Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.5.2
9.5.2 Schending folterverbod in art. 3 EVRM heeft per definitie onbehoorlijk strafproces tot gevolg
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497056:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer EHRM 15 november 1996 (Chahal t. Verenigd Koninkrijk), § 79 en EHRM 28 juli 1999 (Selmouni t. Frankrijk), § 95.
Zie onder meer EHRM 20 mei 2010 (Baran en Hun t. Turkije), § 69.
Voor kritiek daarop zie men de joint partly dissenting opinion van rechter Rozakis e.a. bij EHRM 1 juni 2010 (Gäfgen t. Duitsland), NJ 2010, 628 (m.nt. Buruma), pt. 2: ‘A criminal trial which admits and relies, to any extent, upon evidence obtained as a result of breaching such an absolute provision of the Convention cannot a fortiori be a fair one. The Court’s reluctance to cross that final frontier and to establish a clear or “bright-line” rule in this core area of fundamental human rights is regrettable.’
Zie hierover nader pt. 4 e.v. van de noot van Buruma onder het arrest in NJ 2010, 628, met verwijzing naar § 178, laatste zin. Daarin overweegt het Hof dat de eerlijkheid van het proces en het absolute verbod van art. 3 EVRM alleen aan de orde zijn als de inbreuk daarop art. 3 invloed had op de uitkomst van de procedure tegen de verdachte – dat wil zeggen op de veroordeling of de straf.
Art. 3 EVRM is een van de meest fundamentele waarden binnen een democratische samenleving, waarop geen uitzonderingen zijn toegestaan.1 Vanwege dit absolute karakter heeft foltering steeds een onbehoorlijk strafproces tot gevolg. Bewijs in de vorm van verklaringen die en/of materiaal dat is verkregen op grond van geweld (‘violence’) of daarmee vergelijkbare maatregelen, mogen nimmer worden gebruikt als bewijs van schuld. Elke andere conclusie zou enkel ertoe dienen de legitimiteit van moreel verwerpelijk gedrag te sanctioneren.2
Gäfgen en Jalloh: ‘real evidence’ dat door onmenselijke behandeling is verkregen
In de zaak Gäfgen trekt de Grote Kamer deze lijn niet een-op-een door naar ‘real evidence’ dat door onmenselijke behandeling van de verdachte wordt verkregen; in deze zaak in de vorm van dreigen met ondraaglijke pijn.3 De Grote Kamer stelt vast dat art. 6 EVRM niet is geschonden door het gebruik van het ‘real evidence’ dat vanwege de bedreiging van de klager is verkregen, omdat dat bewijs geen betrekking heeft op de uitkomst. Klagers veroordeling door de Duitse nationale rechter steunt in hoofdzaak op een ter terechtzitting vrijelijk afgelegde, (nadere) bekennende verklaring.4 Kortom, art. 3 EVRM heeft weliswaar een absoluut karakter, maar onmenselijke behandeling leidt niet automatisch tot schending van art. 6. Dit is afhankelijk van de invloed (‘impact’) die het met schending van art. 3 EVRM verkregen bewijs heeft op het strafproces.