Procestaal: Duits.
HvJ EU, 16-02-2023, nr. C-472/21
ECLI:EU:C:2023:105
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-02-2023
- Magistraten
E. Regan, D. Gratsias, M. Ilešič, I. Jarukaitis, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-472/21
- Conclusie
M. szpunar
- Roepnaam
Monz Handelsgesellschaft International
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:105, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑02‑2023
ECLI:EU:C:2022:656, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 08‑09‑2022
Uitspraak 16‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Intellectuele eigendom — Model — Richtlijn 98/71/EG — Artikel 3, leden 3 en 4 — Beschermingsvoorwaarden voor een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel — Begrippen ‘zichtbaarheid’ en ‘normaal gebruik’ — Zichtbaarheid van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel bij normaal gebruik van dat voortbrengsel door de eindgebruiker
E. Regan, D. Gratsias, M. Ilešič, I. Jarukaitis, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-472/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 1 juli 2021, ingekomen bij het Hof op 2 augustus 2021, in de procedure
Monz Handelsgesellschaft International mbH & Co. KG
tegen
Büchel GmbH & Co. Fahrzeugtechnik KG,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, D. Gratsias, M. Ilešič (rapporteur), I. Jarukaitis en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Monz Handelsgesellschaft International mbH & Co. KG, vertegenwoordigd door C. Rohnke en T. Winter, Rechtsanwälte,
- —
Büchel GmbH & Co. Fahrzeugtechnik KG, vertegenwoordigd door M. Pilla, Rechtsanwalt,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Gippini Fournier, J. Samnadda en T. Scharf als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 september 2022,
het navolgende
Arrest
1
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Monz Handelsgesellschaft International mbH & Co. KG (hierna: ‘Monz’) en Büchel GmbH & Co. Fahrzeugtechnik KG (hierna: ‘Büchel’) over een door deze laatste vennootschap ingestelde vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven nationaal model.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 98/71
3
Overweging 12 van richtlijn 98/71 luidt:
‘[…] bescherming [dient] zich niet […] uit te strekken tot die onderdelen die bij normaal gebruik van een voortbrengsel niet zichtbaar zijn, noch tot die kenmerken van een dergelijk onderdeel die onzichtbaar zijn wanneer dat onderdeel op zijn plaats is aangebracht, of die op zich niet aan de vereisten van nieuwheid en eigen karakter zouden voldoen; […] met kenmerken van een model die om deze redenen van bescherming worden uitgesloten, [mag] geen rekening […] worden gehouden bij het beoordelen of andere kenmerken van het model aan de vereisten voor bescherming voldoen’.
4
Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Definities’, bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- a)
‘model’: de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan;
- b)
‘voortbrengsel’: elk op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd voorwerp, met inbegrip van onder meer onderdelen die zijn bestemd om tot een samengesteld voortbrengsel te worden samengevoegd, verpakkingen, uitvoering, grafische symbolen en typografische lettertypen, doch niet computerprogramma's;
- c)
‘samengesteld voortbrengsel’: een voortbrengsel dat bestaat uit meerdere onderdelen die vervangen kunnen worden, zodat het voortbrengsel uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet kan worden.’
5
Artikel 3 van deze richtlijn, ‘Beschermingsvoorwaarden’, bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten beschermen modellen door middel van inschrijving en verlenen aan de houders ervan exclusieve rechten overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn.
- 2.
Een model wordt door een modelrecht beschermd voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft.
- 3.
Een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, wordt slechts geacht nieuw te zijn en een eigen karakter te hebben:
- a)
voor zover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar blijft; en
- b)
voor zover deze zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter voldoen.
- 4.
‘Normaal gebruik’ in de zin van lid 3, onder a), houdt het gebruik door de eindgebruiker in, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud[, service] of reparatie.’
6
Artikel 5 van deze richtlijn, ‘Eigen karakter’, bepaalt in lid 1:
‘Een model wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die vóór de datum van indiening van de aanvraag om inschrijving of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang voor het publiek beschikbaar zijn gesteld.’
Verordening nr. 6/2002
7
De overwegingen 9 en 12 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1) luiden als volgt:
- ‘(9)
De materiële bepalingen van deze verordening inzake het modellenrecht moeten worden afgestemd op de respectieve bepalingen in richtlijn [98/71].
[…]
- (12)
Bescherming dient zich niet uit te strekken tot die onderdelen die bij normaal gebruik van een voortbrengsel niet zichtbaar zijn, noch tot die kenmerken van een dergelijk onderdeel die onzichtbaar zijn wanneer dat onderdeel op zijn plaats is aangebracht, of die op zich niet aan de vereisten van nieuwheid en eigen karakter zouden voldoen. Met kenmerken van een model die om deze redenen van bescherming worden uitgesloten, mag geen rekening worden gehouden bij het beoordelen of andere kenmerken van het model aan de vereisten voor bescherming voldoen.’
8
Artikel 4 van deze verordening, met als opschrift ‘Beschermingsvoorwaarden’, bepaalt:
- ‘1.
Een model wordt als gemeenschapsmodel beschermd voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft.
- 2.
Een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, wordt slechts geacht nieuw te zijn en een eigen karakter te hebben:
- a)
voor zover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar blijft; en
- b)
voor zover deze zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter voldoen.
- 3.
‘Normaal gebruik’ in de zin van lid 2, onder a), houdt het gebruik door de eindgebruiker in, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud, service of reparatie.’
Duits recht
9
§ 1, punt 4, en § 4 van het Gesetz über den rechtlichen Schutz von Design (wet inzake de rechtsbescherming van modellen) van 24 februari 2014 (BGBl. 2014 I, blz. 122), in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is (hierna: ‘DesignG’), zetten artikel 3, leden 3 en 4, van richtlijn 98/71 in nationaal recht om.
10
§ 1 DesignG, met als opschrift ‘Definities’, bepaalt in punt 3 dat een samengesteld voortbrengsel een voortbrengsel is dat bestaat uit meerdere onderdelen die kunnen worden vervangen, zodat het voortbrengsel uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet kan worden. Volgens § 1, punt 4, wordt onder ‘normaal gebruik’ het gebruik door de eindgebruiker verstaan, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud, service of reparatie.
11
§ 4 DesignG, met als opschrift ‘Onderdelen van samengestelde voortbrengselen’, bepaalt dat een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, slechts wordt geacht nieuw te zijn en een eigen karakter te hebben voor zover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar blijft en voor zover deze zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter voldoen.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12
Monz is een vennootschap naar Duits recht en houder van een model dat sinds 3 november 2011 bij het Deutsche Patent- und Markenamt (Duits octrooi- en merkenbureau; hierna: ‘DPMA’) is ingeschreven voor de voortbrengselen ‘fiets- en motorfietszadels’. Dat model is ingeschreven met één enkele afbeelding van de onderkant van een zadel waarop het volgende te zien is:
13
Büchel, een vennootschap naar Duits recht, heeft op 27 juli 2016 het DPMA verzocht om het in het hoofdgeding aan de orde zijnde model nietig te verklaren, op grond dat het niet zou voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van rechtsbescherming van modellen krachtens §4 DesignG. Zij heeft met name aangevoerd dat dit model, dat is toegepast op een zadel, te weten een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel zoals een ‘fiets’ of een ‘motorfiets’, bij normaal gebruik van dat voortbrengsel niet zichtbaar is.
14
Bij beslissing van 10 augustus 2018 heeft het DPMA de vordering tot nietigverklaring afgewezen, omdat er geen grond was om het in het hoofdgeding aan de orde zijnde model van bescherming uit te sluiten krachtens § 4 DesignG. Volgens het DPMA is het fietszadel waarop dit model is toegepast weliswaar een ‘onderdeel van een samengesteld voortbrengsel’, maar blijft dit onderdeel zichtbaar bij normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel. Volgens het DPMA omvat normaal gebruik van een dergelijk voortbrengsel ook ‘het demonteren en opnieuw monteren van het zadel anders dan voor onderhoud, service of reparatie’, waarbij onderhoud, service en reparatie zijn opgenomen in een uitputtende lijst van vormen van gebruik die van dit begrip zijn uitgesloten in de zin van § 1, punt 4, DesignG.
