Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/1.1.2.a
1.1.2.a De beperking tot nationale werken of nationale auteurs als afbakening van het toepassingsbereik van de nationale wet
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS468803:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De zojuist als voorbeeld aangehaalde bepaling uit de Nederlandse wet van 1881 is weliswaar van later datum, maar zij is een reproductie van haar voorgangers in de eerste helft van de negentiende eeuw (vgl. ook haar minder toegankelijke — voorganger, art. 6 van de Nederlandse wet van 1817). Zij is hier als voorbeeld gekozen vanwege haar 'zuivere' vorm, dat wil zeggen: zonder reciprociteitsvoorwaarden. Deze voorwaarden, die in nagenoeg alle andere auteurswetten werden gesteld, vormen een complicatie die uit didactisch oogpunt in dit stadium van onze zoektocht nog buiten beschouwing wordt gelaten; zij wordt in par. 1.2 in deze studie ingevoerd.
Was het eigen recht op grond van de eigen eenzijdige conflictregel niet van toepassing, dan kon — mits de eigen wet dat toeliet — op grond van diezelfde conflictregel toepassing worden gegeven aan vreemd recht; de conflictregel werd `gebilateraliseerd' — of beter gezegd: 'gegeneraliseerd'.
Strikwerda 1978, p. 113. Vgl. ook Kegel & Schurig 2004, p. 174.
Vgl. Strikwerda 1978, p. 5 e.v. De term 'formele-territorialiteitsbeginsel' (die overigens van later datum is) is geen vaste terminologie. In deze studie is het 'formele-territorialiteitsbeginsel' gedefinieerd als omvattende zowel formele territorialiteit als materiële territorialiteit (en dus niet alleen formele territorialiteit). Dat is een eigen definitie van deze studie.
Zie onder meer gezaghebbende handboeken uit die tijd, zoals als Foelix 1843, p. 12 e.v. (Foelix/Demangeat 1866, p. 19 e.v.); Story 1841, p. 25 e.v. Vgl. ook Strikwerda 1978, p. 5. Vogel 1965, p. 89-90 illustreert hoe sterk de territorialiteitsgedachte in deze tijd leefde.
Vgl. Strikwerda 1978, p. 118.
Vogel 1965, p. 35 e.v. Deze axiomata komen later nog ter sprake, in par. 5.2.3. Bij Huber zien wij voor het eerst het formele-territorialiteitsbeginsel als uitgangspunt van het conflictenrecht, vgl. Vogel 1965, p. 28 e.v.
Dit was vanzelfsprekend. Het auteursrecht vormde op dit algemene uitgangspunt geen uitzondering. Vgl. bijvoorbeeld Foelix 1843, p. 575, die het intellectuele-eigendomsrecht bijvoorbeeld behandelt in de titel over 'Des actes illicites de l'homme, ou du droit criminel international' (in die tijd werden de — in moderne ogen privaatrechtelijke — onrechtmatige daad en het strafrechtelijke delict op één lijn werden gesteld). Vgl. ook Celliez 1878, p. 13-14 ('le caractère de lois de police') en Briggs 1906, p. 34-35.
'(...) car c'est dans cette loi seule que le juge puise sa propre jurisdiction et c'est elle seule qu'il est en mes-ure d'appliquer', zo bracht de Italiaanse Corte di cassazione het bondig onder woorden (Corte di cassazione 14 januari 1900, Monitore dei Tribunali, Vol. 41, 1900, II serie, vol. 3, p. 176-177 (Albrecht & Meister/ Gualassini), Franse vertaling in DdA 1900, p. 121; zie ook noot 88 van dit hoofdstuk 1). Vgl. ook bijvoorbeeld de memorie van toelichting bij art. 28 lid 1 Auteurswet 1881, waar wordt opgemerkt — als ware het een vanzelfsprekendheid — dat 'de Nederlandsche regter alleen kan regtspreken uit kracht der Nederlandsche wet' (Kamerstukken II 1876/77, 202, nr. 3, p. 5).
