Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/
Verhandeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS360642:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Te denken valt aan de bij reis- en kostbaarhedenverzekeringen in de polisvoorwaarden op te nemen verplichting om de normale voorzichtigheid ('goed huisvaderschap') in acht te nemen.
HR 30 mei 1975, NJ 1975, 572(Bierglas-arrest).
Zie Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 350.
HR 17 juni 1988, NJ 1988, 966(Keulse autodiefstal-arrest), m.nt. G. Zie ook Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 350.
Invulling van dit begrip is ontleend aan HR 12 maart 1954, NJ 1955, 368(Codam-Merwede).
Vgl. voor het buitenland allereerst de Duitse regeling in par. 81VVG 2008 dat opzet uitsluit en ter zake van 'grobe Fahrlässigkeit' de verzekeraar het recht geeft de uitkering 'in einem der Schwere des Verschuldens des Versicherungsnehmer entsprechenden Verhältnis zu kürzen'. In Frankrijk sluit art. L113-1 Code ass uitdrukkelijk van dekking uit 'les pertes et dommages causés par la faute intentionelle de l'assure'. Opmerkelijk is tenslotte de Belgische regeling in art. 8 Wet op de landverzekeringsovereenkomst: uitgesloten is slechts opzettelijk veroorzaakte schade, maar het staat de verzekeraar vrij in de polisvoorwaarden een uitsluiting ter zake van grove schuld op te nemen.
Overzicht van de opzetgraden en de overige vormen van eigen schuld ontleend aan M.M. Mendel, Enkele aspecten van opzet en grove schuld in het schadeverzekeringsrecht, in: Bundel In volle verzekerdheid, aangeboden aan Prof. mr. A.J.O. van Wassenar van Catwijck, Deventer: Kluwer 1993, p. 114.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 mei 1975, NJ 1976, 572, m.nt. BW (Bierglas-arrest) - anders dan in het strafrecht - onder 'opzet' niet mede willen begrijpen het 'voorwaardelijk opzet' van de dader (dat is het zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans dat een bepaalde handelwijze tot een bepaald gevolg zal leiden). De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke, voor de verzekerde bezwarende uitbreiding van de van toepassing zijnde uitsluiting in de opzetclausule niet te lezen viel. Er zijn ook lichtere vormen van voorwaardelijk opzet, te weten mogelijkheidsbewustzijn (degene die handelt, weet dat de schade mogelijk het gevolg van zijn handelen zal zijn, maar neemt deze op de koop toe) en waarschijnlijkheidsbewustzijn (degene die handelt, weet dat de schade het waarschijnlijke gevolg van zijn handelen zal zijn, maar neemt deze op de koop toe). Deze vormen van voorwaardelijk opzet vallen evenmin onder de opzetuitsluiting en daarmee onder de dekking.
MvT Invw. Kamerstukken II 2004/05, 30 137, nr. 3, p. 19.
De door het Verbond van Verzekeraar op dit punt gestandaardiseerde polisbepaling 'voor maatschappijen die in hun polissen conform het huidige art. 276/294 Wetboek van Koophandel merkelijke schuld en alle zwaardere vormen van schuld van dekking willen (blijven) uitsluiten' luidt als volgt: 'De verzekeraar vergoedt geen schade die een verzekerde met opzet, al dan niet bewuste roekeloosheid of al dan niet bewuste merkelijke schuld heeft veroorzaakt, ongeacht of die schade is veroorzaakt aan zijn eigen belang(en) of (ook) aan die van (een) andere verzekerde(n).'
