HR, 17-11-2023, nr. 22/00655
ECLI:NL:HR:2023:1572
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-11-2023
- Zaaknummer
22/00655
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑11‑2023
ECLI:NL:HR:2023:1572, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑11‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2021:4326
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2023/1617
V-N 2023/54.14 met annotatie van Redactie
NLF 2023/2696 met annotatie van Heleen Elbert
NTFR 2024/103 met annotatie van Mr. M.W.C. Soltysik
BNB 2024/45 met annotatie van W.J. Blokland
Viditax (FutD) 2023111704
FutD 2023-2935
Beroepschrift 17‑11‑2023
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnr. 22/00655) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 december 2021, nrs. 21/00242 t/m 21/00244, inzake [X] B.V. te [Z] betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen belasting van personenauto's en motorrijwielen.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw bericht van 10 maart 2022 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, met name van het bepaalde in artikel 16a, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) in verbinding met artikel 110 VWEU en artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de registratie van de auto's het historische tarief van 2017 mag toepassen, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte althans op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Feiten en geschil
In cassatie kan van de door het Hof in onderdeel 2 van de uitspraak vermelde feiten worden uitgegaan. Hierbij valt in het bijzonder te wijzen op het feit dat in dezen sprake is van nieuwe auto's en dat niet in geschil is dat in casu aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 16a Wet BPM niet is voldaan, nu immers geen preregistratie — een aanvraag voor de afgifte van een kenteken — in 2017 heeft plaatsgevonden.
Voorts staat vast dat gegeven het feit dat de auto's alle in 2018 zijn gebouwd, er in de vergelijkbare binnenlandse situatie geen identieke Nederlandse auto is waarop voor de BPM rekening is gehouden met het tarief van het jaar 2017. In een dergelijke situatie kan immers een preregistratie in 2017 per definitie niet aan de orde zijn. Desondanks wenst belanghebbende toepassing van het tarief 2017.
Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of belanghebbende een beroep toekomt op het BPM-tarief uit 2017, nu de registratie en ingebruikname in Nederland plaatsvond binnen de eerste twee maanden van 2018.
Belanghebbende beantwoordt die vraag met een beroep op het bepaalde in artikel 110 VWEU bevestigend, omdat niet is uitgesloten dat door de werking van artikel 16a Wet BPM er in de eerste twee maanden van 2018 referentievoertuigen werden geregistreerd en in gebruik genomen, die naar het bruto BPM-tarief van 2017 in de heffing werden betrokken. Het Hof gaat uiteindelijk mee in die stelling van belanghebbende. Tegen dit oordeel van het Hof wordt door mij in cassatie opgekomen met een rechts- annex motiveringsklacht.
Relevante jurisprudentie
Naar mijn mening dient voor de beslechting van de voorliggende vraag aan de volgende arresten van de HR — waarin wordt geoordeeld over artikel 110 VWEU in relatie tot de heffing van BPM bij de registratie van nieuwe voertuigen — aandacht te worden besteed.
HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:78, r.o. 2.4.2:
‘2.4.2.
De bpm, verschuldigd ter zake van de registratie van een nieuwe of gebruikte personenauto in Nederland, wordt bepaald ten tijde van die registratie (voor de auto's: 2014) aan de hand van het alsdan geldende tarief.
Voor de beantwoording van de vraag of het aldus voor een uit een andere lidstaat afkomstige nieuwe personenauto berekende bedrag aan bpm een op grond van artikel 110 VWEU verboden discriminerende heffing vormt, dient te worden onderzocht of in Nederland op de binnenlandse markt aangekochte, vergelijkbare nieuwe personenauto's bij registratie in dezelfde periode (2014) buiten het bereik van die heffing blijven dan wel dat een lager bedrag aan bpm wordt geheven, en niet, zoals belanghebbende voorstaat, op het door belanghebbende bepleite eerdere tijdstip. Aangezien in de periode waarin de auto's in Nederland voor het eerst werden geregistreerd, ook op alle in Nederland op de binnenlandse markt aangekochte, vergelijkbare nieuwe personenauto's bij registratie werd geheven naar het tarief van 2014, is van onverenigbaarheid met artikel 110 VWEU geen sprake. In dit verband is redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar dat de hiervoor in 2.3.2 gegeven uitlegging van het begrip gebruikte personenauto's strookt met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de toepassing van artikel 110 VWEU bij de heffing van een registratiebelasting op uit een andere lidstaat afkomstige tweedehands motorvoertuigen. De klachten falen in zoverre eveneens.’
HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:79, r.o. 2.4.3:
‘2.4.3.
Met betrekking tot de Alfa Romeo heeft belanghebbende voor het Hof betoogd — met een beroep op artikel 110 VWEU — dat de heffing van de C02dieseltoeslag achterwege moet blijven omdat anders niet wordt voldaan aan de eis dat de ter zake van de registratie van de Alfa Romeo verschuldigde bpm niet hoger mag zijn dan de bpm die drukt op een in Nederland geregistreerde vergelijkbare personenauto. Belanghebbende maakt in dit kader de vergelijking met een op 29 mei 2012 in Nederland geregistreerde vergelijkbare personenauto, aangezien 29 mei 2012 de datum is waarop de Alfa Romeo voor het eerst in Italië is toegelaten tot de openbare weg.
Uit het hiervoor in 2.4.1 overwogene volgt dat de Alfa Romeo ten tijde van de registratie in Nederland voor de heffing van bpm als een nieuwe personenauto moet worden aangemerkt. Die registratie vond plaats op 5 november 2012. Het ter zake van die registratie verschuldigde bedrag aan bpm moet worden bepaald aan de hand van het op dat tijdstip in artikel 9c, lid 2, letter b, van de Wet neergelegde tarief.
Voor de beantwoording van de vraag of het aldus voor een uit een andere lidstaat afkomstige nieuwe personenauto berekende bedrag aan bpm een op grond van artikel 110 VWEU verboden discriminerende heffing vormt, dient te worden onderzocht of in Nederland op de binnenlandse markt aangekochte, vergelijkbare nieuwe personenauto's bij registratie op 5 november 2012 buiten het bereik van die heffing blijven en niet, zoals belanghebbende voorstaat, op het door belanghebbende bepleite eerdere tijdstip. Aangezien op het tijdstip waarop de Alfa Romeo in Nederland voor het eerst werd geregistreerd, ook op alle in Nederland op de binnenlandse markt aangekochte, vergelijkbare nieuwe personenauto's bij registratie de C02-dieseltoeslag werd geheven, is van onverenigbaarheid met artikel 110 VWEU geen sprake. In dit verband is voorts redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar dat de hiervoor in 2.3.1 gegeven uitlegging van het begrip gebruikte personenauto's niet in strijd is met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de toepassing van artikel 110 VWEU. Dit betoog faalt mitsdien ook.’
HR 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821, r.o. 3.2:
‘3.2
Zoals is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2020 komt het bij de toepassing van artikel 110 VWEU erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van de auto niet méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat geacht kan worden nog vervat te zijn in de waarde van gelijksoortige gebruikte auto's die in Nederland op het tijdstip van de registratie al in de handel zijn. Voor zover het middel voor de toets aan artikel 110 VWEU een beroep doet op het arrest van 27 januari 2017, faalt het. Het laatstbedoelde arrest betreft de heffing van bpm ter zake van de registratie van motorvoertuigen die voor de toepassing van artikel 110 VWEU niet als een gebruikt motorvoertuig kunnen worden beschouwd. Voor in Nederland nog niet geregistreerde nieuwe motorvoertuigen geldt dat geen bpm is geheven, zodat bpm bij de mededinging tussen die motorvoertuigen geen rol kan spelen.’
HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:949, r.o. 3.1:
‘3.1
De klacht is gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Die oordelen miskennen dat voor de beantwoording van de vraag of ter zake van de registratie van de auto niet méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat geacht kan worden nog te zijn vervat in de waarde van gelijksoortige gebruikte personenauto's die in Nederland op het tijdstip van de registratie in de handel zijn, geen betekenis toekomt aan het arrest van 27 januari 2017. Dat arrest betreft de heffing van bpm ter zake van de registratie van motorvoertuigen die voor de toepassing van artikel 110 VWEU niet als een gebruikt motorvoertuig kunnen worden beschouwd. Voor in Nederland nog niet geregistreerde nieuwe motorvoertuigen geldt dat geen bpm is geheven, zodat bpm bij de mededinging tussen die motorvoertuigen geen rol kan spelen. De klacht slaagt in zoverre.’
HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1528, r.o. 2.4.3 en 2.4.4:
‘2.4.3
Bij toepassing van artikel 110 VWEU komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig motorvoertuig niet méér bpm wordt geheven dan ter zake van gelijksoortige motorvoertuigen die in Nederland op het tijdstip van de registratie in de handel zijn. Het is niet in strijd met artikel 110 VWEU om bij de heffing van een registratiebelasting onderscheid te maken tussen ongebruikte motorvoertuigen en gebruikte motorvoertuigen, mits binnen de desbetreffende groep de registratiebelasting op gelijksoortige motorvoertuigen in gelijke mate drukt.
Wanneer het gelijksoortige motorvoertuig op de Nederlandse handelsmarkt voorafgaand aan de heffing van bpm een motorvoertuig is dat niet of nauwelijks eerder op de weg in gebruik is geweest en daarom niet als een gebruikt motorvoertuig wordt aangemerkt, kan de heffing van bpm bij de mededinging tussen dat gelijksoortige motorvoertuig en het desbetreffende motorvoertuig dat is overgebracht vanuit een andere lidstaat geen rol spelen. Immers, het op de Nederlandse handelsmarkt aangeboden, gelijksoortige motorvoertuig is een nieuw motorvoertuig ter zake waarvan nog geen bpm is geheven. In dat geval zal bij registratie in het Nederlandse kentekenregister van een nieuwe personenauto die is overgebracht vanuit een andere lidstaat geen hogere binnenlandse belasting (bpm) worden geheven dan die welke, al dan niet rechtstreeks, ter zake van die gelijksoortige personenauto zal worden geheven.
2.4.4
De gelijksoortige motorvoertuigen waarmee de auto's in het kader van artikel 110 VWEU moeten worden vergeleken, zijn dus personenauto's die voorafgaand aan het belastbare feit niet of nauwelijks eerder op de weg in gebruik zijn geweest. De ter zake van de registratie van een nieuwe personenauto verschuldigde bpm wordt bepaald ten tijde van die registratie in het Nederlandse kentekenregister aan de hand van het alsdan geldende tarief. Zoals hiervoor in 2.1.1 is weergegeven, zijn de auto's tussen 1 mei 2014 en 15 oktober 2014 in Nederland geregistreerd. In die periode werd op grond van artikel 9, lid 1, van de Wet ter zake van alle in Nederland op de binnenlandse markt aangekochte nieuwe personenauto's met dezelfde mate van C02-uitstoot, bij de registratie ervan in het Nederlands kentekenregister, bpm geheven naar het tarief van 2014, ook indien deze waren vervaardigd in 2013 of nog eerder. Aangezien het hier gaat om een vergelijking tussen gelijksoortige nieuwe motorvoertuigen, is redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar dat de aldus verschuldigde heffing in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof van Justitie over de toepassing van artikel 110 VWEU bij de heffing van een registratiebelasting op uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuigen.’
Daarnaast attendeer ik nog op de uitspraak Hof Amsterdam 30 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS: 2020:913, r.o. 5.4 en 5.5:
‘5.4.
Belanghebbende heeft de nieuwe personenauto op 22 januari 2016 in Duitsland aangeschaft en op 4 februari 2016 in Nederland geregistreerd. Zij is ter zake van de registratie bpm verschuldigd geworden naar het tarief dat gold in het jaar 2016. Indien belanghebbende een identieke nieuwe personenauto in Nederland zou hebben aangeschaft op 22 januari 2016, zou zij bij registratie op 4 februari 2016 precies hetzelfde bpm-bedrag verschuldigd zijn geworden, eveneens berekend naar het tarief dat gold in het jaar 2016. De bpm wordt in casu derhalve zodanig geheven dat deze de verkoop van nationale voertuigen op de binnenlandse markt niet begunstigt, zodat van een schending van artikel 110 VWEU geen sprake is.
5.5.