15
Büchel heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij het Bundespatentgericht (hoogste federale rechter in octrooizaken, Duitsland). Deze rechter heeft bij beslissing van 27 februari 2020 het in het hoofdgeding aan de orde zijnde model nietig verklaard op grond dat het niet voldeed aan de vereisten inzake nieuwheid en eigen karakter. Volgens deze rechter kan krachtens § 4 DesignG enkel meteen modelbescherming worden verleend aan de onderdelen die ‘na de montage/verwerking ervan in het samengestelde voortbrengsel zichtbaar blijven als bestanddelen van dat voortbrengsel’. Omgekeerd kan een onderdeel dat enkel zichtbaar is wanneer het is of wordt gescheiden van een samengesteld voortbrengsel, niet worden geacht te voldoen aan de voorwaarde van zichtbaarheid en kan het dus niet in aanmerking komen voor die bescherming. Bovendien heeft deze rechter enkel het berijden van een fiets en het op- en afstappen ervan als normaal gebruik in de zin van § 1, punt 4, DesignG aangemerkt. Volgens hem is de onderkant van het fietszadel bij dergelijk gebruik noch voor de eindgebruiker, noch voor een derde zichtbaar.
16
Monz heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter. Deze rechter is van oordeel dat de uitkomst van het hoofdgeding afhangt van de uitlegging van de begrippen ‘zichtbaarheid’ en ‘normaal gebruik’ in de zin van artikel 3, leden 3 en 4, van richtlijn 98/71.
17
De verwijzende rechter wijst er allereerst op dat hij het eens is met het Bundespatentgericht dat volgens de rechtspraak van het Hof, die met name voortvloeit uit het arrest van 20 december 2017, Acacia en D'Amato (C-397/16 en C-435/16, EU:C:2017:992, punt 64), een fiets een samengesteld voortbrengsel is en het zadel een onderdeel van dat voortbrengsel.
18
Deze rechter is van oordeel dat voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding in de eerste plaats moet worden bepaald of bij de beoordeling van het vereiste van ‘zichtbaarheid’ van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel bij ‘normaal gebruik’ van dit voortbrengsel rekening dient te worden gehouden met bepaalde omstandigheden waarin dit voortbrengsel wordt gebruikt of met een bepaalde optiek van de waarnemer, of integendeel, louter met de objectieve mogelijkheid om het model te herkennen dat is toegepast op het onderdeel zoals dat is verwerkt in het samengestelde voortbrengsel.
19
Dienaangaande zet de verwijzende rechter uiteen dat het Bundespatentgericht heeft geoordeeld dat het onderdeel zichtbaar moet blijven voor de eindgebruiker of een derde in het kader van het normale gebruik door de eindgebruiker van het samengestelde voortbrengsel waarin dat onderdeel is verwerkt. Daarentegen heeft verzoekster in het hoofdgeding betoogd dat het voor de bescherming van het model volstaat dat het kan worden geïdentificeerd wanneer het onderdeel waarop het is toegepast, in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt. Het is dus irrelevant of het model gemakkelijk kan worden waargenomen vanuit een bepaalde ‘optiek’.
20
21
Deze rechter is met name van oordeel dat de overweging, volgens welke een producent die het niet nodig acht om een model zichtbaar te presenteren, geen belang heeft bij het inroepen van bescherming van dat model, te simplistisch is, aangezien de houder van het model, de producent van het onderdeel en de producent van het samengestelde voortbrengsel niet noodzakelijkerwijs dezelfde persoon zijn.
22
Bovendien merkt hij op dat deze bepaling volgens de rechtsleer in strijd is met het beginsel dat reeds bij de inschrijving van het betrokken model moet vaststaan dat het voor modelbescherming in aanmerking komt.
23
24
Deze rechter is echter van oordeel dat de betekenis van het woord ‘zichtbaar’ in de omgangstaal weliswaar een objectieve opvatting suggereert, die betrekking heeft op de mogelijkheid om te worden waargenomen, maar dat uit de woorden ‘normaal gebruik’ niet kan worden afgeleid dat bepaalde vormen van waarneming van het samengestelde voortbrengsel zijn uitgesloten.
25
In de tweede plaats moeten de criteria worden vastgesteld die relevant zijn voor de beoordeling van het ‘normale gebruik’ van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker in de zin van artikel 3, lid 4, van deze richtlijn.
26
In dit verband rijst in het bijzonder de vraag of bij een dergelijke beoordeling rekening moet worden gehouden met het door de producent van het onderdeel of het samengestelde voortbrengsel beoogde gebruik, dan wel enkel met het gangbare gebruik van het samengestelde voortbrengsel door de eindgebruiker.
27
De verwijzende rechter is van oordeel dat de definitie van het begrip ‘normaal gebruik’ in artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 aldus kan worden opgevat dat volgens de Uniewetgever in beginsel elk gebruik van het samengestelde voortbrengsel door de eindgebruiker normaal gebruik uitmaakt, behoudens de in deze bepaling genoemde uitzonderingen.
28
De verwijzende rechter geeft aan dat de toepassing van het criterium van het door de producent van het onderdeel of het samengestelde voortbrengsel beoogde gebruik het volgens hem mogelijk zou maken om de uitsluiting van modelbescherming te voorkomen, aangezien het gebruik van het samengestelde voortbrengsel door de eindgebruikers dan irrelevant zou zijn. Hij herinnert evenwel aan zijn bezwaren met betrekking tot dit criterium die in punt 21 hierboven zijn vermeld.
29
In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of alleen het hoofdgebruik van het samengestelde voortbrengsel beslissend is, dan wel of andere vormen van gebruik van dit voortbrengsel in voorkomend geval in aanmerking moeten worden genomen.
30
In dit verband is hij voorstander van een ruime uitlegging van artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71, teneinde de gevolgen te minimaliseren van artikel 3, lid 3, van deze richtlijn, dat volgens de rechtsleer in strijd is met de logica van het stelsel van modelbescherming, en teneinde een groter verschil in behandeling te voorkomen tussen houders van modellen waarvan onderdelen van samengestelde voortbrengselen zijn voorzien en houders van andere modellen.
31
Tegen deze achtergrond heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Is een onderdeel waarin een model is verwerkt, ‘zichtbaar’ in de zin van artikel 3, lid 3, van [richtlijn 98/71] indien het objectief mogelijk is het model te herkennen in het onderdeel dat op zijn plaats is toegepast, of moet de vraag of dit onderdeel zichtbaar is, worden beoordeeld onder bepaalde gebruiksomstandigheden of vanuit een bepaalde optiek van een waarnemer?
- 2)
Indien de eerste vraag aldus moet worden beantwoord dat de zichtbaarheid onder bepaalde gebruiksomstandigheden of vanuit een bepaalde optiek van een waarnemer de bepalende factor is:
- a)
moet bij de beoordeling van het ‘normale gebruik’ van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker als bedoeld in artikel 3, leden 3 en 4, van [richtlijn 98/71] dan het door de fabrikant van het onderdeel of het samengestelde voortbrengsel beoogde gebruik in aanmerking worden genomen, dan wel het gangbare gebruik van het samengestelde voortbrengsel door de eindgebruiker?
- b)
aan de hand van welke criteria moet dan worden beoordeeld of het gebruik van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker ‘normaal’ is in de zin van artikel 3, leden 3 en 4, van [richtlijn 98/71]?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
32
Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, ten eerste, of artikel 3, leden 3 en 4, van richtlijn 98/71 aldus moet worden uitgelegd dat het vereiste van ‘zichtbaarheid’ waaraan krachtens deze bepaling dient te zijn voldaan opdat een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, modelbescherming kan genieten, moet worden beoordeeld op basis van bepaalde omstandigheden waarin dat samengestelde voortbrengsel wordt gebruikt, dan wel louter op basis van de objectieve mogelijkheid om het model te herkennen dat is toegepast op het onderdeel zoals dat is verwerkt in het samengestelde voortbrengsel, en, ten tweede, welke criteria relevant zijn voor de beoordeling van het ‘normale gebruik’ van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker.