L. Dommering-van Rongen in haar annotatie in AV&S 2001, p. 57-58 onder HR 12 januari 2001, NJ 2001, 419, m.nt. MMM.
Inleidend
Eén van de uitgangspunten van het verzekeringsrecht is dat schade die door opzet of een in laakbaarheid daaraan grenzende vorm van eigen schuld van de verzekerde wordt veroorzaakt, niet voor rekening van de verzekeraar dient te komen. Van een verzekerde mag immers verwacht worden dat hij niet zal tekortschieten in zorg ter voorkoming van schade. De bepaling waarin dit uitgangspunt is vastgelegd, art. 7:952 BW, is van regelend recht; in de polisvoorwaarden kan mitsdien van de regeling worden afgeweken, bijvoorbeeld door striktere zorgvuldigheidsnormen vast te leggen.1 Bij die renunciatie aan de wettelijke regeling dient in het oog gehouden te worden dat de twee zwaarste vormen van eigen schuld (opzet als oogmerk en opzet als zekerheidsbewustzijn) - als strijdig met de openbare orde en goede zeden - nimmer verzekerd kunnen worden.2
Het oude recht kende twee bepalingen ter zake van eigen schuld, te weten art. 276 en 294 K (oud). Het eerste gaf de algemene regel dat verliezen of schade die veroorzaakt werden door de eigen schuld van een verzekerde, van dekking waren uitgesloten. De ratio die aan deze bepaling ten grondslag lag, was dat wanneer de verzekeringnemer en de verzekeraar overeenkomen dat de laatste het gevaar zal lopen, de verzekeraar bij de beoordeling van het risico mag uitgaan van normale voorzichtigheid. Verzekerd werd aldus het gevaar van 'de goede huisvader'.3 Specifiek voor brandverzekering legde art. 294 K (oud) de lat voor de verzekeraar hoger in die zin dat de verzekeraar eerst ontslagen was van de verplichting tot voldoening der schade indien hij bewees dat de brand door merkelijke schuld of nalatigheid van de verzekerde veroorzaakt werd. In de praktijk werd uiteindelijk de norm van art. 294 K (oud) niet langer alleen voor de brandverzekering gehanteerd, maar voor alle verzekeringen die naar hun aard het risico van alle dag dekken. Dit vanuit de gedachte dat bij die vormen van verzekering - net zoals bij de brandverzekering - van de verzekerde niet gevergd kan worden dat hij doorlopend de uiterste zorg aanwendt.4
In het nieuwe, thans geldende verzekeringsrecht is bij wijze van algemene regel de lat voor de verzekeraar nog hoger gelegd, nu de verzekeraar ingevolge art. 7:952 BW niet behoeft te vergoeden schade aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid (d.w.z. een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld, ook wel aangeduid als grove schuld5) heeft veroorzaakt.6 Zulks betekent dat naar de schaal van schuld-gradaties,7 die loopt van bijzonder ernstig tot licht verwijtbaar, nog uitsluitend schade veroorzaakt door schuld binnen de eerste vier gradaties door de verzekeraar niet vergoed hoeft te worden. De 'oude' merkelijke schuld valt naar het nieuwe recht in beginsel dus wél onder de dekking:
1.
Opzet als oogmerk
2.
Opzet als zekerheidsbewustzijn
3.
Voorwaardelijk opzet8
4.
Roekeloosheid (= grove schuld)
bewust
onbewust
5.
Merkelijke schuld
bewust
onbewust
6.
Schuld
bewust
onbewust
7.
Lichte schuld
bewust
onbewust
Als het gaat om de stelplicht en het daarmee samenhangende bewijsrisico in het algemeen, lijkt het goed allereerst nader te bezien tot welke uitkomsten de jurisprudentie en literatuur op dit punt onder het oude recht heeft geleid. Dat is met name relevant omdat het begrip 'merkelijke' schuld haar betekenis ook onder het thans geldende recht heeft behouden, alhoewel het in titel 7.17 BW niet meer wordt gehanteerd. Dat is allereerst vanwege de bijzondere overgangsregeling die art. 221 lid 1 Ow. NBW kent ter zake van eigen schuld: In afwijking van de hoofdregel van onmiddellijke werking van titel 7.17 is art. 7:952 BW uitsluitend van toepassing op verzekeringen die na de inwerkingtreding van de wet zijn gesloten. De achtergrond hierachter is dat in die gevallen, waarin op het punt van de eigen schuld in de polisvoorwaarden geen afwijkende regeling was getroffen, moet worden aangenomen dat partijen hebben beoogd merkelijke schuld van de dekking uit te sluiten. Voorkomen moest worden, aldus de wetgever, dat door het in werking treden van art. 7:952 BW in dat opzicht een ruimere dekking zou ontstaan.9 Daarnaast is het zo dat verzekeraars veelal op polisniveau aansluiting zullen blijven zoeken bij het (inmiddels behoorlijk uitgekristalliseerd) begrip merkelijke schuld.10 Bespreking van de betreffende jurisprudentie en de ontwikkeling die daarbinnen (bewijsrechtelijk) heeft plaatsgehad blijft daarmee ook voor het huidig recht van belang.
Bij die bespreking ligt de nadruk op merkelijke schuld, waaronder - in de tweedeling die Dommering-van Rongen heeft gemaakt - ook brandstichting zij begrepen.11
Tot slot van dit hoofdstuk wordt nog apart aandacht besteed aan de invulling van het begrip 'opzet' in de aansprakelijkheidsverzekering.