Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.8.2.5
6.8.2.5 Vruchtgebruik, derdenbeding en levering bij voorbaat ten gunste van een derde / Faillissement
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584850:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 94, M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 95-96. De rechtsgevolgen ten aanzien van de verkrijging van de rentevorderingen zijn dezelfde als bij de overdracht van het recht op toekomstige vruchten zoals geregeld in het niet ingevoerde art. 3.1.1.9 lid 5 Ontw.BW.
En, zo volgt uit de strekking van deze bepaling, daarvan mededeling is gedaan aan de schuldenaar. Vgl. de derde zin van art. 3:94 lid 3 BW.
Zie HR 10 januari 1992, NJ 1992, 744 (Ontvanger/NMB Postbank), m.nt. HJS. Zie ook M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, Inv. 3, 5 en 6, p. 1249.
Vgl. ook de noot van H.J. Snijders (sub 1d) onder HR 23 juni 1995, NJ 1996, 566 (FMN/PAP).
Zie HR 25 januari 1991, NJ 1992, 172 (Van Berkel/fribosa), m.nt. HJS.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 531; en N.v.W., Parl. Gesch. Boek 6, p. 533. Uit de passages volgt dat de levering bij voorbaat van de toekomstige rentevorderingen kan worden tegengeworpen aan de verkrijger van de hoofdvordering. De passages impliceren, onder verwijzing naar het niet ingevoerde artikel 3.1.1.9 lid 5 Ontw.BW, echter ten onrechte dat de levering bij voorbaat van de toekomstige rentevorderingen tot gevolg heeft dat het rentebeding als nevenrecht niet overgaat. Ten onrechte wordt ook geen onderscheid gemaakt tussen rentebeding en rentevordering en tussen overdracht en levering.
Zie HR 13 mei 1988, NJ 1988, 748 (Banque de Suez/Bijkerk q.q.), m.nt. G.
391. Uit het voortgaande volgt ook dat de nieuwe schuldeiser de rentevorderingen niet verkrijgt, als de oude schuldeiser vóór de overgang van de hoofdvordering ten behoeve van een ander een recht van vruchtgebruik heeft gevestigd, met de schuldenaar een rentebeding ten behoeve van een ander is overeengekomen of de rentevorderingen bij voorbaat aan een ander heeft geleverd.
Door de eerdere vestiging van het recht van vruchtgebruik verkrijgt de nieuwe schuldeiser krachtens zaaksgevolg een bezwaarde hoofdvordering. Het rentebeding gaat als nevenrecht met de bezwaarde hoofdvordering over, maar de rentevorderingen ontstaan in het vermogen van de derde, de vruchtgebruiker.1 Ook als het rentebeding ten behoeve van een derde is overeengekomen, gaat het rentebeding op de nieuwe schuldeiser over, maar ontstaan de rentevorderingen in het vermogen van de derde, de partij bij het derdenbeding. In het faillissement van de oude dan wel de nieuwe schuldeiser blijft dit in beginsel hetzelfde.
Als de oude schuldeiser de rentevorderingen bij voorbaat aan een ander heeft geleverd, verkrijgt de derde de vorderingen in beginsel ook, maar is zijn positie minder sterk. Het rentebeding gaat als nevenrecht met de hoofdvordering op de nieuwe schuldeiser over (art. 6:142 BW). De rentevorderingen ontstaan daardoor na de overgang van de hoofdvordering in het vermogen van de nieuwe schuldeiser. Deze rentevorderingen zijn door de oude schuldeiser bij voorbaat aan een derde geleverd.