33
Deze vragen zijn gerezen in een geding dat is ontstaan doordat Büchel nietigverklaring van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde model vordert. Volgens Büchel kan dit model immers geen modelbescherming genieten, aangezien het zadel, als onderdeel van een samengesteld voortbrengsel zoals een ‘fiets’ of ‘motorfiets’, niet zichtbaar is bij normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel.
34
Om te beginnen moet worden vastgesteld dat in casu het zadel van een fiets of motorfiets een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71 is, aangezien een fiets of motorfiets op zich een samengesteld voortbrengsel in de zin van artikel 1, onder c), van deze richtlijn vormt. Een zadel kan immers worden vervangen zodat de fiets of motorfiets uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet kan worden, en zonder dat zadel is geen normaal gebruik van het samengesteld voortbrengsel mogelijk (zie naar analogie arrest van 20 december 2017, Acacia en D'Amato, C-397/16 en C-435/16, EU:C:2017:992, punten 64–66).
35
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat volgens artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71, gelezen in het licht van overweging 12 ervan, een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, slechts wordt geacht nieuw te zijn en een eigen karakter te hebben voor zover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar blijft [onder a)] en voor zover deze zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter voldoen [onder b)].
36
37
Vervolgens zij eraan herinnerd dat overeenkomstig artikel 1, onder a), van richtlijn 98/71 de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel daarvan als model beschermd wordt krachtens deze richtlijn.
38
In de context van de modelbescherming waarin verordening nr. 6/2002 voorziet, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de verschijningsvorm het doorslaggevende element van een model is en dat het feit dat een kenmerk van een model zichtbaar is, een wezenlijke voorwaarde vormt om in aanmerking te komen voor die bescherming (zie in die zin arresten van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles, C-361/15 P en C-405/15 P, EU:C:2017:720, punten 62 en 63, en 28 oktober 2021, Ferrari, C-123/20, EU:C:2021:889, punt 30).
39
Wat in het bijzonder de modellen betreft die zijn verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, heeft het Hof gepreciseerd dat de verschijningsvorm van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel slechts als model kan worden beschermd indien dit onderdeel per definitie zichtbaar en afgebakend is door kenmerken die de bijzondere verschijningsvorm ervan uitmaken, te weten door lijnen, een omtrek, kleuren, vormen of een specifieke textuur. Dit veronderstelt dat de verschijningsvorm van dit onderdeel niet volledig opgaat in het voortbrengsel als geheel (zie in die zin arrest van 28 oktober 2021, Ferrari, C-123/20, EU:C:2021:889, punten 49 en 50).
40
In dit verband dient te worden geoordeeld dat diezelfde beginselen van toepassing zijn op het stelsel van modelbescherming waarin richtlijn 98/71 voorziet.
41
Zo stelt artikel 3, lid 3, onder a), van richtlijn 98/71 dat een onderdeel dat in een samengesteld voortbrengsel is verwerkt slechts modelbescherming kan genieten indien het bij normaal gebruik van dat voortbrengsel zichtbaar blijft. Bovendien dient de bescherming zich volgens overweging 12 van deze richtlijn niet uit te strekken tot de onderdelen die bij normaal gebruik van een voortbrengsel niet zichtbaar zijn, noch tot de kenmerken van een dergelijk onderdeel die onzichtbaar zijn wanneer dat onderdeel op zijn plaats is toegepast, of die op zich niet aan de vereisten van nieuwheid en eigen karakter zouden voldoen.
42
Deze beperking van de modelbescherming tot de zichtbare kenmerken van het betrokken onderdeel wordt verklaard door het feit dat de verschijningsvorm van dit onderdeel uitsluitend uit die kenmerken voortvloeit.
43
Een dergelijke uitlegging vindt steun in de opzet van richtlijn 98/71 en in het doel dat door artikel 3, lid 3, wordt nagestreefd. De bescherming van een model krachtens deze richtlijn geldt namelijk slechts voor de kenmerken die de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan bepalen. Een zichtbaar onderdeel draagt noodzakelijkerwijs bij tot de verschijningsvorm van het samengestelde voortbrengsel (zie naar analogie arrest van 20 december 2017, Acacia en D'Amato, C-397/16 en C-435/16, EU:C:2017:992, punt 73).
44
Bovendien blijkt duidelijk uit de bewoordingen van artikel 3, lid 3, onder a), van richtlijn 98/71 dat het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, slechts modelbescherming kan genieten indien het ‘bij normaal gebruik’ van dit voortbrengsel zichtbaar blijft.
45
Hieruit volgt dat een abstracte beoordeling van de zichtbaarheid van een in een samengesteld voortbrengsel verwerkt onderdeel, zonder verband met enige concrete situatie waarin dat voortbrengsel wordt gebruikt, niet volstaat opdat een dergelijk onderdeel modelbescherming kan genieten uit hoofde van richtlijn 98/71. In dit verband zij erop gewezen dat artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71 evenwel niet vereist dat een in een samengesteld voortbrengel verwerkt onderdeel te allen tijde in zijn geheel zichtbaar blijft wanneer het samengestelde voortbrengsel wordt gebruikt.
46
Zoals de advocaat-generaal in de punten 33 en 34 van zijn conclusie heeft benadrukt, kan de zichtbaarheid van een onderdeel dat is verwerkt in een samengesteld voortbrengsel in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 4, ervan, namelijk niet uitsluitend worden beoordeeld uit het oogpunt van de eindgebruiker van dat voortbrengsel. In dit verband moet ook rekening worden gehouden met de zichtbaarheid van een dergelijk onderdeel voor een externe waarnemer.
47
In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat volgens artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 het begrip ‘normaal gebruik’ van een samengesteld voortbrengsel wordt gedefinieerd als ‘het gebruik door de eindgebruiker […], met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud[, service] of reparatie’. Volgens deze definitie komt ‘normaal gebruik’ overeen met gebruik door de eindgebruiker. Gebruik door de eindgebruiker dat verband houdt met onderhoud, service of reparatie van het samengestelde voortbrengsel is uitdrukkelijk uitgesloten.
48
In dit verband moet worden vastgesteld of het begrip ‘normaal gebruik’ van een voortbrengsel door de eindgebruiker in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 overeenkomt met het door de producent of de ontwerper van het onderdeel beoogde gebruik, met het door de producent of de ontwerper van het samengestelde voortbrengsel beoogde gebruik, of met het door de eindgebruiker gangbare gebruik van het samengestelde voortbrengsel door de eindgebruiker.
49
Wat ten eerste de vraag betreft of ‘normaal gebruik’ van een samengesteld voortbrengsel overeenkomt met het door de producent van het onderdeel beoogde gebruik, met het door de producent van het samengestelde voortbrengsel beoogde gebruik, of met het gangbare gebruik van dit voortbrengsel door de eindgebruiker, moet meteen worden vastgesteld dat artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 overeenkomstig de bewoordingen ervan ziet op ‘normaal gebruik’ van het samengestelde voortbrengsel door de eindgebruiker.
50
In dit verband wordt in de Duitstalige versie van artikel 3, leden 3 en 4, van richtlijn 98/71 weliswaar ‘gebruik voor het beoogde doel’ (bestimmungsgemäße Verwendung) als criterium voor de zichtbaarheid van een in een samengesteld voortbrengsel verwerkt onderdeel gehanteerd, maar de andere taalversies van diezelfde bepalingen, zoals de Engelse (normal use), de Franse (utilisation normale), de Italiaanse (la normale utilizzazione), de Spaanse (la utilización normal) of de Nederlandse (normaal gebruik) versie, geven aan dat het in een samengesteld voortbrengsel verwerkte onderdeel zichtbaar moet blijven bij ‘normaal’ of ‘gangbaar’ gebruik van dat voortbrengsel.
