Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.2:6.2 Samenvatting van het onderzoek
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.2
6.2 Samenvatting van het onderzoek
Documentgegevens:
mr. B.J. Engberts, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
mr. B.J. Engberts
- JCDI
JCDI:ADS618984:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Schuldsanering natuurlijke personen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 juli 2010, LJN BM3975, NJ 2010/648, m.nt. Verstijlen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 2 zijn het burgerlijk procesrecht en het insolventieprocesrecht gekenschetst. Burgerlijk procesrecht wordt omschreven als het geheel van voorschriften waarin vastgelegd is op welke wijze burgerlijke wetten (dat wil zeggen daaruit voortvloeiende burgerlijke rechtsbetrekkingen) worden geregeld, gehandhaafd en geldend worden gemaakt. Het procesrecht geeft een kompas waarop de rechter en partijen in de procedure kunnen varen. Regels van procesrecht voorkomen rechterlijke (ver)dwalingen en geven partijen (rechts) zekerheid aangaande het verloop van de procedure.
Een leidende gedachte bij het denken over modern procesrecht is dat het procesrecht, ter bevordering van een efficiënte en snelle afwikkeling van de procedure, partijen moet dwingen in een zo vroeg mogelijk stadium al hun kaarten op tafel te leggen. Deze zo te noemen voorfase is voor de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b relevant. In dit onderzoek is het belangrijkste beginsel van het burgerlijk procesrecht, het beginsel van hoor en wederhoor, geanalyseerd en zijn de verschillende aspecten van dit beginsel in kaart gebracht.
Enkele met art. 287 lid 4, 287a en 287b vergelijkbare procedures uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn kort beschreven. De verzoekschriftprocedure in titel 3 (Rv) is daar één van.
Het insolventieprocesrecht is in par. 2.5 onderzocht en geanalyseerd. Dit procesrecht behoort tot het terrein van het burgerlijk procesrecht maar vertoont een aantal van dat procesrecht afwijkende kenmerken. In de laatste paragraaf van hoofdstuk 2 is het procedurele kader van waaruit de procedures dienen te worden bezien geschetst. Hierop wordt in de volgende paragraaf ingegaan.
Hoofdstuk 3 heeft art. 287 lid 4 behandeld. Op grond van deze bepaling kan de rechter voorlopige voorzieningen treffen voor de duur van de behandeling van het Wsnp-verzoek en ter overbrugging van de periode tussen het indienen van het verzoek en de beslissing daarop.
Art. 287 lid 4 vertoont meer overeenkomsten met art. 223 Rv (de provisionele voorziening hangende een bodemprocedure) dan met het kort geding (art. 254 Rv). Het gaat bij art. 287 lid 4 om voorzieningen die de schuldenaar in staat stellen het minnelijke traject met succes te doorlopen.
De praktijk laat veel verschillende voorzieningen zien. De grootste gemene deler is dat zij ertoe strekken de schuldeiser te beknotten in de uitoefening van zijn bevoegdheden (tot het ten uitvoer leggen van executoriale titels). De insolventierechter treedt daardoor als executierechter op. Hij beoordeelt 287 lid 4-verzoeken echter anders dan de ‘gewone’ executierechter in kort geding. Hij schorst lopende executies veel sneller dan de gewone kortgedingrechter. Dit is begrijpelijk omdat de voorzieningen worden gegeven tegen de achtergrond van een te verwachten schuldsaneringsregeling. Als de schuldeiser in kwestie wordt opgeroepen voor een zitting dan worden aan hem niet alle bij het verzoekschrift horende stukken gezonden. De rechter beslist aldus op het verzoek zonder dat de schuldeiser over alle stukken beschikt. Dit is een duidelijke schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
Bij diverse andere onderdelen in de procedure zijn lacunes en onduidelijkheden gevonden. Mede op basis van een vergelijking met titel 3 is een aantal aanbevelingen tot verbetering van de procedure gedaan.
In hoofdstuk 3 zijn tevens de grenzen van het toepassingsgebied verkend, waarbij onder meer is gebleken dat art. 287 lid 4 een nuttige functie kan vervullen in de periode totdat op een 287a-verzoek is beslist.
In hoofdstuk 4 heeft art. 287b centraal gestaan. Het doel van de voorzieningen (of: het moratorium) van art. 287b is de verzoeker/schuldenaar in staat te stellen een minnelijke regeling met zijn schuldeisers te treffen en/of zijn goede trouw meer gefundeerd te laten blijken. Omtrent laatstgenoemde doelstelling is in de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie niets terug te vinden.
Er is geen sprake van een bodemprocedure zodat een vergelijking met de procedure van art. 223 Rv of het ‘gewone’ kort geding met enige terughoudendheid dient te worden uitgevoerd.
De procedure van art. 287b past bij het systeem en de aard van het insolventieprocesrecht in die zin dat sprake is van een spoedprocedure en dat geen hoger beroep openstaat van de beslissing op het verzoek. De rechter baseert zijn beslissing aan de hand van de vraag of de relevante feiten voldoende aannemelijk zijn.
Uit de jurisprudentie inzake art. 287b rijst het beeld dat de schuldenaar een relatief sterk recht op een voorlopige voorziening (moratorium genoemd) toekomt en dat de vraag of de schuldenaar tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten daarbij geen rol speelt. Een 287b-verzoek wordt over het algemeen op zeer korte termijn behandeld. Er is geen onderzoek bekend naar de werking van art. 287b. Daarom is niet bekend of een voorziening ex art. 287b het treffen van een minnelijke regeling tussen schuldenaar en schuldeiser stimuleert.