De derde kan de levering bij voorbaat aan de nieuwe schuldeiser van de hoofdvordering tegenwerpen. Dit volgt uit art. 3:97 lid2 BW, art. 475h Rv en de arresten Ontvanger/NMB Postbank en Van Berkel/Tribosa. Art. 3:97 lid 2 BW bepaalt dat een levering bij voorbaat van een toekomstig goed niet werkt tegen iemand die het goed ingevolge een eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen.2 Uit art. 475h Rv volgt dat als derdenbeslag is gelegd op toekomstige vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een reeds rechtsverhouding, zoals huurvorderingen en rentevorderingen, een latere levering bij voorbaat niet aan de derdenbeslaglegger kan worden tegengeworpen. In het arrest Ontvanger/NMB Postbank3 bepaalde de Hoge Raad (voor het aan art. 475h Rv omgekeerde geval) dat een derdenbeslag dat is gelegd nadat de levering bij voorbaat heeft plaatsgevonden niet aan de beslaglegger kan worden tegengeworpen.4 In het arrest Van Berkel/Tribosa5 bepaalde de Hoge Raad dat de derdenbeslaglegger op grond van dezelfde regel die aan art. 475h Rv en art. 3:97 lid 2 BW ten grondslag ligt, zijn eerder gelegd derdenbeslag op toekomstige huurvorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een reeds bestaande rechtsverhouding (de huurovereenkomst) kan tegenwerpen aan de nieuwe eigenaar die de verhuurde onroerende zaak na het derdenbeslag heeft verkregen, en die als nieuwe verhuurder (art. 1612 BW (oud); vgl. art. 7:226 BW) aanspraak maakt op de huurvorderingen. Op grond van de rechtsregel die aan deze bepalingen en arresten ten grondslag ligt, kan de derde die bij voorbaat de rentevorderingen geleverd heeft gekregen de levering bij voorbaat aan de nieuwe schuldeiser van de hoofdvordering tegenwerpen, ook al is het rentebeding als nevenrecht met de hoofdvordering op de nieuwe schuldeiser overgegaan. De parlementaire geschiedenis bij art. 6:142 lid2 BW bevat twee passages waarvan de strekking dezelfde is: als rentevorderingen bij voorbaat zijn geleverd, verkrijgt niet de nieuwe schuldeiser van de hoofdvordering deze rentevorderingen, maar degene aan wie de rentevorderingen bij voorbaat zijn geleverd.6
392. Het faillissement van de nieuwe schuldeiser is niet van invloed op de beoogde overdracht door de oude schuldeiser aan de derde, omdat de levering bij voorbaat buiten hem om plaatsvindt. Zijn beschikkingsbevoegdheid is voor de (uiteindelijke) overdracht niet van belang. Hij kan de verkrijging van de rentevorderingen op grond van het rentebeding dat als nevenrecht met de hoofdvordering op hem is overgegaan, niet tegenwerpen aan de derde aan wie de toekomstige rentevorderingen bij voorbaat door de nieuwe schuldeiser zijn geleverd.
Het faillissement van de oude schuldeiser daarentegen verhindert de beoogde overdracht aan de derde wei. Om de overdracht van de rentevorderingen die bij voorbaat zijn geleverd, te bewerkstelligen, dient de vervreemder op het moment van het ontstaan van de rentevorderingen beschikkingsbevoegd te zijn. Aan dit vereiste wordt door het faillissement van de oude schuldeiser niet voldaan. De derde verkrijgt daardoor de rentevorderingen niet. Als de overdracht van de rentevorderingen aan hem geen doorgang vindt, wordt naar mijn mening de nieuwe schuldeiser daarvan de rechthebbende. Alleen de derde kan de levering bij voorbaat aan de nieuwe schuldeiser tegenwerpen, niet de oude schuldeiser of diens curator. De overgang van de hoofdvordering heeft plaatsgevonden vóór het faillissement van de oude schuldeiser. De curator profiteert niet van de mislukte levering bij voorbaat.
Is voor de overgang van de hoofdvordering op de toekomstige rentevorderingen derdenbeslag gelegd, dan kan de beslaglegger dit beslag ook tegenwerpen aan de nieuwe schuldeiser.7 Door het faillissement van de oude schuldeiser komt het gelegde derdenbeslag te vervallen (art. 33 Fw). Op grond van het arrest Banque de Suez/Bijkerk q.q.8 is goed verdedigbaar dat de curator van het eerder gelegde derdenbeslag profiteert. In dit arrest bepaalde de Hoge Raad dat de curator vanwege een eerder gelegd beslag een later gevestigd hypotheekrecht kon negeren. Op grond van (thans) art. 505 lid2 Rv kan een latere vervreemding of bezwaring van een beslagen onroerende zaak niet aan de beslaglegger worden tegengeworpen. Omdat gelegde beslagen opgaan in het algemene faillissementsbeslag, kan de curator profiteren van de rechten van de beslaglegger. Art. 475h bevat voor derdenbeslag een bepaling die vergelijkbaar is met art. 505 lid 2 Rv. Om die reden is het verdedigbaar dat de curator op grond van art. 475h Rv de overgang van de hoofdvordering die plaatsvindt voor het faillissement, maar nadat op de rentevorderingen derdenbeslag is gelegd, kan negeren. De nieuwe schuldeiser van de hoofdvordering maakt geen aanspraak op de rentevorderingen.