Het bepaalde in artikel 16a van de Wet BPM leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat dit artikel in de onderwerpelijke situatie toepassing mist, zowel voor een op 22 januari 2016 in Duitsland aangeschafte nieuwe personenauto als voor een op 22 januari 2016 in Nederland aangeschafte nieuwe personenauto. Ten overvloede merkt het Hof op dat artikel 16a op geen enkele wijze onderscheid maakt tussen nieuwe personenauto's uit andere lidstaten en nieuwe personenauto's uit Nederland, zodat artikel 16a in situaties waarin dit artikel wel toepassing vindt, zonder enige beperking ook kan worden toegepast op nieuwe personenauto's welke in Duitsland zijn aangeschaft.’
Oordeel Hof en beschouwingen
Het Hof acht in het onderhavige geval wel plaats voor toepassing van het BPM-tarief voor het jaar 2017. Daartoe acht het Hof in essentie beslissend (r.o. 5.7) dat voor de gelijksoortigheid van auto's de datum van preregistratie geen onderscheidend kenmerk is, dit in tegenstelling tot de datum van tenaamstelling. Het Hof ontleent dit oordeel aan het genoemde arrest HR 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821, r.o. 3.5, waarin uw Raad overweegt:
‘3.5
Het middel voor het overige faalt ook. Anders dan het middel betoogt, hoefde het Hof de groep van gelijksoortige motorvoertuigen niet te beperken tot motorvoertuigen waarvoor het buitenlandse kenteken al was afgegeven in 2012, dus voorafgaand aan de toelating op de weg in 2013, en evenmin hoefde het Hof die groep motorvoertuigen te beperken tot motorvoertuigen die het bouwjaar 2012 hebben. In de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof ligt namelijk besloten het oordeel dat deze gegevens niet van invloed zijn op de handelsinkoopwaarde van gebruikte motorvoertuigen. Ook dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk in het licht van de door belanghebbende bij het Hof aangevoerde — en door de Inspecteur niet weersproken — stellingen over de gelijksoortigheid van motorvoertuigen, te weten (i) dat — anders dan het geval is voor de datum van tenaamstelling van het motorvoertuig — de datum van inschrijving van het kenteken niet kenbaar is, en (ii) dat in de handel de ouderdom van het motorvoertuig wordt bepaald door de op het kentekenbewijs vermelde datum van eerste toelating op de weg (en daarmee ook de datum van eerste ingebruikneming).’
Naar mijn mening ziet het Hof hierbij echter over het hoofd dat door uw Raad deze overweging is gemaakt in de context van de te maken vergelijking bij de registratie van gebruikte motorvoertuigen. Deze overweging kan niet (zonder meer) worden doorgetrokken naar de onderhavige situatie bij de registratie van nieuwe auto's. In notabene hetzelfde arrest heeft uw Raad in r.o. 3.2 immers ‘ongeclausuleerd’ geoordeeld dat ‘voor in Nederland nog niet geregistreerde nieuwe motorvoertuigen geldt dat geen bpm is geheven, zodat bpm bij de mededinging tussen die motorvoertuigen geen rol kan spelen’.
Nu het arrest HR 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821, nadrukkelijk de reikwijdte van artikel 16a Wet BPM in verbinding met artikel 110 VWEU betreft, mag ervan worden uitgegaan dat uw Raad zich bij het formuleren van deze r.o. 3.2 het bestaan van artikel 16a Wet BPM volledig bewust is geweest. Daarenboven valt te wijzen op de vermelde arresten van uw Raad, opgenomen onder relevante jurisprudentie, waarin als vaste leer is opgenomen dat met betrekking tot de registratie van nieuwe auto's de uit de Wet BPM voortvloeiende heffing niet onverenigbaar is met artikel 110 VWEU.
De aanname van het Hof dat — in tegenstelling tot het door de Inspecteur gestelde — in dezen de datum van preregistratie geen onderscheidend criterium is, acht ik dan ook rechtens onjuist althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Voor nieuwe auto's, zoals in het onderhavige geval, is in mijn optiek het relevante Unierechtelijke kader of binnen de regelgeving onderscheid wordt gemaakt tussen nationale nieuwe voertuigen en buitenlandse nieuwe voertuigen. Met het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2020:913) kan worden aangenomen dat artikel 16a Wet BPM op geen enkele wijze onderscheid maakt tussen nieuwe personenauto's uit andere lidstaten en nieuwe personenauto's uit Nederland, zodat genoemd artikel 16a in situaties waarin dit artikel wel toepassing vindt, zonder enige beperking ook kan worden toegepast op nieuwe personenauto's welke in Duitsland zijn aangeschaft.
