Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.2.0:4.2.0 Introductie
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.2.0
4.2.0 Introductie
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452944:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een kleine uitzondering blijft gelden, indien sprake is van een potentieel verlies uit aanmerkelijk belang dat men tussentijds wil incasseren (art. 20c, zesde lid. Wet IB). Zie hoofdstuk 10, onderdeel 10.3.
Hierop bevatten art. 20b, tweede en derde lid, Wet IB een tweetal uitzonderingen (zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.3).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het nieuwe aanmerkelijkbelangregime wordt gekenmerkt door twee belangrijke elementen:
een vergaande mate van subjectivering van de belastingheffing ter zake van de opbrengsten uit aanmerkelijkbelangaandelen, én
een uniform proportioneel tarief voor alle opbrengsten van aanmerkelijkbelangaandelen, vervreemdingsvoordelen zowel als reguliere voordelen.
De subjectivering van het aanmerkelijkbelangregime wordt teruggevonden in het feit dat niet langer het objectieve gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal als de ondergrens van de belastingheffing geldt, doch de subjectieve verkrijgingsprijs van de desbetreffende aanmerkelijkbelanghouder. Dit laatste geschiedt ook - en daarin zit de winst van het nieuwe systeem - als de subjectieve verkrijgingsprijs minder bedraagt dan het objectieve gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal. Dit betekent dat het in hoofdstuk 3 uiteengezette knelpunt van het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal, waarvan gebruik werd gemaakt bij agio(-oppomp)con-structies (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.3.1) en (sommige) turboconstructies (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.3.2.3), in aanmerkelijkbelangsituaties is weggenomen.
Het tweede element betreft de invoering van één uniform belastingtarief voor alle opbrengsten uit de aanmerkelijkbelangaandelen van 25% (voor zover de tweede tariefschijf wordt overschreden). In het sedert 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregime maakt het voor de aanmerkelijkbelanghouder dus niet langer uit of hij de opbrengst van de aanmerkelijkbelangaandelen nu ontvangt als dividend, inkoop van eigen aandelen, liquidatie van de vennootschap of als vervreemdingsresultaat. In alle gevallen bedraagt het toepasselijke belastingtarief 25% (voor zover de tweede tariefschijf wordt overschreden). Tezamen met het vennootschapsbelastingtarief bedraagt de cumulatieve belastingdruk op de opbrengsten van aandelen met ingang van 1 januari 1997 aldus 51,25%. Dit uniforme tarief van 25% heeft aldus tot gevolg dat het andere in hoofdstuk 3 aangegeven knelpunt, waarvan gebruik werd gemaakt bij de vervreemdingen cum dividend en in het zicht van liquidatie en met name de holding- en kasgeldconstructies, in aanmerkelijkbelangsituaties eveneens is weggenomen. 1
Doordat de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' in vergaande mate is gesub-jectiveerd, heeft voor aanmerkelijkbelanghouders het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal uiteindelijk geen betekenis meer. Voor hen geldt voortaan de subjectieve (gemiddelde) verkrijgingsprijs als uitgangspunt voor de belastingheffing over de voordelen uit het aanmerkelijkbelangpakket. In die zin vervult de (gemiddelde) verkrijgingsprijs de functie die het gemiddeld gestort kapitaal onder het oude regime innam. Deze subjectivering van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' betekent dat hetgeen de aanmerkelijkbelanghouder meer ontvangt dan hij voor de aanmerkelijkbelangaandelen heeft opgeofferd, wordt belast als winst uit aanmerkelijk belang en hetgeen hij minder ontvangt, verrekenbaar is als verlies uit aanmerkelijk belang op de voet van art. 60 Wet IB. Een verlies uit aanmerkelijk belang ontstaat dus ook als sprake is van interingen op het gestorte kapitaal. Onder het oude regime waren interingen op het gestorte kapitaal niet aftrekbaar, omdat in zoverre sprake was van een (niet-aftrekbare) waardedaling van de bron zelf. Dit is voor aanmerkelijkbelanghouders onder het nieuwe regime dus niet langer het geval. In zoverre kan de nieuwe bron 'winst uit aanmerkelijk belang', meer nog dan de oude bron 'winst uit aanmerkelijk belang', als een inbreuk op de aan de Wet IB ten grondslag liggende bronnenleer worden gezien.
Ondanks het feit dat alle opbrengsten van de aanmerkelijkbelangaandelen tot de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' worden gerekend, is in de nieuw vormgegeven bron 'winst uit aanmerkelijk belang' het oude onderscheid tussen inkomsten uit de aandelen enerzijds (inkomsten uit vermogen) en vervreemdingsresultaten van de aandelen anderzijds (winst uit aanmerkelijk belang) nog wel te herkennen. Winst uit aanmerkelijk belang is immers blijkens art. 20a, eerste lid, Wet IB het gezamenlijke bedrag van de:
voordelen welke worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen) en
voordelen welke worden behaald bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen (vervreemdingsvoordelen).2
De reguliere voordelen komen min of meer overeen met de inkomsten uit de (aanmerkelijkbelang)aandelen die tot 1 januari 1997 onder de bron 'inkomsten uit vermogen' vielen en de vervreemdingsvoordelen komen min of meer overeen met de vervreemdingsresultaten die tot 1 januari 1997 onder de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' vielen. Hierop bestaan twee belangrijke uitzonderingen, t.w. de inkoop van aandelen door de vennootschap en de liquidatie van de vennootschap die beide onder de categorie vervreemdingsvoordelen zijn gebracht (art. 20a, zesde lid, onderdeel a en c, Wet IB) (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.1 en 7.3.3). Tevens kan worden gewezen op de afkoop en inkoop van winstbewijzen die eveneens uitdrukkelijk zijn aangemerkt als een vervreemding (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.2).
Het feit dat de vroegere inkomsten uit aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen onder de categorie 'reguliere voordelen' van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' zijn gebracht, heeft tevens tot gevolg gehad dat de op deze reguliere voordelen drukkende aftrekbare kosten voortaan worden verwerkt via het aanmerkelijkbelangregime en daarmee slechts kunnen worden geëffectueerd tegen het proportionele aanmerkelijkbelangtarief van 25%.2 Overtreffen de aftrekbare kosten de reguliere voordelen, dan ontstaat een zgn. verlies uit aanmerkelijk belang (art. 20a, tweede lid, Wet IB) dat op de voet van art. 60 Wet IB tegen het 25%-tarief kan worden verrekend met de overigens verschuldigde inkomstenbelasting. Tot 1 januari 1997 was sprake van naar het normale tabeltarief belaste inkomsten uit vermogen, zodat de op deze inkomsten drukkende aftrekbare kosten eveneens in aanmerking konden worden genomen tegen het normale tabeltarief.