51
Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in essentie heeft benadrukt, komt het normale of gangbare gebruik van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker in de regel overeen met gebruik dat beantwoordt aan het doel dat de producent of de ontwerper van dat voortbrengsel daarmee voor ogen had.
52
De Uniewetgever heeft evenwel — zoals de Commissie in wezen heeft opgemerkt — met het begrip ‘normaal gebruik’ willen verwijzen naar het gangbare gebruik van het samengestelde voortbrengsel door de eindgebruiker teneinde het gebruik van dit voortbrengsel in andere handelsstadia uit te sluiten en aldus een omzeiling van de voorwaarde van zichtbaarheid te voorkomen. De beoordeling van het ‘normale gebruik’ van een samengesteld voortbrengsel in de zin van artikel 3, lid 3, onder a), en lid 4, van richtlijn 98/71 kan dus niet uitsluitend worden gebaseerd op de bedoeling van de producent van het onderdeel of het samengestelde voortbrengsel.
53
Wat ten tweede de vraag betreft welk gebruik van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker een ‘normaal gebruik’ in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 vormt, moet vooraf worden opgemerkt dat het feit dat deze bepaling niet preciseert welk soort gebruik van een dergelijk voortbrengsel onder dit begrip valt en in het algemeen verwijst naar het gebruik van een dergelijk voortbrengsel door de eindgebruiker, pleit voor een ruime uitlegging van dat begrip.
54
Zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vergt het gebruik van een voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan in de praktijk vaak verschillende handelingen die kunnen worden verricht voordat of nadat het voortbrengsel deze hoofdfunctie vervult, zoals het stallen en vervoeren ervan. Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat ‘normaal gebruik’ van een samengesteld voortbrengsel in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 al deze handelingen dekt, met uitzondering van die welke uitdrukkelijk zijn uitgesloten in dat lid 4, te weten handelingen in verband met onderhoud, service en reparatie.
55
Derhalve moet het begrip ‘normaal gebruik’ in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 de handelingen omvatten die verband houden met het gangbare gebruik van een voortbrengsel alsmede andere handelingen die redelijkerwijs kunnen worden verricht bij een dergelijk gebruik en die uit het oogpunt van de eindgebruiker gangbaar zijn, daaronder begrepen handelingen die kunnen worden verricht voordat of nadat het voortbrengsel zijn hoofdfunctie vervult, zoals het stallen en vervoeren ervan.
56
Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 3, leden 3 en 4, van richtlijn 98/71 aldus moet worden uitgelegd dat het vereiste van ‘zichtbaarheid’ waaraan krachtens deze bepaling dient te zijn voldaan opdat een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, modelbescherming kan genieten, moet worden beoordeeld in het licht van een situatie van normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel, in die zin dat het betrokken onderdeel na de verwerking ervan in dat voortbrengsel zichtbaar blijft bij een dergelijk gebruik. Daartoe moet de zichtbaarheid van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel bij ‘normaal gebruik’ van dat voortbrengsel door de eindgebruiker worden beoordeeld uit het oogpunt van die gebruiker en uit dat van een externe waarnemer, met dien verstande dat dit normale gebruik de handelingen moet omvatten die worden verricht bij het hoofdgebruik van een samengesteld voortbrengsel alsmede de handelingen die gewoonlijk door de eindgebruiker in het kader van een dergelijk gebruik moeten worden verricht, met uitzondering van onderhoud, service en reparatie.
Kosten
57
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, leden 3 en 4, van richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen
moet aldus worden uitgelegd dat
het vereiste van ‘zichtbaarheid’ waaraan krachtens deze bepaling dient te zijn voldaan opdat een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, modelbescherming kan genieten, moet worden beoordeeld in het licht van een situatie van normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel, in die zin dat het betrokken onderdeel na de verwerking ervan in dat voortbrengsel zichtbaar blijft bij een dergelijk gebruik. Daartoe moet de zichtbaarheid van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel bij ‘normaal gebruik’ van dat voortbrengsel door de eindgebruiker worden beoordeeld uit het oogpunt van die gebruiker en uit dat van een externe waarnemer, met dien verstande dat dit normale gebruik de handelingen moet omvatten die worden verricht bij het hoofdgebruik van een samengesteld voortbrengsel alsmede de handelingen die gewoonlijk door de eindgebruiker in het kader van een dergelijk gebruik moeten worden verricht, met uitzondering van onderhoud, service en reparatie.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑02‑2023
Conclusie 08‑09‑2022
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Intellectuele eigendom — Ingeschreven model — Richtlijn 98/71/EG — Artikel 3, leden 3 en 4 — Beschermingsvoorwaarden voor een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel — Begrippen ‘zichtbaarheid’ en ‘normaal gebruik’ — Nieuwheid en eigen karakter — Zichtbaarheid van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel bij normaal gebruik van dat voortbrengsel’
M. szpunar
Partij(en)
Zaak C-472/211.
Monz Handelsgesellschaft International mbH & Co. KG
tegen
Büchel GmbH & Co. Fahrzeugtechnik KG
[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
De voorwaarden voor de bescherming van een model in het Unierecht zijn de nieuwheid en het eigen karakter ervan. De situatie is echter ingewikkelder wanneer het voortbrengsel waarop het betrokken model is toegepast, een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt. In een dergelijk geval wordt de bescherming slechts verleend op voorwaarde dat, ten eerste, dit onderdeel, nadat het is gemonteerd, zichtbaar blijft bij het gebruik van het samengestelde voortbrengsel waarvan het deel uitmaakt en, ten tweede, de zichtbare delen van dat onderdeel de vereiste kenmerken van nieuwheid en eigen karakter bezitten. Deze aanvullende voorwaarden zijn ingevoerd om monopolisering, door middel van het modelrecht, van de vervaardiging en de verhandeling van vervangingsonderdelen van samengestelde voortbrengselen, met name in de automobielsector, te voorkomen.2.
2.
Dit neemt niet weg dat de voorwaarden voor bescherming van modellen die worden toegepast op onderdelen van samengestelde voortbrengselen alle sectoren aangaan en het in de praktijk vaak moeilijk is om de begrippen ‘zichtbaarheid’ en ‘normaal gebruik’ van het voortbrengsel goed uit te leggen. De onderhavige zaak heeft betrekking op deze uitlegging.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3.
Artikel 1 van richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen3. luidt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- a)
‘model’: de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan;
- b)
‘voortbrengsel’: elk op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd voorwerp, met inbegrip van onder meer onderdelen die zijn bestemd om tot een samengesteld voortbrengsel te worden samengevoegd, verpakkingen, uitvoering, grafische symbolen en typografische lettertypen, doch niet computerprogramma's;
- c)
‘samengesteld voortbrengsel’: een voortbrengsel dat bestaat uit meerdere onderdelen die vervangen kunnen worden, zodat het voortbrengsel uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet kan worden.’
4.
Artikel 3, leden 3 en 4, van die richtlijn bepaalt:
- ‘3.
Een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, wordt slechts geacht nieuw te zijn en een eigen karakter te hebben:
- a)
voor zover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar blijft, en
- b)
voor zover deze zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter voldoen.
- 4.
‘Normaal gebruik’ in de zin van lid 3, onder a), houdt het gebruik door de eindgebruiker in, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud, service of reparatie.’
Duits recht
5.
§ 1, punt 4, en § 4 van het Gesetz über den rechtlichen Schutz von Design (wet inzake de rechtsbescherming van modellen) van 24 februari 20144., in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is (hierna: ‘DesignG’), zetten in wezen letterlijk artikel 3, leden 3 en 4, van richtlijn 98/71 in nationaal recht om. Het begrip bestimmungsgemäße Verwendung, dat in de Duitse taalversie van die richtlijn, en dus in de DesignG, wordt gehanteerd om het ‘normale gebruik’ aan te duiden, lijkt echter te leiden tot een restrictievere uitlegging dan die welke uit andere taalversies van die richtlijn lijkt voort te vloeien.
Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
6.
Monz Handelsgesellschaft International mbH Co. KG (hierna: ‘Monz’) is een vennootschap naar Duits recht en houdster van model nr. 40 2011 004 383-0001, dat sinds 3 november 2011 bij het Deutsche Patent- und Markenamt (Duits octrooi- en merkenbureau; hierna: ‘DPMA’) is ingeschreven voor de voortbrengselen ‘fiets- en motorfietszadels’. Het model is ingeschreven met één enkele afbeelding van de onderkant van een zadel waarop het volgende te zien is:

7.
Büchel GmbH & Co. Fahrzeugtechnik KG (hierna: ‘Büchel’), eveneens een vennootschap naar Duits recht, heeft op 27 juli 2016 het DPMA verzocht om het litigieuze model nietig te verklaren op grond dat het niet zou voldoen aan de beschermingsvoorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter. Het model zou niet in aanmerking komen voor bescherming krachtens § 4 DesignG, omdat het, als een onderdeel van het samengestelde voortbrengsel ‘fiets’ of ‘motorfiets’, bij normaal gebruik daarvan niet zichtbaar is.
8.
Bij beslissing van 10 augustus 2018 heeft het DPMA de vordering tot nietigverklaring afgewezen, omdat er geen grond was om het litigieuze model van bescherming uit te sluiten krachtens § 4 van het DesignG. Volgens dit bureau is het aangevraagde model voor ‘fiets- [of] motorfietszadels’ weliswaar een ‘onderdeel van een samengesteld voortbrengsel’, maar dit onderdeel blijft zichtbaar bij normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel. Volgens het DPMA omvat een normaal gebruik ook ‘het demonteren en opnieuw monteren van het zadel anders dan voor onderhoud of reparatie’, temeer daar § 1, punt 4, DesignG ‘een uitputtende lijst van niet-normaal gebruik in de zin van § 4 DesignG bevat, die als uitzondering is bedoeld en derhalve strikt moet worden uitgelegd’.5. Het DPMA was van mening dat uit deze bepaling bleek dat ‘elk gebruik door de eindgebruiker anders dan handelingen in verband met onderhoud of reparatie […] dus een normaal gebruik vormt’.
9.
Nadat Büchel tegen deze beslissing was opgekomen, heeft het Bundespatentgericht (hoogste federale rechter in octrooizaken, Duitsland) bij beslissing van 27 februari 2020 het litigieuze model nietig verklaard op grond dat het niet voldeed aan de vereisten inzake nieuwheid en eigen karakter. Volgens deze rechter kan krachtens § 4 DesignG enkel meteen modelbescherming worden verleend aan onderdelen die ‘na de montage/verwerking ervan in het samengestelde voortbrengsel zichtbaar blijven als bestanddelen van dat voortbrengsel’. Omgekeerd kan het feit dat een onderdeel enkel zichtbaar is wanneer het is of wordt gescheiden van het samengestelde voortbrengsel, niet worden beschouwd als zijnde zichtbaarheid die in de weg staat aan de uitsluiting van bescherming krachtens § 4 DesignG. Voornoemde rechter heeft enkel het berijden van een fiets en het op- en afstappen van een fiets als normaal gebruik in de zin van § 1, punt 4, DesignG aangemerkt. Volgens hem is de onderkant van het fietszadel bij dergelijk gebruik noch voor de eindgebruiker, noch voor een derde zichtbaar. Tegen deze beslissing heeft Monz cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter.
10.
Het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Is een onderdeel waarin een model is verwerkt, ‘zichtbaar’ in de zin van artikel 3, lid 3, van [richtlijn 98/71] indien het objectief mogelijk is het model te herkennen in het onderdeel dat op zijn plaats is aangebracht, of moet de vraag of dit onderdeel zichtbaar is, worden beoordeeld onder bepaalde gebruiksomstandigheden of vanuit een bepaalde optiek van een waarnemer?
- 2)
Indien de eerste vraag aldus moet worden beantwoord dat de zichtbaarheid onder bepaalde gebruiksomstandigheden of vanuit een bepaalde optiek van een waarnemer de bepalende factor is:
- a)
moet bij de beoordeling van het ‘normale gebruik’ van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker als bedoeld in artikel 3, leden 3 en 4, van [richtlijn 98/71] dan het door de fabrikant van het onderdeel of het samengestelde voortbrengsel beoogde gebruik in aanmerking worden genomen, dan wel het gangbare gebruik van het samengestelde voortbrengsel door de eindgebruiker?
- b)
aan de hand van welke criteria moet dan worden beoordeeld of het gebruik van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker ‘normaal’ is in de zin van artikel 3, leden 3 en 4, van [richtlijn 98/71]?’
11.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 2 augustus 2021 ingekomen bij het Hof. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door partijen in het hoofdgeding en de Europese Commissie. Er is geen terechtzitting gehouden.
Analyse
12.
Ik herinner eraan dat de rechter in eerste aanleg in het hoofdgeding het model in kwestie nietig heeft verklaard door te oordelen dat het normale gebruik van een fiets bestaat in het berijden ervan en, bijkomend, in het op- en afstappen, waarbij de onderkant van het zadel normaal gesproken niet zichtbaar is, in strijd met het vereiste van de Duitse bepalingen tot omzetting van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71.
13.
Tegen de achtergrond van deze beoordeling dienen de onderhavige prejudiciële vragen te worden begrepen. De verwijzende rechter wenst ten eerste te vernemen of de rechter in eerste aanleg terecht heeft geoordeeld dat enkel rekening diende te worden gehouden met de zichtbaarheid van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel in een situatie waarin een dergelijk voortbrengsel wordt gebruikt (eerste vraag), en ten tweede of enkel het gebruik van dit voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan, die in casu erin bestaat zich op de fiets zittend te verplaatsen, relevant is (tweede vraag).
Eerste prejudiciële vraag
14.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71 aldus moet worden uitgelegd dat een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel vormt van een samengesteld voortbrengsel, voor bescherming in aanmerking komt wanneer dit onderdeel in abstracto zichtbaar is, dan wel wanneer dit onderdeel zichtbaar is in de situatie van normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel.
15.
Artikel 3, lid 3, onder b), van richtlijn 98/71 vereist eveneens dat de zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig voldoen aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter. De prejudiciële vragen stellen dit aspect weliswaar niet uitdrukkelijk aan de orde, maar het is impliciet erin vervat. Het is in het hoofdgeding immers duidelijk dat het gaat om de zichtbaarheid van de onderkant van een zadel, dat wil zeggen van de plaats waar het model in kwestie is toegepast. Voorts geldt krachtens artikel 7 van deze richtlijn een modelrecht niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie worden bepaald. Dit lijkt hier echter niet het geval te zijn. Hoe dan ook lijkt een dergelijk bezwaar niet te zijn opgeworpen met betrekking tot het model dat in het hoofdgeding aan de orde is.
16.
Om te beginnen moet in navolging van de verwijzende rechter worden opgemerkt dat de rechter in eerste aanleg de fiets- en motorfietszadels terecht heeft gekwalificeerd als ‘onderdelen van een samengesteld voortbrengsel’ in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71.
17.
Voorts heeft deze rechter de beslissing van het DPMA terecht vernietigd, voor zover dit bureau heeft geoordeeld dat het volstond dat de onderkant van een zadel zichtbaar is bij het monteren van het zadel op een fiets en het demonteren ervan. Artikel 3, lid 3, onder a), van richtlijn 98/71 geeft immers duidelijk aan dat het onderdeel, ‘wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt’, zichtbaar moet blijven. Dit sluit uit dat rekening wordt gehouden met de zichtbaarheid van het onderdeel bij het monteren of demonteren ervan, los van de vraag of deze handelingen gangbaar zijn bij het gebruik van een voortbrengsel.
