De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.6.2.1:3.6.2.1 Inleiding
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.6.2.1
3.6.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702035:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het Verslag is gepubliceerd: Frederiks, Andriessen & Bakker e.a. 1940.
Ingesteld bij Koninklijk Besluit van 14 februari 1947. Zie: Van den Bergh, Van der Meer & Van der Drift e.a. 1950.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De WRO is in zekere zin een product van de geplande Woningwetherziening van 1938. Bij Koninklijk Besluit van 16 februari 1938 werd, onder voorzitterschap van K.J. Frederiks, een Staatscommissie ingesteld tot vernieuwing van de Woningwet. Die commissie bracht op 26 april 1940 haar verslag uit, vergezeld van een nieuw ontwerp-Woningwet.1 Nederland bleek zich echter aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog te bevinden, en nog geen twee weken later had de toenmalige regering wel andere zorgen aan haar hoofd. In de vergetelheid raakte het Verslag echter niet, want tezamen met het latere verslag van de Staatscommissie Van den Bergh,2 stond het Verslag aan de wieg van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Sterker nog, het feit dat er een schadevergoedingsbepaling (destijds art. 51 WRO) werd opgenomen in het wetsontwerp, is ontleend aan het Verslag van de commissie Frederiks.3 Die schadevergoedingsbepaling voorzag in een mogelijke tegemoetkoming in schade door de wijziging van een bestemmingsplan of door een rooilijnbesluit.