Meestal was deze afbakening positief geformuleerd (dus: 'deze wet is alleen van toepassing op werken die voor het eerst op het nationale territoir zijn gepubliceerd'). Een enkele keer was echter sprake van een botte negatieve formulering, zoals bijvoorbeeld in art. 79 lid 2 van de Hongaarse auteurswet van 26 april 1884: 'Auf Werke von Ausländern findet dieses Gesetz keine Anwendung' (Gesetze über das Urheberrecht 1891, p. 113). Terzijde: veelzeggend voor de politiek-economische motieven zijn de uitzonderingen die op dat uitgangspunt werden gemaakt: 'Eine Ausnahme bilden und Rechtsschutz geniessen: (a) Jene Werke von Ausländern die bei inländischen Verlegern erschienen sind; (b) Werke jener Ausländer, welche mindestens zwei Jahre im Lande ständig wohnen und hier ununterbrochen Steuer zahlen.'
Er is dan een lex originis-conflictregel ontstaan.
54. Afbakening toepassingsbereik. Bezien wij eerst de constellatie dat de beperking tot nationale werken of nationale auteurs was vormgegeven als een afbakening van het toepassingsbereik van de nationale wet. Deze constellatie kwam in de praktijk het meeste voor. Een duidelijk voorbeeld is te vinden in artikel 27 van de Nederlandse auteurswet van 1881:
"Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Nederlandsch Indië gedrukte en door den druk gemeen gemaakte werken, op niet door den druk gemeen gemaakte werken afkomstig van in Nederland of in Nederlandsch Indië woonachtige auteurs, daaronder begrepen in Nederland of in Nederlandsch Indië gehouden mondelinge voordrachten."1
55. Statutenleer. In deze constellatie was primair sprake van een conflictenrechtelijke aangelegenheid. Verplaatsen wij ons, teneinde dit beter te begrijpen, in het conflictenrecht van de eerste helft van de negentiende eeuw.2 In die tijd werd het conflictenrecht beheerst door de zogeheten statutenleer. Het hedendaagse, door Von Savigny ontworpen conflictenrecht was nog niet geboren; Von Savigny maakte zijn conflictenrechtelijke model immers pas in 1849 wereldkundig. Het preSavigniaanse, statutistische conflictenrecht beantwoordde de vraag naar het toepasselijke recht door het toepassingsbereik van de interne rechtsregels vast te stellen. Dit conflictenrecht was in beginsel eenzijdig; het primaire doel was de afbakening van het toepassingsbereik van de eigen rechtsregels.3 Rechtsregels werden in een aantal klassen ingedeeld en iedere klasse van rechtsregels werd geacht een bepaald toepassingsbereik te hebben, dat zich uit de aard van die klasse van rechtsregels liet afleiden.4
56. Formele-territorialiteitsbeginsel. Daarbij was de algemene grondgedachte in de achttiende en negentiende eeuw het `formele-territorialiteitsbeginser. Volgens dit beginsel is het toepassingsbereik van het recht afgebakend tot het eigen territoir (`materiële territorialiteit') en past de rechter alleen zijn eigen recht toe (`formele territorialiteit').5 Grondslag van het formele-territorialiteitsbeginsel was de staatssoevereiniteit.6 De wetgever, zo wil deze grondslag, kan slechts normen stellen binnen zijn eigen territoir (materiële territorialiteit); en met de handhaving ervan — handhaving is net als wetgeving ook een soevereine aangelegenheid — is in beginsel uitsluitend de eigen rechter belast (formele territorialiteit). De uitzonderingen op het uitgangspunt van het formele-territorialiteitsbeginsel, welke uitzonderingen met name regels van personenrecht betroffen, werden gerechtvaardigd door de `comitas' (welwillendheid), die de staten jegens elkaar betrachten.7 Men denke aan de drie grondregels (`axiomata') van Ulrik Huber, de zeventiende-eeuwse rechtsgeleerde die sterk zijn stempel heeft gedrukt op het achttiende- en negentiende-eeuwse conflictenrecht.8
