De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.3.3.2:12.3.3.2 Enige algemene observaties
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.3.3.2
12.3.3.2 Enige algemene observaties
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363650:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Indien iemand reeds voor de beschikking van de Hoge Raad weet dat hij de beschikking van de ondernemingskamer zal vernietigen, is sprake van een ander probleem, namelijk rond de integriteit van de Hoge Raad.
Vgl. HR 3 juni 2016, NJ 2016, 358 m.nt. Tjong Tjin Tai.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De leerstukken ten aanzien van (het ontbreken van) externe werking van besluiten van de vennootschap, bestuurdersaansprakelijkheid, pseudo-vertegenwoordiging en schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid vertonen veel verschillen, maar hebben ook één relevante overeenkomst: er is steeds veel ruimte om aan de hand van de omstandigheden van het geval te bepalen of er aanleiding is of iemand verschoond dient te blijven van bepaalde (tertiaire) rechtsgevolgen. Als het gaat om de tertiaire gevolgen van de vernietiging van een beschikking waarin (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen, is één omstandigheid steeds van bijzonder belang: wist men of behoorde men te weten dat deze tertiaire gevolgen zouden intreden. Anders gezegd, behoorde men te weten dat de Hoge Raad de beschikking van de ondernemingskamer zou vernietigen.1 Hierna zal dat worden uitgewerkt.
Eerst merk ik echter op dat het mijns inziens niet wenselijk is, indien de vennootschap, de bij zijn organisatie betrokkenen en derden bij de bepaling van hun gedrag rekening zouden moeten houden met de eventuele toekomstige vernietiging van een beschikking van de ondernemingskamer. Ten eerste komt het gezag van de ondernemingskamer in het gedrang, indien men er niet op mag vertrouwen dat de ondernemingskamer haar werk goed heeft gedaan en haar beschikkingen stand zullen houden in cassatie. Ten tweede zou zulks de werking van (onmiddellijke) voorzieningen sterk verminderen. Dat is onwenselijk, omdat dergelijke voorzieningen vereist zijn in verband met de toestand van de rechtspersoon, of dienen om wanbeleid te verhelpen.
Neem bijvoorbeeld het geval dat een vennootschap in een impasse is komen te verkeren, vanwege de 50/50 verhoudingen in de aandeelhoudersvergadering en het bestuur en het feit dat de twee aandeelhouders/bestuurders dermate met elkaar in de clinch liggen over de te varen koers dat er geen enkel besluit meer tot stand komt. Het belang van de vennootschap vergt dan dat deze impasse doorbroken wordt, bijvoorbeeld door de zittende bestuurders te schorsen en tijdelijk een bestuurder aan te stellen. De impasse dreigt in dat geval echter voort te duren, indien de twee kemphanen de tijdelijke bestuurder er steeds aan kunnen herinneren dat de desbetreffende beschikking kan worden vernietigd en dat de tijdelijke bestuurder dan aansprakelijk kan worden gehouden voor het bestuur dat hij, alsdan ten onrechte, over de vennootschap heeft gevoerd. De vennootschap dreigt dan de ene impasse in te ruilen voor de andere.
De problemen nemen verder toe als derden die zaken willen doen met de vennootschap er rekening mee moeten houden dat de vennootschap afhankelijk van de uitkomst van de cassatieprocedure zich kan uitwurmen onder rechtshandelingen (namelijk als de aanstelling van een tijdelijke bestuurder ongedaan wordt gemaakt en de vennootschap niet gehouden zou zijn aan de vertegenwoordigingshandelingen die de tijdelijke bestuurder inmiddels heeft verricht). De bereidheid om zaken te doen met de vennootschap neemt dan af.
Daar kan dan nog bovenop komen dat de geschorste bestuurders, met een beroep op de mogelijkheid van vernietiging in cassatie, zich blijven uitgeven en gedragen als bestuurders van de vennootschap. Het zou onwenselijk zijn als zij dergelijk gedrag zouden kunnen rechtvaardigen, of zich daartoe zelfs genoodzaakt zouden achten, met een beroep op het feit dat in geval van vernietiging met terugwerkende kracht van hen gevergd zal worden dat zij hun taak als bestuurders behoorlijk blijven uitoefenen.
Ten derde zij gewezen op de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de aanvang van een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling in het geval deze betaling is geschied naar aanleiding van een vonnis dat later wordt vernietigd.2 Hoewel een dergelijke vernietiging terugwerkende kracht heeft, onderkent de Hoge Raad dat de betalende partij pas in staat is zijn vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling in te stellen op het moment van vernietiging en niet op het moment van betaling.