18.
Wat nu de prejudiciële vraag betreft, zijn de bewoordingen van artikel 3, lid 3, onder a), van richtlijn 98/71 niet zo duidelijk als op het eerste gezicht lijkt. Zoals Monz in haar opmerkingen benadrukt, vereist deze bepaling immers dat het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit voortbrengsel zichtbaar ‘blijft’6.. Deze formulering kan aldus worden uitgelegd dat het volstaat dat het onderdeel in kwestie na montage ervan op het samengestelde voortbrengsel niet volledig wordt bedekt, zodat het kan worden waargenomen, zelfs louter theoretisch en los van de — eventueel ongebruikelijke — invalshoek die daartoe noodzakelijk is. Aldus zouden uitsluitend modellen die zijn toegepast op onderdelen die slechts zichtbaar zijn indien maatregelen worden genomen die niet vallen onder een normaal gebruik van een voortbrengsel, met name het demonteren ervan, zijn uitgesloten van de bescherming uit hoofde van deze richtlijn.
19.
Deze uitlegging is evenwel in strijd met de bewoordingen van het tweede deel van artikel 3, lid 3, onder a), van richtlijn 98/71, volgens hetwelk het betrokken onderdeel zichtbaar moet zijn ‘bij’7. normaal gebruik van het samengestelde voortbrengsel. Zoals de verwijzende rechter en de Commissie naar mijn mening terecht opmerken, sluit deze uitdrukking de gevallen uit waarin het onderdeel slechts zichtbaar is in situaties die zich niet voordoen bij normaal gebruik van het voortbrengsel in kwestie.
20.
Bovendien is, zoals de Commissie in wezen opmerkt, overeenkomstig artikel 1, onder a), van richtlijn 98/71 het voorwerp van de bescherming van modellen krachtens deze richtlijn de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan. Ofschoon onderdelen die zijn bestemd om te worden verwerkt in een samengesteld voortbrengsel, zelf voortbrengselen zijn in de zin van artikel 1, onder b), van deze richtlijn, genieten zij slechts bescherming indien zij na die verwerking zichtbaar zijn. Het is dus de verschijningsvorm van het onderdeel in het samengestelde voortbrengsel dat bescherming geniet. Het is mijns inziens evenwel moeilijk om te spreken over de verschijningsvorm van een voortbrengsel wanneer dit, eenmaal verwerkt in een samengesteld voortbrengsel, zelfs zonder volledig bedekt en aan het zicht onttrokken te zijn, slechts in zeldzame en ongebruikelijke situaties zichtbaar is, gelet op het normale gebruik van dit samengestelde voortbrengsel.
21.
Gelet op het voorgaande geef ik in overweging, op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71 aldus moet worden uitgelegd dat een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, slechts in aanmerking komt voor bescherming krachtens deze richtlijn indien het onderdeel in kwestie zichtbaar is in de situatie van normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel.
22.
Bijgevolg is de crux in de onderhavige zaak gelegen in de uitlegging van het begrip ‘normaal gebruik’ in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71, waarop de tweede prejudiciële vraag betrekking heeft.
Tweede prejudiciële vraag
23.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘normaal gebruik’ uitsluitend ziet op het gebruik van het samengestelde voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan8., dan wel op alle situaties die zich bij het gebruik van een dergelijk voortbrengsel door de eindgebruiker redelijkerwijs kunnen voordoen9..
24.
Deze vraag sluit aan bij de conclusie van de rechter in eerste aanleg, die het berijden van een fiets als ‘normaal gebruik’ heeft aangemerkt, alsmede, bijkomend, het op- en afstappen. Volgens deze rechter is de onderkant van het fietszadel in die situaties echter niet zichtbaar, zodat een op die plaats toegepast model niet zichtbaar is bij normaal gebruik in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71.
25.
Het is juist dat het Gerecht een dergelijke, en zelfs nog restrictievere, benadering heeft gekozen in zijn — overigens zeldzame — arresten betreffende de uitlegging van artikel 4, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/200210., dat in het Uniestelsel van modelbescherming overeenstemt met artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71. Het Gerecht is van oordeel dat voor de beoordeling van de vraag of een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel zichtbaar is, enkel moet worden uitgegaan van het oogpunt van de eindgebruiker van dit samengestelde voortbrengsel bij het gebruik volgens de hoofdfunctie ervan11..
26.
Wanneer deze benadering wordt toegepast op fietszadels, leidt dat tot het ongewenste resultaat dat geen enkel op een zadel toegepast model voor bescherming in aanmerking komt, aangezien het zadel bij het hoofdgebruik van een fiets, dat wil zeggen tijdens het berijden ervan, volledig wordt bedekt door het zitvlak van de gebruiker, met uitzondering van de onderkant van dit zadel, die sowieso onzichtbaar blijft.
27.
De rechter in eerste aanleg in het hoofdgeding was zich bewust van dit resultaat en heeft in het begrip ‘normaal gebruik’ de handeling bestaande in het op- en afstappen van de fiets opgenomen. Hij heeft echter met name het stallen en vervoeren van de fiets van dit begrip uitgesloten als aan het gebruik voorafgaande of daaropvolgende handelingen. Deze redenering overtuigt mij niet. Als enkel het berijden van een fiets als ‘normaal gebruik’ wordt beschouwd, dan is het op- en afstappen — net als het stallen en vervoeren — ook een daaraan voorafgaande of daaropvolgende handeling. Het onderscheid tussen deze handelingen lijkt mij dan ook arbitrair.
28.
Mijns inziens leidt deze benadering echter tot een te enge definitie van het begrip ‘normaal gebruik’ in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71, waarbij de bescherming van modellen die worden toegepast op onderdelen van samengestelde voortbrengselen op ongerechtvaardigde wijze wordt beperkt.
29.
Algemeen wordt erkend dat de bestaansreden van de specifieke Unierechtelijke regeling inzake de bescherming van modellen die worden toegepast op onderdelen van samengestelde voortbrengselen, is gelegen in de wens om monopolisering, via het modelrecht, van de markt van vervangingsonderdelen te voorkomen. Deze regeling is echter in de rechtsleer sterk bekritiseerd12., aangezien zij een ongerechtvaardigde beperking vormt van de bescherming die wordt verleend aan modellen die worden toegepast op onderdelen van samengestelde voortbrengselen ten opzichte van die welke wordt verleend aan modellen die worden toegepast op andere voortbrengselen.
30.
Deze kritiek is niet ongegrond. Modellen die worden toegepast op voortbrengselen die niet bedoeld zijn om in samengestelde voortbrengselen te worden verwerkt, worden beschermd ongeacht of zij ‘bij normaal gebruik’ zichtbaar zijn. Aangezien het model wordt omschreven als de verschijningsvorm van een voortbrengsel ‘of een deel ervan’13., kunnen modellen worden beschermd die zijn toegepast op delen van voortbrengselen die bij het gebruik van het voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan niet zichtbaar zijn, zoals de zolen van schoenen of de voering van een jas14..
31.
De monopolisering van de markt van een voortbrengsel via de aan modellen verbonden rechten vormt stellig misbruik dat zo veel mogelijk moet worden vermeden. Dit resultaat kan met name worden bereikt dankzij de voorwaarden van nieuwheid en eigen karakter waaraan een model moet voldoen, zoals die welke worden gesteld in artikel 3, lid 2, van richtlijn 98/71. Daarentegen dient artikel 3, lid 3, van deze richtlijn naar mijn mening aldus te worden uitgelegd dat de bescherming van modellen die zijn toegepast op vervangingsonderdelen, niet overmatig wordt beperkt. De omvang van een dergelijke uit deze bepaling voortvloeiende beperking hangt echter grotendeels af van de uitlegging van het begrip ‘normaal gebruik’.
32.