Ook tegen die achtergrond kan artikel 16a Wet BPM in dezen onverkort worden toegepast en nu in casu vaststaat dat aan de in die bepaling opgenomen wettelijke vereisten om voor toepassing van het tarief van 2017 in aanmerking te komen niet is voldaan, blijft toepassing van het tarief ten tijde van de registratie van de nieuwe auto's in 2018 aangewezen.
Voorts permitteer ik mij in dit verband wellicht ten overvloede nog een opmerking over de conclusie van A-G Wattel van 3 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:100, meer in het bijzonder de daarin ambtshalve betrokken stelling dat artikel 16a (oud) Wet BPM tussen 2012 en 2022 een ongerechtvaardigd fiscaal onderscheid maakte tussen twee categorieën technisch identieke nieuwe auto's, hetgeen onverenigbaar zou zijn met artikel 1 Twaalfde Protocol EVRM. Die conclusie wordt door mij niet onderschreven, waarop mijnerzijds dan ook is gereageerd. De aan die conclusie ten grondslag gelegde veronderstelling dat niet is gebleken van een andere relevante rechtvaardiging voor de bestaansgrond van artikel 16a Wet BPM dan de in 2012 afgeschafte bpm-vermelding, is namelijk onterecht. Met inachtneming van de aan de wetgever toekomende ‘wide margin of appreciation’ is geen sprake van een willekeurig onderscheid dat van redelijke grond zou zijn ontbloot. Er bestaat wel degelijk een rechtvaardiging voor artikel 16a (oud) Wet BPM tussen 2012 en 2022.
Conclusie
De uitspraak van het Hof geeft mijns inziens dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting en op grond van de vaststaande feiten is in het onderhavige geval uitsluitend plaats voor toepassing van het BPM-tarief van 2018.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Uitspraak 17‑11‑2023
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00655
Datum 17 november 2023
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 22 december 2021, nrs. BKDH-21/00242 tot en met BKDH-21/002441., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 18/6670 tot en met BRE 18/6672) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft drie nieuwe personenauto’s (hierna: de drie personenauto’s) na aankoop in een andere lidstaat overgebracht naar Nederland en binnen de eerste twee maanden van 2018 in het Nederlandse kentekenregister doen inschrijven en te naam stellen. In verband met deze registraties heeft belanghebbende voor elke personenauto op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan.
2.2
Belanghebbende heeft bij de berekening van deze bedragen het voor het jaar 2017 geldende tarief in aanmerking genomen. Zij stelt zich op het standpunt dat zij met succes een beroep kan doen op artikel 110 VWEU in samenhang gelezen met artikel 16a, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst tot 1 januari 2022; hierna: de Wet). Zij stelt dat in Nederland binnen de eerste twee maanden van het jaar 2018 acht vergelijkbare nieuwe personenauto’s te naam zijn gesteld die alle in 2017 in het Nederlandse kentekenregister waren ingeschreven en dat voor die personenauto’s op grond van artikel 16a, lid 1, van de Wet het tarief van 2017 is toegepast. Om discriminatie in strijd met artikel 110 VWEU te voorkomen moeten de drie personenauto’s, die eveneens zijn geregistreerd binnen de eerste twee maanden van 2018, in aanmerking komen voor hetzelfde – lagere – tarief van 2017.
2.3
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende zich niet op artikel 110 VWEU kan beroepen. Hij stelt dat bij toepassing van artikel 16a, lid 1, van de Wet nieuwe personenauto’s, ongeacht uit welke lidstaat afkomstig, op een gelijke wijze in de heffing worden betrokken. De voor de drie personenauto’s verschuldigde bpm moet daarom naar zijn mening worden berekend naar het tarief van 2018. Om die reden heeft hij de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd en deze bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.De Rechtbank heeft de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
2.4.1
Bij het Hof was in geschil of belanghebbende ter zake van de registratie van de drie personenauto’s binnen de eerste twee maanden 2018 met succes een beroep kan doen op het in 2017 geldende, lagere tarief aan bpm, en of de naheffing die uitgaat van toepassing van het in 2018 geldende tarief, in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU.
