Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.5.2
5.5.2 Oprichting en vertegenwoordiging van een kerkgenootschap
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633469:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Keijzer & Oldenhuis 2014, p. 423.
Artikel 14 Hregb 2008; zie hierover Asser/Rensen 2-III 2017/395.
Keijzer & Oldenhuis 2014, p. 424, 427-430, 437.
Keijzer & Oldenhuis 2014, p. 421, 423, 438. Zo overwoog de Hoge Raad (HR 15 februari 1957 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1957, 201): “dat toch de beginselen van volkomen vrijheid van geloof en gelijkheid voor den Staat van alle godsdienstige gezindten, (…) meebrengen, dat de burgerlijke rechter geen partij mag kiezen in op het terrein dier gezindten rijzende geschillen omtrent geloof en belijdenis en met name ook niet, al behoort de beslissing over prejudiciële geschilpunten in het algemeen tot zijn taak, zijn uitspraak omtrent enig rechtspunt afhankelijk mag stellen van zijn oordeel met betrekking tot theologische leerstellingen, omtrent welker juistheid, onjuistheid of gewicht aldaar verdeeldheid bestaat.”
Van Kooten 2014, p. 363.
Van Kooten 2014, p. 364.
Van Kooten 2014, p. 365.
Een belangrijk verschil tussen de kerkgenootschap-rechtspersoon en andere rechtsvormen met rechtspersoonlijkheid is dat de dwingendrechtelijke algemene bepalingen van het rechtspersonenrecht1 niet rechtstreeks van toepassing zijn op kerkgenootschappen (art. 2:2, lid 2 BW, tweede volzin). Dit betekent dat een kerkgenootschap zonder inachtneming van formaliteiten, zoals de in artikel 2:4 BW vereiste notariële akte van oprichting, volledig rechtsbevoegd is. De enige algemene bepaling uit titel 2.1 BW die wel rechtstreeks van toepassing is op kerkgenootschappen, is dat een rechtspersoon vermogensrechtelijk gelijkgesteld is met een natuurlijk persoon, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit (art. 2:5 BW). Verder is een analogische toepassing van het algemene rechtspersonenrecht slechts geoorloofd voor zover die te verenigen is met het statuut van het kerkgenootschap en de eigen aard van de kerkelijke verhoudingen zich daartegen niet verzet (art. 2:2, lid 2 BW, tweede volzin).
Het BW bevat geen oprichtingseisen voor een kerkgenootschap zodat de oprichting van een kerkgenootschap vormvrij is. Voor de oprichting is dus volgens de wet geen notariële akte of een ander document zoals een onderhandse akte vereist.2 Het moet wel gaan om een kerkgenootschap, waarbij wordt voldaan aan de hiervoor besproken eisen, waaronder de wens om een kerkgenootschap te zijn. Rensen beklemtoont dat het (on)geschreven statuut bepalend is voor het moment van en de voorwaarden voor het ontstaan van het kerkgenootschap.3 Het is aan de rechter om te beoordelen of er sprake is van een kerkgenootschap.
De interne structuur en de organisatorische inrichting is geheel aan de kerkgenootschappen zelf overgelaten. Vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt niet altijd in het statuut van het kerkgenootschap geregeld. Ook kunnen kerkgenootschappen gegevens over hun gevolmachtigden en de inhoud van hun volmacht in het Handelsregister laten inschrijven.4 De ruime organisatievrijheid van kerkgenootschappen kent echter haar grenzen. Kerkgenootschappen zijn immers als deelnemers aan het rechtsverkeer evenals andere rechtsvormen onderworpen aan de wet, zoals het Wetboek van Strafrecht en de dwingendrechtelijke regels uit het Burgerlijk Wetboek, met inbegrip van het onrechtmatigedaadsrecht.5 Bij het bepalen waar die grenzen liggen, speelt de burgerlijke rechter een belangrijke rol zonder zich uit te laten over theologische twistpunten.6
Van Kooten wijst erop dat de ruime organisatievrijheid van kerkgenootschappen betekent dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid per kerkgenootschap kan verschillen.7 Zo kan een kerkgenootschap deze bevoegdheid in zijn statuut van diverse voorwaarden afhankelijk stellen en over verschillende organen verspreiden, zodat er in dat geval geen sprake is van één bestuur. Dit statuut bepaalt in beginsel in hoeverre een kerkelijk vertegenwoordiger bevoegd handelt en een kerkgenootschap bindt ten opzichte van een derde.8 De wet vereist echter niet dat het statuut op schrift is gesteld. Omdat het statuut voor buitenstaanders niet altijd kenbaar is, is het lastig te achterhalen of de ‘vertegenwoordiger’ van het kerkgenootschap echt vertegenwoordigingsbevoegd is. Het risico van onbevoegde vertegenwoordiging van een kerkgenootschap ligt in beginsel bij de derde.9 In de praktijk wordt van het kerkgenootschap soms zekerheid gevraagd voor het nakomen van zijn contractuele verplichtingen, zoals een borgstelling.10 Ook kan het beginsel van bescherming van opgewekt vertrouwen de benadeelde derde bescherming bieden (art. 3:61 lid 2 BW): als de kerkelijke rechtspersoon bij de derde een sterke schijn van bevoegdheid van de ‘vertegenwoordiger’ om de kerkelijke rechtspersoon te vertegenwoordigen heeft gewekt, is de kerkelijke rechtspersoon toch gebonden.11 Naast dat het statuut niet voor derden kenbaar hoeft te zijn, mogen – zoals ik hierna zal uiteenzetten – om privacyredenen geen persoonsgegevens van bestuurders of andere vertegenwoordigers van kerkgenootschappen in openbare registers opgenomen worden. Al bij al is de vertegenwoordiging van kerkgenootschappen dus behoorlijk gecompliceerd. Van Kooten raadt daarom aan schriftelijke vastlegging van de vertegenwoordigingsregeling in een statuut en publicatie daarvan.12