Einde inhoudsopgave
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/4.2.2.2
4.2.2.2 Definitie werknemer
Dr. E.A.P. Schouten, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
Dr. E.A.P. Schouten
- JCDI
JCDI:ADS635212:1
- Vakgebied(en)
Pensioenen (V)
Belastingrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 19 maart 1964, C-75/63, ECLI:EU:C:1964:19, Jur. 1964, p. 371 (Unger).
HvJ EG 3 juli 1986, C-66/85, ECLI:EU:C:1986:284, Jur. 1986, p. 2121, r.o. 16 en 17 (Lawrie-Blum). Zie ook HvJ EU 26 maart 2015, C-316/13, ECLI:EU:C:2015:200, r.o. 27 (Fenoll).
HvJ EG 26 februari 1992, C-357/89, ECLI:EU:C:1992:87, Jur. 1992, p. I-1027, r.o. 10 (Raulin).
HvJ EG 23 maart 1982, C-53/81, ECLI:EU:C:1982:105, Jur. 1982, p. I-1035 r.o. 16-18 (Levin - deeltijdarbeid); HvJ EG 26 februari 1992, C-357/89, ECLI:EU:C:1992:87, Jur. 1992, p. I-1027, r.o. 14 (Raulin - oproeparbeid).
Zie ook M.S. Houwerzijlen en M. Kullmann, Werknemersmobiliteit binnen de EU, ArbeidsRecht, Maandblad voor de praktijk, 2010, 52.
HvJ EG 17 maart 2005, C-109/04, ECLI:EU:C:2005:187, Jur. 2005, p. I-2421, r.o. 14-19 (Kranemann). Zie tevens HvJ EG 17 juli 2008, C-94/07, ECLI:EU:C:2008:425, Jur. 2008 I-5939 (Racanelli) en HvJ EG 5 oktober 1988, C-196/87, ECLI:EU:C:1988:475, Jur. 1988, p. 6159, r.o. 11-14 (Steymann).
HvJ EG 31 mei 1989, C-344/87, ECLI:EU:C:1989:226, Jur. 1989, p. 1621, r.o. 17-19 (Bettray). Maar anders HvJ EG 7 september 2004, C-456/02, ECLI:EU:C:2004:488, Jur. 2004, p. I-7573 (Trojani).
Ook werkzoekenden zijn werknemer in de zin van artikel 45 VWEU, zie HvJ EG 26 februari 1991, C-292/89, ECLI:EU:C:1991:80, Jur. 1991, p. I-745 r.o. 21 (Antonissen). Met een beperking van de zoektermijn tot (min.) 3 maanden gecodificeerd in Richtlijn 2004/38/EG.
HvJ EU 4 december 2014, C‑413/13, ECLI:EU:C:2014:2411(FNV Kiem).
Zie ook M.E.C. Boumans, Het FNV KIEM-arrest en de verplichte deelname van zelfstandigen in een bpf,Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken 2016/21.
Zie onder meer de arresten HvJ EG 17 december 1980, C-149/79, ECLI:EU:C:1982:195, Jur. 1980, p. 3881, r.o. 10 (Commissie/België) en HvJ EG 16 juni 1987, C-225/85, ECLI:EU:C:1987:284, Jur. 1987, p. 2625, r.o. 9 (Commissie/Italië).