57. Toepassingsbereik auteurswetten. Hoe werd, in de geest van de toen vigerende statutenleer, het toepassingsbereik van de toenmalige nationale auteurswetten afgebakend? Welnu, dit toepassingsbereik werd in drie opzichten afgebakend. Twee afbakeningen lagen besloten in het formele-territorialiteitsbeginsel, dat ook het intellectuele-eigendomsrecht c.q. het auteursrecht beheerste.9 Ingevolge dit beginsel was het toepassingsbereik van de auteurswet in de eerste plaats dus materieel-territoriaal beperkt: haar bescherming strekte zich (slechts) uit tot het nationale territoir. En in de tweede plaats was het toepassingsbereik formeel-territoriaal beperkt: de rechter had enkel zijn eigen auteurswet toe te passen.10 De derde afbakening was de beperking tot nationale werken of nationale auteurs. De nationale wet was alleen van toepassing op werken die voor het eerst op het nationale territoir waren gepubliceerd, of op werken van nationale auteurs.11
58. Rechtsvacuüm. Het gevolg van deze afbakeningen was dat vreemde werken of vreemde auteurs in een rechtsvacuüm achterbleven Immers, door het formeleterritorialiteitsbeginsel waren zij voor bescherming in een ander land volledig aangewezen op de lokale wet en de lokale rechter: de lokale wet was de enige wet die in materieel-territoriaal opzicht voor toepassing in aanmerking kwam, en de lokale rechter was de enige rechter die die wet mocht toepassen. En juist die lokale wet was alleen van toepassing op nationale werken of auteurs, niet op vreemde werken of auteurs. Ten aanzien van hen was er dus geen enkele wet van toepassing — ziedaar het rechtsvacum.
59. Combinatie van drie afbakeningen. Voor de goede orde zij opgemerkt dat het de combinatie van deze drie afbakeningen tezamen is, die het rechtsvacuüm veroorzaakt. Zo brengt het formele-territorialiteitsbeginsel op zichzelf genomen niet het rechtsvacuüm teweeg. Zouden immers alleen de twee in dit beginsel besloten liggende afbakeningen gelden, dan zou de bescherming van het vreemde werk of de vreemde auteur worden geregeld door de lokale wet en de lokale rechter. Zo bezien is het de verdere afbakening tot nationale werken of auteurs die maakt dat het rechtsvacuüm ontstaat. De afbakening tot nationale werken of auteurs brengt echter, op zichzelf beschouwd, evenmin het rechtsvacuüm teweeg. Met die afbakening — die eenzijdige conflictregel — is immers nog niets gezegd over vreemde werken of vreemde auteurs. Of zij in een rechtsvacuüm komen te verkeren, is afhankelijk van de verdere vormgeving. Zo treedt het rechtsvacuüm niet in, indien men de afbakening tot nationale werken of auteurs generaliseert, dat wil zeggen: niet alleen toepast ten aanzien van de eigen auteurswet, maar ook ten aanzien van vreemde auteurswetten (`generalisatie`, ook wel `bilateralisatie' genoemd). Dan wordt de bescherming van het vreemde werk of de vreemde auteur immers geregeld door zijn eigen wet.12 Het rechtsvacuüm treedt echter wél in, indien men aan de afbakening tot nationale werken of vreemde auteurs het formele-territorialiteitsbeginsel toevoegt. Zo bezien is het de verdere afbakening door het formeleterritorialiteitsbeginsel die maakt dat het rechtsvacuüm ontstaat.
60. Schema. Tezamen genomen werd het rechtsvacuüm dus veroorzaakt door de combinatie van enerzijds de afbakening(en) door het formele-territorialiteitsbeginsel en anderzijds de afbakening tot nationale werken of nationale auteurs. Een en ander is schematisch samengevat in Figuur 1.
61. Figuur 1: schema toestand van rechteloosheid c.q. rechtsvacum.