Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.4.3
5.4.3 Aandelen op naam in een beursgenoteerde naamloze vennootschap
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS475629:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Onder “beursgenoteerde vennootschap” wordt, volgens art. 2:86c lid 1 BW, verstaan een vennootschap, waarvan aandelen of certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit, als bedoeld in art. 1:1 Wft of een met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is, of waarvan aandelen of certificaten van aandelen, naar ten tijde van de rechtshandeling op goede gronden kan worden verwacht, daartoe spoedig zullen worden toegelaten. Zie over deze definitie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/373.
Vgl. HR 17 september 1982, NJ 1983/195, m.nt. J.M.M. Maeijer (Sterk/Richters) ten aanzien van het vergelijkbare art. 2:196 (oud) BW.
Art. 2:86c lid 2 BW. Voorts is bij niet-volgestorte aandelen tevens vaste dagtekening van de akte vereist voor een geldige erkenning.
Zie nr. 205.
232. Voor de levering of bezwaring van aandelen op naam in een beursgenoteerde naamloze vennootschap geldt de bijzondere regeling van art. 2:86c BW.1 Deze bijzondere regeling houdt in dat voor de bezwaring van aandelen op naam in een beursgenoteerde naamloze vennootschap geen notariële akte noodzakelijk is. Het bijzondere regime geldt voor alle aandelen in de beursgenoteerde vennootschap, ongeacht of de desbetreffende aandelen zelf zijn genoteerd.2
Als uitgangspunt vereist art. 2:86c lid 2 BW voor levering een daartoe bestemde akte en schriftelijke erkenning door de vennootschap daarvan.3 Deze erkenning door de vennootschap kan geschieden door middel van een verklaring in de akte, een gedagtekende verklaring op de akte of een (notarieel of door de vervreemder) gewaarmerkt afschrift of uittreksel daarvan. Bovendien is met erkenning gelijkgesteld de betekening van de akte of het afschrift of uittreksel aan de vennootschap.4 Een uitzondering op de hoofdregel geldt ingeval de vennootschap zelf partij is. In dat geval kan de schriftelijke erkenning achterwege blijven.5 Toekomstige aandelen op naam in een beursgenoteerde naamloze vennootschap kunnen, gelet op deze formaliteiten, zonder bezwaar bij voorbaat worden geleverd of openbaar verpand. Zowel het opmaken van de akte als de erkenning door (of betekening aan) de vennootschap kan geschieden voordat de aandelen door de vervreemder zijn verkregen. De specifieke vestigingseisen van art. 2:86c BW staan hieraan geenszins in de weg.
233. Indien op aandelen op naam in een beursgenoteerde naamloze vennootschap een stil pandrecht wordt gevestigd, doet zich een bijzonderheid voor. Een pandrecht kan krachtens art. 2:86c lid 4 BW worden gevestigd zonder erkenning door of betekening aan de vennootschap. In dat geval is art. 3:239 BW van overeenkomstige toepassing, waarbij de erkenning of betekening in de plaats komt van de in lid 3 van dat artikel bedoelde mededeling. Dit betekent dat een stil pandrecht op aandelen op naam in een beursgenoteerde naamloze vennootschap kan worden gevestigd door middel van een authentieke of geregistreerde onderhandse akte. Deze vestigingsformaliteiten kunnen zonder bezwaar reeds bij voorbaat worden verricht ten aanzien van toekomstige aandelen.
Bijzondere aandacht verdient evenwel de beperking van art. 3:239 lid 1 BW. Verpanding van toekomstige rechten is daarin beperkt tot rechten die rechtstreeks zullen worden verkregen uit een ten tijde van de vestigingshandeling reeds bestaande rechtsverhouding. Geldt deze beperking ook voor de stille verpanding van toekomstige aandelen in beursvennootschappen? Art. 2:86c lid 4 BW verklaart immers het gehele art. 3:239 BW, inclusief de beperking in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Hier lijkt wederom tot uiting te komen dat de wetgever zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de mogelijkheid om bij voorbaat een pandrecht te vestigen op toekomstige goederen. Uit niets kan worden afgeleid dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om de verpanding van toekomstige aandelen te beperken tot aandelen die de pandgever rechtstreeks zal verkrijgen uit een reeds bestaande rechtsverhouding. De beperking in art. 3:239 lid 1 BW strekt ertoe de mogelijkheid van verpanding van toekomstige vorderingen gelijk te schakelen met de mogelijkheid tot beslaglegging op deze vorderingen op de voet van art. 475 Rv.6 Deze parallel tussen verpanding en beslag gaat echter niet op voor aandelen op naam in naamloze en besloten vennootschappen. Voor het beslag op deze goederen geldt immers een eigen regeling (art. 474c-474i Rv), waaruit voortvloeit dat – overeenkomstig de algemene uitgangspunten van het beslagrecht – beslag op toekomstige aandelen in het geheel niet mogelijk is. De beperking geldt bovendien niet bij de stille verpanding van aandelen op naam in een besloten vennootschap. Art. 2:198 lid 5 BW verklaart namelijk slechts de leden 3 en 4 van art. 3:239 BW van overeenkomstige toepassing. Ik meen dat de beperking van art. 3:239 lid 1 BW ook wat aandelen op naam in een beursvennootschap betreft geen rol speelt. Het is naar mijn overtuiging mogelijk om toekomstige aandelen op naam in een beursgenoteerde naamloze vennootschap stil te verpanden, ongeacht of zij ten tijde van de vestiging bij voorbaat reeds hun grondslag in een bestaande rechtsverhouding vinden.