In de praktijk blijkt met enige regelmaat dat schuldenaren zich kort voor een aangekondigde woningontruiming tot een schuldhulpverlenende instantie wenden die vervolgens een art. 287b-verzoek indient. Als dit verzoek wordt toegewezen dan dient het schuldhulpverleningstraject met spoed te worden aangepakt. Aldus worden de veel voorkomende wachtlijsten in het minnelijke traject omzeild. In dit kader is de vraag gerezen of art. 287b wel van toepassing is indien er geen sprake is van een daadwerkelijk minnelijk traject. De jurisprudentie is hierover verdeeld.
Art. 287b schiet in die zin tekort dat beslaglegging op loon en vermogen het minnelijke traject nog steeds kan bemoeilijken. Dit vormt een probleem, zoals blijkt uit de discussie over het beschikbaar stellen van een breed wettelijk moratorium tijdens dit minnelijke traject. Invoering van een breed moratorium is een grote wens van schuldhulpverleners. Op de valreep is een dergelijk moratorium opgenomen in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), en wel in art. 5 van deze wet. Art. 5 Wgs is echter nog niet in werking getreden. De verhouding tussen art. 287b en art. 287 lid 4 alsook de verhouding tussen art. 287b en art. 5 Wgs komen in par. 6.4.1 aan de orde.
Gebleken is dat de bij het 287b-verzoek gevoegde informatie slechts gedeeltelijk wordt gevoegd bij de oproep van de schuldeiser voor de zitting. De meeste rechtbanken lijken alleen het 287b-verzoek mee te sturen, maar zelfs dat gebeurt niet in alle gevallen. Deze praktijk is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.
Mede op basis van een vergelijking met titel 3 is een aantal aanbevelingen tot verbetering van de procedure gedaan. Tevens zijn de grenzen van het toepassingsgebied onderzocht. De conclusie is dat art. 287b ook van toepassing is of dient te zijn indien het minnelijke traject nog niet is opgestart en sprake is van een zogeheten stabilisatiefase.
In hoofdstuk 5 is art. 287a onder de loep genomen. Deze bepaling maakt het mogelijk om bij schuldeisers die niet instemden met een aanbod voor een minnelijke schuldregeling een schuldregeling via de rechter af te dwingen. De beoordelingsmaatstaf van art. 287a is afgeleid van het in art. 3:13 lid 2 BW genoemde geval van misbruik van bevoegdheid.
Uit het Payroll-arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat een schuldeiser niet snel misbruik van bevoegdheid maakt als hij een aanbod voor een minnelijke schuldregeling afwijst. Veel insolventierechters hebben verzoeken tot oplegging van een dwangregeling toegewezen, waar deze met het Payroll-arrest in de hand afgewezen hadden kunnen worden. Deze welwillendheid jegens de schuldenaar is naar mijn mening vooral te verklaren uit de omstandigheid dat bij de 287a-verzoeken een volledig Wsnp-verzoek wordt ingediend en de schuldsaneringsregeling en de daarin te verwachten opbrengst een duidelijk ankerpunt bieden. Het maatschappelijk belang dat is gemoeid met het voorkomen van een wettelijke schuldregeling lijkt eveneens een rol te spelen. Dit is niet verwonderlijk omdat de Hoge Raad daar in een uitspraak over een 287a-verzoek uit 2010 naar verwijst1 en, zo is in par. 2.5 gebleken, het maatschappelijk belang een rol speelt in het insolventieprocesrecht.
Er is geen onderzoek bekend over de vraag in hoeverre de bereidheid van schuldeisers om mee te werken aan een minnelijke schuldregeling is toegenomen door het bestaan van art. 287a en de daarop gebaseerde jurisprudentie.
De welwillende opstelling van rechters bij de beoordeling van 287a-verzoeken is gunstig voor schuldenaren en schuldhulpverleners. Maar er zijn ook bezwaren tegen aan te voeren. Eén van die bezwaren betreft de wijze waarop de schulden (passiva) en bezittingen (activa) worden onderzocht. In hoofdstuk 5 zijn voorstellen gedaan tot verbetering van dit onderzoek. Het betreft de zo te noemen voorfase van de procedure. Daartoe behoort tevens de vraag wie het aanbod voor een minnelijke regeling doet en beoordeelt en welke informatie aan de schuldeisers wordt gegeven. Het is vaste jurisprudentie dat het aanbod door een onafhankelijke partij dient te worden getoetst. Maar als in opdracht van de schuldenaar werkende rechtshelpers het aanbod formuleren (en toetsen) dan lijkt aan deze eis niet te zijn voldaan. Hieromtrent zijn aanbevelingen gedaan.
Gebleken is dat de rechtbanken bij de oproep van de weigerende (nietinstemmende) schuldeiser niet alle van de schuldenaar bij het 287a-verzoek ontvangen informatie meezenden, hetgeen in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor. Tevens zijn de grenzen van het toepassingsgebied onderzocht. De conclusie is dat een art. 287a-verzoek niet gemakkelijk toewijsbaar is indien toelating tot de schuldsaneringsregeling niet aan de orde is.