In het VWEU is geen definitie opgenomen van het begrip ‘werknemer’. Het HvJ vult dit in, waarbij het HvJ het werknemersbegrip niet nationaalrechtelijk maar gemeenschapsrechtelijk interpreteert en materieel toetst.1 Met andere woorden, het begrip werknemers wordt niet door nationale voorschriften uitgelegd, maar heeft een Unierechtelijke betekenis. Om te bepalen wie als werknemer kwalificeert, sluit het HvJ desalniettemin aan bij de in de lidstaten meest gangbare criteria. Een werknemer is ieder die gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt.2 Als werknemer kan slechts worden beschouwd degene die reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst verricht, die niet van zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat.3 Om te voorkomen dat alleen voltijdswerkenden rechten aan artikel 45 VWEU kunnen ontlenen, bepaalde het HvJ dat ook deeltijdarbeid en ander werk van geringe omvang reële en daadwerkelijke arbeid kan zijn.4 De arbeid moet bovendien bezoldigd zijn en van economische waarde. De rechtspraak legt dit ruim uit.5 Het HvJ oordeelde, bijvoorbeeld, dat een stage in het kader van een juridische opleiding, waarbij de stagevergoeding bestond uit een bijdrage in de kosten van levensonderhoud, binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt.6 Arbeid verricht in het kader van de revalidatie of re-integratie van de betrokkene in het arbeidsproces, wordt door het HvJ echter niet als reële en daadwerkelijke arbeid met een economische waarde beschouwd.7 De bepalingen aangaande het vrij werknemersverkeer bieden dus alleen waarborgen aan personen die een economische activiteit (wensen te) verrichten in loondienst.8
De belangrijkste kenmerken van de arbeidsverhouding zijn dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt. Het is de ondergeschiktheid die de arbeidsrelatie typeert, en de werknemer onderscheidt van de zelfstandige (artikel 49 VWEU) en dienstverrichter (artikel 56 VWEU). Bij de bepaling van de grens tussen werknemer en zelfstandige in het Unierecht grijpt het HvJ terug op de elementen van het werknemersbegrip uit het arrest Lawrie-Blum. Als zelfstandige wordt dan aangemerkt degene die niet onder gezag werkzaam is. Het HvJ geeft daarnaast de kaders aan waarbinnen op grond van het Unierecht schijnzelfstandigheid moet worden aangenomen, bijvoorbeeld in het arrest FNV KIEM.9 Volgens het HvJ kwalificeert een persoon als zelfstandige als hij als zelfstandige marktdeelnemer aan het economische verkeer deelneemt. Hij kan die hoedanigheid verliezen als hij niet zelfstandig zijn marktgedrag bepaalt, maar volledig afhankelijk is van zijn opdrachtgever. Dit is het geval als hij geen financiële en commerciële risico's voor zijn werkzaamheden draagt. Aan de Unierechtelijke status van werknemer doet volgens het HvJ niet af dat een persoon op grond van nationale regels als zelfstandige wordt aangemerkt, voor zover hij onder leiding van zijn werkgever handelt, de vrijheid heeft om zijn tijdschema en de plaats en de inhoud van zijn werk te kiezen, hij niet deelt in de commerciële risico's van de werkgever en hij tijdens de duur van de arbeidsverhouding is opgenomen in de onderneming van de werkgever. Schijnzelfstandigen zijn volgens het HvJ dienstverleners die zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van werknemers.10,11
Er moet sprake zijn van een grensoverschrijdend element om als werknemer in aanmerking te komen voor het vrij verkeer van werknemers. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een werknemer die werkt in een andere lidstaat dan het land van herkomst of bij een werknemer die werkt in het land van herkomst, maar verblijft in een andere lidstaat.
Uitzonderingen op het vrij verkeer van werknemers zijn betrekkingen in overheidsdienst.12 Het HvJ legt dit heel beperkt uit.13 De reikwijdte blijft beperkt tot wat strikt noodzakelijk is met het oog op de belangen die de lidstaten op grond van deze bepaling moeten beschermen. Alleen de betrekkingen die, al dan niet rechtstreeks, deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden en die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de staat of van andere openbare lichamen, en die dus bij de functionaris een bijzondere band van solidariteit ten opzichte van de staat veronderstellen en een wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding. Uitgesloten zijn dus enkel de betrekkingen die, wegens de ermee verbonden taken en verantwoordelijkheden, de kenmerken kunnen hebben van de specifieke taken van de administratie op de genoemde gebieden. Met andere woorden, onder ‘betrekkingen in overheidsdienst' vallen alleen functies die een speciale loyaliteitsband met het land vereisen, zoals rechters, politieagenten, soldaten, ambtenaren op een beleidsmakend niveau en belastingontvangers. Ten aanzien van dergelijke functies mogen wel nationaliteitseisen worden gesteld. Andere functies, die geen loyaliteitsband vereisen, vallen niet onder deze bepaling (bijvoorbeeld leraren, verpleegkundigen, artsen en ambtenaren op een lager niveau).