Arbeidsrecht en insolventie
Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/1.4:1.4 Onderzoeksopzet/aanpak
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/1.4
1.4 Onderzoeksopzet/aanpak
Documentgegevens:
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS302386:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hufman, 2015; haar proefschrift heeft als titel: Arbeidsrecht in insolventie: een rechtsvergelijking.
Onderzoek, verricht in opdracht van het WODC, door het Onderzoekscentrum Onderneming & Recht, Ondernemingen in financiële moeilijkheden en de arbeidsrechtelijke positie van hun werknemers d.d. 5 april 2016; dit onderzoek zal in dit boek nog nader worden besproken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat in een eerste hoofdstuk alle relevante historische ontwikkelingen sinds de invoering van de Faillisementswet en de Wet op de arbeidsovereenkomst rondom het begin van de negentiende eeuw in kaart worden gebracht, zal vervolgens aan de hand van een zestal deelonderwerpen telkens naar antwoorden op de onderzoeksvragen worden gezocht.
Het betreft de volgende deelonderwerpen, die telkens in relatie tot een (potentieel) faillissement van de werkgever zullen worden beschouwd:
loon;
beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
concurrentiebeding;
doorstart en pre-pack;
misbruik faillissement;
medezeggenschap en andere collectiefrechtelijke aspecten.
Daarbij wordt er zo veel als mogelijk naar gestreefd per deelonderwerp de onder 1.3 geformuleerde onderzoeksvragen te beantwoorden.
Bron hiervoor is inhoudsanalyse van wetgeving, rechtspraak en de daaromtrent verschenen juridische literatuur. In het kader van deze analyse wordt ook vastgesteld op welke punten het terzake geldende recht onduidelijk is. Bestaande rapporten en andere publicaties over de praktijk van het insolventierecht leveren hiertoe ondersteunend onderzoeksmateriaal.
Dit leidt mede tot een inventarisatie van de verschillende betrokken belangen en van in de literatuur verdedigde opvattingen over het relatieve gewicht van, en het juiste evenwicht tussen deze belangen.
Op basis van de voorgaande analyse zal nauwkeuriger kunnen worden aangegeven in hoeverre en op welke punten het Nederlandse recht ten aanzien van de bescherming van werknemers bij insolventie van ondernemingen achterblijft of tekortschiet en, zo ja, wat de mogelijkheden zijn om insolventierecht en arbeidsrecht beter op elkaar af te stemmen, alle betrokken belangen, alsook de Europese regelgeving indachtig.
Hoewel een rechtsvergelijkend onderzoek in zijn algemeenheid nuttig en zinvol kan zijn bij een onderzoek als het mijne, is hier niet voor gekozen. De redenen hiervoor zijn enerzijds dat betrekkelijk recent reeds een promotieonderzoek op dit gebied met een expliciet rechtsvergelijkend karakter heeft plaatsgevonden (met betrekking tot Duitsland en België),1 en anderzijds dat de Nederlandse situatie wat de onderzoeksvragen betreft meer dan voldoende stof bieden, mede dankzij tal van (recente) ontwikkelingen op het gebied van wetgeving en jurisprudentie, waardoor een volledige focus op de situatie in Nederland naar mijn overtuiging gerechtvaardigd was en is om te komen tot een voldragen promotieonderzoek.
Overwogen is in aanvulling op genoemde onderzoeksmethode empirisch onderzoek te doen, bijvoorbeeld door middel van interviews met rechter-commissarissen, curatoren/bewindvoerders en gefailleerde/doorstartende ondernemers, maar hier is uiteindelijk welbewust niet voor gekozen. Niet alleen is een dergelijk onderzoek, zeker als het alle deelonderwerpen zou betreffen, te veelomvattend voor een promotieonderzoek als het onderhavige, maar ook heeft meegewogen dat, zelfs indien een dergelijk empirisch onderzoek grootschalig zou worden opgezet en (in financieel en personeel opzicht) zou zijn ondersteund, nog altijd veel wetenschappelijke vragen onbeantwoord zullen blijven, zoals door mij is geconstateerd op basis van een vergelijkbaar onderzoek – met 94 interviews in 26 onderzoekscases – van de Radboud Universiteit Nijmegen uit 2016.2 Waar mogelijk en nuttig worden de hiergenoemde (empirische) onderzoeksresultaten overigens wel in dit onderzoek benoemd en verwerkt.
Het onderzoek is op 1 juni 2018 afgesloten. Nadien gewezen jurisprudentie en verschenen literatuur zijn slechts in uitzonderingsgevallen verwerkt.