd is. In de praktijk worden zaken veelvuldig stil verpand, onder eigendomsvoorbehoud of huur(koop) geleverd of geleased. Degene die de zaak onder zich heeft is lang niet altijd meer de zakelijk gerechtigde tot de zaak.
Zie hierover: NvW, art. 5.2.11., Parl. Gesch. Boek 5, p. 108.
Koops, AA 2015/12, p. 964.
Fikkers (1999), p. 52; Wichers (2002), p. 149.
Zie Verheul & Verstijlen (2016), p. 104 ev. en de daar aangehaalde literatuur.
In geval van oneigenlijke vermenging staat in beginsel niet ter discussie of sprake is van een zakelijk recht, maar slechts dat de zakelijk gerechtigde niet kan bewijzen op welke zaak zijn recht rust. Als een verkoper onder eigendomsvoorbehoud van tien identieke beelden en een pandhouder van tien andere dito beelden beiden hun rechten niet kunnen uitoefenen, alleen omdat ze niet kunnen aantonen welke beelden van hen zijn, terwijl wel vaststaat dát ze beiden op de helft van alle beelden een recht hebben, wordt dit als onbillijk beschouwd. Degene die de zaken onder zich heeft, bijvoorbeeld de koper onder eigendomsvoorbehoud van de tien beelden die tevens eigenaar/pandgever is van de andere tien beelden, wordt vermoed (onbezwaard) eigenaar te zijn van alle beelden. Hij zou dus feitelijk tien beelden erbij hebben gekregen en van de overige beelden zouden de pandrechten zijn vervallen. Een billijke oplossing zou zijn dat de verkoper verhaal kan doen gelden op tien beelden en de pandhouder evenzo. Het staat immers vast dat ze beiden een zakenrechtelijke aanspraak hebben op tien beelden. Maar wat als een beeld kapot gaat? Wie draagt daarvan dan de schade? Als de regels van vermenging op deze situatie worden toegepast, dan zou de verkoper mede-eigenaar worden van alle beelden. Op alle beelden komt eveneens een pandrecht te rusten ten behoeve van de pandhouder. Zie hierover: Koops, AA (2015), p. 962-964.
Na de vermenging zijn de onderlinge zaken niet meer te individualiseren. De vloeistoffen die in een tank zijn samengevoegd, vermengen zich dusdanig dat ze niet meer uit elkaar te halen zijn. Als verschillende hoeveelheden zand of graan zich met elkaar vermengen, dan blijven de afzonderlijke zand- of graankorrels wel bestaan. De korrels zijn afzonderlijk niet meer door de eigenaar te individualiseren. Daarnaast vertegenwoordigen ze slechts gezamenlijk, niet afzonderlijk, een economisch belang, waardoor ze tezamen één zaak vormen.1
Anders is de situatie waarin afzonderlijke zaken wél individualiseerbaar zijn, maar waarin de rechthebbende niet kan bewijzen op welke zaak hij een recht heeft. Denk aan tien identieke platen of knikkers, die aan verschillende eigenaren toebehoren. Hét arrest in deze kwestie is Teixeira de Mattos.2 De bank (Teixeira) had vier certificaten in bewaring gekregen van twee bewaargevers (Mulder en Peijnenburg). De bank had van deze certificaten niet de identificerende nummers genoteerd. Toen de bank failliet ging, lagen nog steeds vier certificaten in de kluis van de bank. De revindicaties van de bewaargevers strandden echter, aangezien de certificaten deel uitmaakten van de steeds wisselende algemene effectenvoorraad van de bank. De bewaargevers konden hierdoor niet aantonen dat de certificaten die in de kluis lagen van hen waren.
Het onderscheid tussen deze vorm van “oneigenlijke” vermenging en (eigenlijke) vermenging is subtiel. In het ene geval, waarin een hoeveelheid graan van de een met een hoeveelheid graan van de ander wordt vermengd, ontstaat mede-eigendom. In het andere geval, waarin certificaten met elkaar worden “vermengd”, kan de oorspronkelijke eigenaar slechts met succes een verbintenisrechtelijke actie instellen. Dit komt wellicht onrechtvaardig over, aangezien beide gevallen op elkaar lijken. Het verschil tussen de twee gevallen is, dat de certificaten nimmer als één gezamenlijke zaak zijn aan te merken. Ze behouden hun zelfstandigheid en worden afzonderlijk verhandeld. De eigenaar moet per certificaat bewijzen dat het van hem is en juist dát kan hij niet. Hij kan zijn recht, dat nog wel bestaat, niet geldend maken.3 Hetzelfde geldt voor een beperkt gerechtigde. Vandaar dat de bezitter op grond van art. 3:109 jo 3:119 BW vermoed wordt eigenaar te zijn.4 Deze bewijsnood is bij vermenging afwezig.5 De eigenaar van de graankorrels moet aantonen dat zijn korrels zijn vermengd met andere graankorrels, maar hij hoeft niet te bewijzen welke korrels vóór de vermenging van hem waren.6 De samengevoegde graankorrels worden gezien als één zaak, mits de graankorrels gezamenlijk een afgebakende, individualiseerbare hoeveelheid vormen. Een afzonderlijke korrel is (economisch) niet belangrijk. De grens tussen vermenging en oneigenlijke vermenging is dus te trekken tussen samengevoegde zaken die afzonderlijk worden verhandeld (oneigenlijke vermenging) en samengevoegde zaken die niet afzonderlijk, maar per maat, getal of gewicht worden verhandeld (vermenging).7 Op de regels omtrent oneigenlijke vermenging bestaat kritiek.8 In de literatuur wordt geopperd om de voorschriften van de vermenging eveneens op de oneigenlijke vermenging van toepassing te laten verklaren. Op deze discussie wordt hier niet verder ingegaan. Dit onderzoek richt zich weliswaar op continuïteit van zakelijke rechten, maar slechts in die gevallen waarin zaken door verbinding of vermenging gezamenlijk één zaak vormen. Dat is bij oneigenlijke vermenging niet het geval.9