2.4.2
Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat voor het antwoord op die vraag moet worden onderzocht of in Nederland in de handel zijnde, vergelijkbare nieuwe personenauto’s bij registratie in dezelfde periode als waarin de drie personenauto’s zijn geregistreerd, buiten het bereik van die heffing blijven dan wel dat ter zake van deze vergelijkbare nieuwe personenauto’s een lager bedrag aan bpm wordt geheven.Uit rechtsoverweging 3.5 van het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821 (hierna: het arrest van 1 mei 2020), heeft het Hof afgeleid dat voor de gelijksoortigheid van personenauto’s de datum van inschrijving in het Nederlandse kentekenregister zonder tenaamstelling (de zogenoemde preregistratie) geen onderscheidend kenmerk is. Hiervan uitgaande heeft het Hof vastgesteld dat de hiervoor in 2.2 bedoelde acht personenauto’s voor de toepassing van artikel 110 VWEU vergelijkbaar zijn met de drie personenauto’s, dat deze acht personenauto’s in 2017 in het Nederlandse kentekenregister zijn ingeschreven en binnen de eerste twee maanden van 2018 te naam zijn gesteld, en dat ter zake van deze acht personenauto’s de verschuldigde bpm met toepassing van artikel 16a van de Wet is berekend naar het voor 2017 geldende tarief. Dit een en ander kan, aldus het Hof, tot geen andere conclusie leiden dan dat ook belanghebbende ter zake van de drie personenauto’s het tarief van 2017 mag toepassen. Het Hof heeft daarom de naheffingsaanslagen vernietigd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel is gericht tegen de hiervoor in 2.4.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel voert aan dat het Hof over het hoofd heeft gezien dat het arrest van 1 mei 2020 betrekking heeft op een vergelijking van de heffing van bpm ter zake van de registratie van gebruikte motorvoertuigen en dat rechtsoverweging 3.5 van het arrest van 1 mei 2020 in die context moet worden gelezen. Het middel stelt dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de uit de Wet voortvloeiende heffing van bpm bij registratie van nieuwe personenauto’s niet onverenigbaar is met artikel 110 VWEU en dat ook artikel 16a van de Wet op geen enkele wijze onderscheid maakt tussen nieuwe personenauto’s uit andere lidstaten en nieuwe personenauto’s uit Nederland.
3.2.1
Het arrest van 1 mei 2020 betreft de beoordeling of ter zake van de registratie van een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10 van de Wet – in strijd met artikel 110 VWEU – meer bpm wordt geheven dan het laagst mogelijke restbedrag aan bpm dat wordt geacht te zijn begrepen in de handelsinkoopwaarde van een gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorvoertuig. In dat kader heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een door artikel 110 VWEU verboden discriminatie zich voordoet wanneer het verschil tussen enerzijds het voor de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig, gebruikt motorvoertuig te heffen bedrag aan bpm, berekend naar het tarief van het jaar van registratie, en anderzijds het restbedrag aan bpm dat geacht wordt te rusten op gelijksoortige, in Nederland gebruikte motorvoertuigen, uitsluitend kan worden teruggevoerd op toepassing van artikel 16a van de Wet, en dus niets heeft uit te staan met kenmerken of eigenschappen van de motorvoertuigen die de handelsinkoopwaarde van het motorvoertuig beïnvloeden.
3.2.2
Zoals het middel terecht aanvoert, heeft het Hof in rechtsoverweging 3.5 van het arrest van 1 mei 2020 geen aanwijzing kunnen lezen die bijdraagt aan de beslechting van het onderhavige geschil. Dit geschil betreft immers de vraag of toepassing van artikel 16a van de Wet bij de registratie van nog niet in Nederland geregistreerde, nieuwe motorvoertuigen leidt tot schending van het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. Voor nog niet in Nederland geregistreerde, nieuwe motorvoertuigen geldt dat geen bpm is geheven zodat geheven bpm bij de mededinging tussen die motorvoertuigen geen rol kan spelen. De volgens het arrest van 1 mei 2020 te maken vergelijking tussen enerzijds uit andere lidstaten afkomstige, gebruikte motorvoertuigen die worden geregistreerd in het Nederlandse kentekenregister en anderzijds reeds in Nederland geregistreerde, gebruikte motorvoertuigen is hier niet van toepassing. De hiervoor in 2.4.2 weergegeven oordelen van het Hof geven in zoverre blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.