‘Normaal gebruik’ ziet volgens artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 op het gebruik door de eindgebruiker, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud en reparatie. Dit impliceert uiteraard in de eerste plaats een gebruik. Het demonteren of het vernietigen van een voortbrengsel vormt geen gebruik ervan. Met dit voorbehoud voor ogen dient de onderstaande uiteenzetting te worden gelezen.
33.
Ten eerste verwijst deze korte definitie weliswaar naar de eindgebruiker, maar het is mijns inziens onjuist om daaruit af te leiden, zoals het Gerecht doet in de in punt 25 van deze conclusie aangehaalde arresten, dat de zichtbaarheid van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel uitsluitend moet worden beoordeeld uit het oogpunt van de eindgebruiker van dat voortbrengsel. Het gebruik ‘door de eindgebruiker’ beschrijft enkel de situaties waarin deze zichtbaarheid moet worden beoordeeld, met uitsluiting van situaties die geen verband houden met de eindgebruiker, zoals de vervaardiging, de verhandeling en, eventueel, de vernietiging of recycling aan het einde van de levensduur van het voortbrengsel. Het is ook in deze logica dat artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 handelingen in verband met onderhoud en reparatie uitdrukkelijk uitsluit van het begrip ‘normaal gebruik’. Deze handelingen worden verricht in de periode waarin een voortbrengsel door de eindgebruiker ervan wordt gebruikt, maar worden dikwijls door derden verricht.
34.
Bijgevolg vereist artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 4, ervan, weliswaar dat het onderdeel van een samengesteld voortbrengsel bij het gebruik van dit voortbrengsel door de eindgebruiker zichtbaar is, maar deze bepaling kan niet aldus worden opgevat dat zij vereist dat dit onderdeel zichtbaar is voor die eindgebruiker. De zichtbaarheid voor externe waarnemers telt ook. Overigens is het design bedoeld om kopers aan te trekken voor de voortbrengselen, en omvat dit ook het vermogen om deze kopers in staat te stellen indruk te maken op anderen15..
35.
Mocht het oogpunt van de eindgebruiker doorslaggevend zijn, dan zou bovendien nauwkeurig moeten worden bepaald wie deze eindgebruiker is. Ofschoon dit relatief gemakkelijk kan zijn in het geval van een voortbrengsel als een fiets, kan dit in andere situaties veel moeilijker blijken. Wie is bijvoorbeeld de eindgebruiker van een bus: de chauffeur, de passagiers, het personeel van de vervoersonderneming die de bus exploiteert? Al deze personen hebben een ander oogpunt en andere onderdelen van de bus kunnen voor hen zichtbaar zijn, met name bij het gebruik van deze bus volgens de hoofdfunctie ervan, dat wil zeggen tijdens het traject.
36.
Evenmin mag het in artikel 3, lid 4 van richtlijn 98/71 genoemde begrip ‘eindgebruiker’ van een samengesteld voortbrengsel worden verward met het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ als bedoeld in artikel 5, lid 1, van deze richtlijn.16. Dit tweede begrip doelt op de fictieve persoon die als standaard geldt bij de beoordeling van het eigen karakter van een model, terwijl het begrip ‘eindgebruiker’ slaat op een louter hypothetische figuur voor wie het samengestelde voortbrengsel is bestemd dat een onderdeel bevat waarop een model is toegepast. De vraag of deze eindgebruiker in staat is om het eigen karakter van dit model te onderscheiden, en dus of hij een geïnformeerde gebruiker is, is hier van geen enkel belang.
37.
Tot slot impliceert de loutere inaanmerkingneming van het oogpunt van de eindgebruiker logischerwijze dat het begrip ‘normaal gebruik’ aldus moet worden opgevat dat het uitsluitend betrekking heeft op het gebruik van een voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan. In andere gevallen waarin een voortbrengsel wordt gebruikt, neemt de gebruiker immers geen ander gezichtspunt in dan dat van derden. Zoals ik hieronder zal uiteenzetten, is een dergelijke restrictieve uitlegging van het begrip ‘normaal gebruik’ net zo ongerechtvaardigd als het standpunt dat moet worden uitgegaan van het enkele oogpunt van de eindgebruiker.
38.
Ten tweede, zoals ook de Commissie opmerkt, is het mijns inziens immers onjuist om het normale gebruik van een voortbrengsel gelijk te stellen met de hoofdfunctie waarvoor dit voortbrengsel is bestemd. In de praktijk vergt het gebruik van een voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan vaak verschillende handelingen die kunnen worden verricht voordat of nadat het voortbrengsel zijn hoofdfunctie vervult, zoals het stallen en vervoeren ervan. Wanneer het voortbrengsel een vervoermiddel is, komen daarbij nog de handelingen bestaande in het op- en afstappen — c.q. in- en uitstappen — en het laden en lossen van bagage of goederen.
39.
Niets in de bewoordingen van artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 gebiedt dat dergelijke handelingen van het begrip ‘normaal gebruik’ worden uitgesloten. Integendeel, in de definitie van dit begrip in deze bepaling wordt enkel gesproken van ‘gebruik door de eindgebruiker’. Voor de kwalificatie van een gebruik als ‘normaal’ hoeft geen aanvullend kenmerk van het gebruik te worden gezocht. Bijgevolg moeten alle handelingen die door de eindgebruiker van een voortbrengsel in het kader van het gebruik van het voortbrengsel kunnen worden ondernomen, onder het begrip ‘normaal gebruik’ vallen, met uitzondering van die welke daarvan uitdrukkelijk zijn uitgesloten17..
40.
Het doel van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71 pleit er evenmin voor dat andere handelingen dan die welke op de hoofdfunctie van het voortbrengsel betrekking hebben, worden uitgesloten van het begrip ‘normaal gebruik’. Dit doel is het vermijden van monopolisering, via modelbescherming, van de markt van vervangingsonderdelen die niet zichtbaar zijn wanneer zij eenmaal in het samengestelde voortbrengsel zijn verwerkt, aangezien een model dat eventueel op een dergelijk onderdeel is toegepast, niet of slechts zeer weinig bijdraagt tot de verschijningsvorm van dit samengestelde voortbrengsel. De verschijningsvorm van een voortbrengsel blijkt evenwel niet alleen bij gebruik volgens de hoofdfunctie ervan, maar ook wanneer vóór en na dit gebruik handelingen worden verricht die daarmee verband houden. Het feit dat deze handelingen onder het begrip ‘normaal gebruik’ vallen, doet dus niet af aan de doelstelling om monopolisering van de markt te voorkomen.
41.
Ten derde en tot slot sluit artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 weliswaar uitdrukkelijk onderhoud en reparatie uit van het begrip ‘normaal gebruik’, maar deze uitsluiting mag mijns inziens niet te ruim worden uitgelegd. Bepaalde handelingen die met name verband houden met onderhoud, maken integrerend onderdeel uit van het gebruik van bepaalde voortbrengselen. Ik denk hier in de eerste plaats aan het wassen en het reinigen. Naar mijn mening zou het tegen iedere logica ingaan om het wassen en het reinigen uit te sluiten van het begrip ‘normaal gebruik’, onder meer omdat bij bepaalde voortbrengselen het regelmatig reinigen een gebruiksvoorwaarde is18.. In de tweede plaats kan worden gedacht aan de gebruikelijke onderhoudshandelingen die normaliter door de eindgebruiker van een voortbrengsel worden verricht en die vaak een voorwaarde zijn voor het gebruik ervan, zoals de vervanging van verbruiksproducten en bedrijfsvloeistoffen, het oppompen van de banden van voertuigen of het vullen van het brandstofreservoir van voortbrengselen met een verbrandingsmotor. In de derde en laatste plaats kan worden gedacht aan het oplossen van kleine storingen, zoals vastgelopen papier in een printer. Al deze handelingen zijn onontbeerlijk in het kader van het gebruik van een voortbrengsel door de eindgebruiker en moeten dus onder het begrip ‘normaal gebruik’ vallen.
42.
