Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/2.3.8
2.3.8 Mededinging en staatssteun
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS603344:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Teuben 2005, p. 112.
HvJ EG 23 april 1991, C-41/90 (Höfner), r.o. 21. Zie ook Craig &; De Búrca 2015, p. 1003.
Teuben 2005, p. 113.
Het ETS beslaat immers een grote markt, waarin zowel de regels omtrent veiling als kosteloze toewijzing zijn geharmoniseerd, er een rechtendepot voor nieuwkomers bestaat, en pooling niet meer aan de orde is. Evenwel moet er op worden gewezen dat de derde handelsperiode langer duurt (acht jaren) dan de voorgaande twee perioden (vijf jaren en drie jaren). Dit kan mogelijk, blijkens de analyse van Teuben, de kans op concurrentievervalsing vergroten (Teuben 2005, p. 120-126).
Immers, voor zover hier niet door de Commissie of de ACM op is gereageerd, is het vrijwel onmogelijk een verstoring van de mededinging vast te stellen.
De steunmaatregel moet immers zijn toe te rekenen aan de lidstaat (HvJ EG 16 mei 2002, C-482/99 (Frankrijk t. Commissie) en GvEA EG 5 april 2006, T-351/02 (Deutsche Bahn t. Commissie) r.o. 101. Zie ook: Bacon 2013, p. 70, waar de auteur verwijst naar Deutsche Bahn t. Commissie).
Zie bijvoorbeeld artikel 10 bis lid 6 Richtlijn ETS.
GvEA EG 5 april 2006, T-351/02 (Deutsche Bahn t. Commissie) r.o. 99-106. Zie ook: Bacon 2013, p. 70, waar de auteur verwijst naar Deutsche Bahn t. Commissie.
De Europese mededingingsregels (artikelen 101-106 VwEU), zijn van toepassing op het gedrag van ondernemingen,1 waarbij naar het oordeel van het Hof van Justitie het begrip ‘onderneming’:
‘elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.’2
Derhalve zijn zij ook van toepassing op de (vliegtuig)exploitanten die onder de Richtlijn ETS vallen. Het is echter eveneens duidelijk dat deze bepalingen niet als zodanig in de weg kunnen staan aan de Richtlijn ETS, aangezien de Richtlijn als zodanig de mededinging niet kan vervalsen c.q. in strijd kan komen met artikelen 101-106 VwEU. Naar het oordeel van Teuben kan de inrichting van het ETS echter wel van invloed zijn op de kans dat verstoringen zich voordoen.3 Wanneer wordt gekeken naar de behandeling van Teuben kan worden geconcludeerd dat de huidige inrichting van het ETS, zoals dat geldt sinds 1 januari 2013, de kans op verstoring van de mededinging minimaliseert.4 In dit onderzoek zal het ETS niet verder in het kader van mededingingsregels worden geanalyseerd. Immers, zoals reeds is vastgesteld kan de Richtlijn ETS hier als zodanig niet mee in strijd komen. Daarnaast is het moeilijk na te gaan of in de praktijk door (vliegtuig)exploitanten in strijd met de mededingingsregels wordt gehandeld, en of hier adequaat op wordt gereageerd.5
De Richtlijn ETS kan als zodanig evenmin in strijd komen met de Verdragsbepalingen inzake staatsteun (artikelen 107-109 VwEU). De Richtlijn ETS is immers afkomstig van de EU-instellingen. Maatregelen van de EU kunnen, nu zij niet van de lidstaat afkomstig zijn, dan ook niet onder ar tikelen 107-109 VwEU vallen.6 Dit laat echter onverlet dat de Richtlijn zelf op enkele plaatsen expliciet bepaalt dat de nationale implementatie van die bepalingen nog steeds moet worden getoetst aan de Verdragsbepalingen inzake staatssteun.7 Een dergelijke clausule is nodig, omdat een lidstaat die steun verleent op grond van de Richtlijn, zich anders mogelijk zou kunnen verweren met het argument dat nu de steun een feitelijke implementatie van de Richtlijn betreft, de maatregel niet aan de lidstaat is toe te rekenen en derhalve niet als staatssteun valt te kwalificeren.8