3.3.1
Voor zover het middel voor het overige betoogt dat toepassing van artikel 16a, lid 1, van de Wet bij de registratie van nieuwe motorvoertuigen in geen geval kan leiden tot schending van het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU, wordt overwogen als volgt.
3.3.2
De Hoge Raad heeft in het arrest van 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:826 (hierna: het arrest van 3 juni 2022), vooropgesteld dat het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU meebrengt dat de bpm die is verschuldigd ter zake van de registratie van nieuwe personenauto’s die afkomstig zijn uit een andere lidstaat, niet hoger mag zijn dan de bpm die wordt geheven ter zake van de registratie van vergelijkbare nieuwe personenauto’s die in Nederland op de binnenlandse markt worden aangekocht en die op hetzelfde tijdstip worden geregistreerd.2.
3.3.3
In het geval van een verhoging van de in artikel 9 van de Wet opgenomen tarieven geldt op grond van artikel 16a, lid 1, van de Wet een tegemoetkoming voor een personenauto die voorafgaand aan het tijdstip waarop de verhoging in werking treedt, in het Nederlandse kentekenregister is ingeschreven maar waarvoor nog geen tenaamstelling heeft plaatsgevonden. Deze tegemoetkoming houdt in dat de belasting wordt berekend op de voet van artikel 9 van de Wet zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van de tariefverhoging. De tegemoetkoming geldt alleen indien de tenaamstelling – en daarmee als regel het belastbare feit voor de bpm – plaatsvindt binnen twee maanden na die inwerkingtreding. Indien de tenaamstelling van de ingeschreven personenauto plaatsvindt nadat deze twee maanden zijn verstreken, wordt de belasting berekend op de voet van artikel 9 van de Wet zoals dat luidt nadat de tariefverhoging in werking is getreden.
3.3.4
De tegemoetkoming bedoeld in artikel 16a, lid 1, van de Wet geldt alleen voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s die voorafgaande aan het tijdstip waarop een tariefverhoging in werking treedt, in het kentekenregister waren ingeschreven maar waarvoor nog geen tenaamstelling heeft plaatsgevonden.
3.3.5
Bij de beoordeling of met de tegemoetkoming bedoeld in artikel 16a, lid 1, van de Wet bij nieuwe personenauto’s het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU wordt geschonden, heeft de Hoge Raad in het arrest van 3 juni 2022 vooropgesteld dat die regeling onder dezelfde voorwaarden van toepassing is op nieuwe personenauto’s die in Nederland zijn aangekocht en op personenauto’s die in het buitenland zijn aangekocht.De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU wel kan meebrengen dat met betrekking tot een in een andere lidstaat aangekochte nieuwe personenauto niet onverkort kan worden vastgehouden aan de voorwaarden van artikel 16a, lid 1, van de Wet. Dat doet zich met name voor wanneer het gaat om een nieuwe personenauto die in het kentekenregister van een andere lidstaat is ingeschreven vóór de inwerkingtreding van een tariefverhoging van de bpm, en die na overbrenging naar Nederland binnen twee maanden na die inwerkingtreding wordt ingeschreven en te naam wordt gesteld in het Nederlandse kentekenregister.In dat geval moet de registratie in het kentekenregister van een andere lidstaat voor de toepassing van artikel 16a, lid 1, van de Wet op één lijn worden gesteld met de registratie in het Nederlandse kentekenregister, en moet de tegemoetkoming van dat artikel op gelijke voet worden toegepast.3.
3.3.6
Hetgeen hiervoor in 3.3.2 tot en met 3.3.5 is overwogen, brengt mee dat het middel voor het overige faalt.
3.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.4.2
Uit de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende voor de Rechtbank of het Hof heeft gesteld dat de drie personenauto’s vóór de tariefverhoging van 1 januari 2018 in het kentekenregister van een andere lidstaat waren geregistreerd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet het geval is geweest.Hiervan uitgaande en gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.4 en 3.3.5 is overwogen, kan belanghebbende niet met een beroep op artikel 110 VWEU aanspraak maken op toepassing van het in 2017 geldende tarief van de bpm. Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is daarom ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2023.