Handelingen die daarentegen van dit begrip zijn uitgesloten, zijn handelingen die bovenop het gebruik van het voortbrengsel worden verricht, zoals de technische keuring, het periodiek onderhoud of de reparatie in eigenlijke zin.19. Deze handelingen worden doorgaans niet door de eindgebruiker van het voortbrengsel, maar door gespecialiseerde personen verricht, en kunnen voorts meebrengen dat een samengesteld voortbrengsel gedeeltelijk uit elkaar wordt gehaald of vanuit een ongebruikelijke invalshoek wordt bekeken, waardoor onderdelen verschijnen die bij het gebruik van het voortbrengsel normaliter onzichtbaar blijven. Deze twee bijzonderheden rechtvaardigen dat deze handelingen van het begrip ‘normaal gebruik’ worden uitgesloten.
43.
Wanneer bij de beoordeling van de vraag of een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel zichtbaar is, plaats wordt ingeruimd voor het oogpunt van andere personen dan de enkele eindgebruiker van het samengestelde voortbrengsel, en onder het begrip ‘normaal gebruik’ ook andere handelingen worden opgenomen dan het enkele gebruik van een voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan, kan rekening worden gehouden met invalshoeken die net zo relevant zijn om de verschijningsvorm van een voortbrengsel te onthullen als de invalshoek die de gebruiker heeft bij het gebruik van het voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan. Naar mijn mening is deze uitkomst niet alleen verenigbaar met de letter en de doelstelling van artikel 3, leden 3 en 4, van richtlijn 98/71, maar ook volkomen gerechtvaardigd. Indien een model dat op de onderkant van een schoenzool is toegepast, bescherming kan genieten krachtens deze richtlijn20., zie ik niet in waarom een model dat is toegepast op de onderkant van een fietszadel, zoals in casu, die bescherming niet zou genieten. De enige grond die dat verschil zou kunnen rechtvaardigen, is dat het zadel van de fiets kan worden afgehaald21., terwijl de zool niet (zo gemakkelijk) van een schoen kan worden losgemaakt.
44.
Het is juist dat een dergelijke ruime uitlegging van het begrip ‘normaal gebruik’ nagenoeg alle situaties omvat waarin een voortbrengsel wordt gebruikt, met uitzondering van situaties waarbij het wordt gedemonteerd en het demonteren ervan geen deel uitmaakt van het normale gebruik. Men kan zich dus afvragen of het niet eenvoudiger is om de eerste prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden dat de zichtbaarheid van het onderdeel waarop een model is toegepast, abstract wordt beoordeeld, zonder verband met enige concrete situatie waarin het samengestelde voortbrengsel in kwestie wordt gebruikt.
45.
Ik geef toe dat het verschil hoofdzakelijk begripsmatig is. Het heeft niettemin praktische gevolgen, aangezien de ene of de andere uitlegging de bewijslast zou wijzigen die rust op degene die bescherming wenst te genieten voor een model dat is toegepast op een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel. Overigens kan het voorkomen dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel, hoewel het in absolute zin zichtbaar is omdat het niet bedekt is, in geen enkele situatie van normaal gebruik zichtbaar is.22. Bovendien zou — zoals ik in het kader van de analyse van de eerste prejudiciële vraag heb opgemerkt — de in het voorgaande punt genoemde uitlegging onverenigbaar zijn met de letter van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71.
46.
Ik geef derhalve in overweging om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘normaal gebruik’ ziet op alle situaties die zich redelijkerwijs kunnen voordoen bij het gebruik van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker.
Conclusie
47.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen moet aldus worden uitgelegd dat een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, slechts in aanmerking komt voor bescherming krachtens deze richtlijn indien het onderdeel in kwestie zichtbaar is in de situatie van normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel.
- 2)
Artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 moet aldus worden uitgelegd dat het begrip ‘normaal gebruik’ ziet op alle situaties die zich redelijkerwijs kunnen voordoen bij het gebruik van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑09‑2022
Oorspronkelijke taal: Frans.
De automobielsector onderscheidt zich door de hoge prijzen van reserveonderdelen en door relatief hoge schadecijfers als gevolg van verkeersongevallen. De markt van reserveonderdelen in deze sector is dus bijzonder winstgevend.
PB 1998, L 289, blz. 28.
BGBl. I, blz. 122.
Het gaat om handelingen in verband met onderhoud en reparatie, die krachtens artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 van het begrip ‘normaal gebruik’ zijn uitgesloten.
Hetzelfde geldt onder meer in de Spaanse (sigue siendo), de Duitse (bleibt), de Engelse (remains), de Italiaanse (rimane) en de Poolse taalversie (pozostaje).
Alsook in onder meer de Spaanse (durante), de Duitse (bei), de Engelse (during), de Italiaanse (durante) en de Poolse taalversie (podczas).
In het licht van de uitleg in het verzoek om een prejudiciële beslissing vat ik het door de verwijzende rechter in de tweede prejudiciële vraag gebruikte begrip ‘door de fabrikant van het onderdeel of het samengestelde voortbrengsel beoogde gebruik’ aldus op.
‘Gangbaar gebruik’ in de bewoordingen van de tweede prejudiciële vraag.
Verordening van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).
Zie arresten van 9 september 2011, Kwang Yang Motor/BHIM — Honda Giken Kogyo (Verbrandingsmotor) (T-10/08, niet gepubliceerd, EU:T:2011:446, punten 21 en 22), en Kwang Yang Motor/BHIM — Honda Giken Kogyo (Verbrandingsmotor) (T-11/08, niet gepubliceerd, EU:T:2011:447, punten 21 en 22), alsmede van 14 maart 2017, Wessel-Werk/EUIPO — Wolf PVG (Mondstukken voor stofzuigers) (T-174/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:161, punt 30), en Wessel-Werk/EUIPO — Wolf PVG (Mondstukken voor stofzuigers) (T-175/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:160, punt 30).
Zie Hasselblatt, G. N., in Hasselblatt, G. N. (red.), Community Design Regulation (EC) nr. 6/2002. A Commentary, C. H. Beck, München, 2015, blz. 62 en aldaar aangehaalde literatuur.
Artikel 1, onder a), van richtlijn 98/71.
Aangezien deze delen niet kunnen worden verwijderd, worden zij niet beschouwd als onderdelen van samengestelde voortbrengselen in de zin van artikel 1, onder c), van richtlijn 98/71.
Om ‘op te scheppen’, om de gangbare uitdrukking te gebruiken.
Deze fout lijkt het Gerecht te hebben gemaakt in zijn arresten van 14 maart 2017, Wessel-Werk/EUIPO — Wolf PVG (Mondstukken voor stofzuigers) (T-174/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:161, punt 30), en Wessel-Werk/EUIPO — Wolf PVG (Mondstukken voor stofzuigers) (T-175/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:160, punt 30), door te verwijzen naar het ‘normale gebruik door een geïnformeerde eindgebruiker, in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), en lid 3, van verordening nr. 6/2002, van een stofzuiger of stofzuigermondstuk voor reinigingsdoeleinden’.
Te weten onderhoud en reparatie.
Een grasmaaier of een koffiezetapparaat, om slechts twee voorbeelden te geven.
Niettemin moet worden opgemerkt dat voor het gebruik van modellen die zijn toegepast op vervangingsonderdelen die worden gebruikt voor de reparatie van samengestelde voortbrengselen, een bijzondere bepaling geldt, het zogenoemde ‘reparatiebeding’, dat is opgenomen in artikel 14 van richtlijn 98/71. Een soortgelijk beding is ook te vinden in artikel 110 van verordening nr. 6/2002.
Zie bij wijze van voorbeeld de gemeenschapsmodellen die het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) onder de nrs. 001918400-0001 en 008434088-0003 heeft ingeschreven.
Deze omstandigheid activeert het zichtbaarheidsvereiste van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71.
Ik denk met name aan de onderkant van het chassis van een motorvoertuig, dat bij normaal gebruik slechts vanuit een ongebruikelijk oogpunt kan worden waargenomen.