Hof Amsterdam, 07-09-2006, nr. 1648/04
ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6576
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
07-09-2006
- Magistraten
Mrs. P.G. Wiewel, A. van Haeringen, C.A. Joustra
- Zaaknummer
1648/04
- LJN
AZ6576
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6576, Uitspraak, Hof Amsterdam, 07‑09‑2006
Uitspraak 07‑09‑2006
Mrs. P.G. Wiewel, A. van Haeringen, C.A. Joustra
Partij(en)
ARREST
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
APPELLANTE IN PRINCIPAAL BEROEP,
GEÏNTIMEERDE IN INCIDENTEEL BEROEP,
procureur: mr. F.B. Falkena,
tegen
- 1.
[geïntimeerde 1] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [betrokkene], en
- 2.
[geïntimeerde 2],
beiden wonend te [woonplaats],
GEÏNTIMEERDEN IN PRINCIPAAL BEROEP,
APPELLANTEN IN INCIDENTEEL BEROEP,
procureur: mr. J. Logher.
1. Het geding in hoger beroep
1.1
Partijen worden hierna Achmea en [geïntimeerde 1] c.s. onderscheidenlijk [geïntimeerde 1], [betrokkene 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.
1.2
Bij dagvaarding van 3 augustus 2004 is Achmea in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank te Haarlem van 19 november 2003 en 19 mei 2004 in deze zaak onder zaak/rolnummer 88965/HA ZA 03-22 gewezen tussen [geïntimeerde 1] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [geïntimeerde 2] en [betrokkene 1] als eiser en Achmea als gedaagde.
1.3
Achmea heeft bij memorie vier grieven voorgesteld en geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en alsnog, de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s., uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in beide instanties.
1.4
Daarop heeft [geïntimeerde 1] c.s. geantwoord en incidenteel beroep ingesteld waarbij hij twee grieven heeft voorgesteld, bescheiden in het geding gebracht en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal bekrachtigen behoudens het eindvonnis van 19 mei 2004 voor wat betreft de gevorderde buitengerechtelijke kosten, dat het hof het eindvonnis in zoverre zal vernietigen en de gevorderde buitengerechtelijke kosten alsnog volledig zal toewijzen, met veroordeling van Achmea in de kosten van — naar het hof begrijpt — het hoger beroep.
1.5
Vervolgens heeft Achmea in het incidenteel beroep geantwoord en geconcludeerd, dat het hof de grieven in het incidenteel beroep zal verwerpen.
1.6
Ten slotte is arrest gevraagd op stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.
2. Feiten
2.1.1
De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis van 19 november 2003 onder 2, a. tot en met h., een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.
2.1.2
[betrokkene 2] is op 7 juni 1993 als gevolg van een verkeersongeval te Assendelft om het leven gekomen (hierna: het ongeval). Zij was de moeder van [geïntimeerde 2] en [betrokkene 1]. [geïntimeerde 1] c.s. vormden tot het ongeval met [betrokkene 2] een gezinshuishouding. [geïntimeerde 2] en [betrokkene 1] waren ten tijde van het ongeval zeven en vier jaar oud.
2.1.3
Achmea heeft, als WAM-verzekeraar van de auto waarmee het ongeval is veroorzaakt, de aansprakelijkheid voor uit het ongeval voortvloeiende schade erkend.
2.1.4
[geïntimeerde 1] heeft de schade van de kinderen op grond van artikel 6:108 BW laten berekenen, met behulp van een zogeheten Audalet-berekening, door Valau Rekenkundig Advies, te Ede (hierna Valau). Volgens de berekening van 23 augustus 2001 omvat deze schade verlies aan levensonderhoud waarbij het inkomen van [geïntimeerde 1] en de inkomsten van kinderbijslag en studiefinanciering buiten beschouwing zijn gelaten en waarin kosten voor huishoudelijke hulp zijn opgenomen. De schade van [geïntimeerde 2] is aldus begroot op € 42.033,21 en die van [betrokkene 1] op € 53.559,68.
2.1.5
Achmea heeft ten behoeve van de kinderen € 2.480,11 als voorschot betaald. Achmea stelt zich op het standpunt daarmee de schade te hebben vergoed.
2.2.1
Bij inleidende dagvaarding heeft [geïntimeerde 1] als wettelijk vertegenwoordiger van [geïntimeerde 2] en [betrokkene 1] Achmea gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem en gevorderd Achmea te veroordelen tot betaling van € 93.112,78, te vermeerderen met rente vanaf 7 juni 1993, alsmede buitengerechtelijke kosten ad € 19.022,43 met rente.
2.2.2
Na wisseling van conclusies heeft de rechtbank geoordeeld dat bij de berekening van het verlies van levensonderhoud het inkomen van [geïntimeerde 1] buiten beschouwing dient te blijven en dat daarentegen met de inkomsten van kinderbijslag en studiefinanciering wel rekening dient te worden gehouden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de kosten van huishoudelijke hulp terecht als schadepost zijn opgevoerd. Tevens heeft de rechtbank de kosten van Valau als redelijke kosten aangemerkt en deze buitengerechtelijke kosten gemaximeerd toewijsbaar geacht tot 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief met een maximum van 15% van de toewijsbare hoofdsom. [geïntimeerde 1] is toegelaten om nadere berekeningen te overleggen waarin wel rekening is gehouden met de inkomsten van kinderbijslag en studiefinanciering.
2.2.3
Nadat [geïntimeerde 1] de aangepaste Audalet-berekeningen van Valau van 15 december 2003 heeft overgelegd, heeft Achmea bij akte verklaard dat de berekeningen correct zijn uitgevoerd. Bij het eindvonnis van 19 mei 2004 heeft de rechtbank Achmea veroordeeld tot betaling van € 87.434,70 aan hoofdsom met rente en aan buitengerechtelijke kosten € 6.276,16 met rente vanaf de dag der dagvaarding. Achmea is veroordeeld in de kosten van het geding.
3. Beoordeling
3.1
Partijen zijn niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat bij de berekening van het verlies van levensonderhoud met de inkomsten uit kinderbijslag en studiefinanciering rekening moet worden gehouden, zodat dit geen onderdeel uitmaakt van het geschil in hoger beroep. In principaal en incidenteel beroep worden achtereenvolgens aan de orde gesteld a) het buiten beschouwing laten van het inkomen van [geïntimeerde 1] bij de berekening van de behoeftigheid van [geïntimeerde 2] en [betrokkene 1] (grief I principaal beroep), b) de kosten van huishoudelijke hulp (grief II principaal beroep) en c) de toewijsbaarheid van buitengerechtelijke kosten waaronder begrepen de kosten van de vaststelling van de schade (grief III principaal beroep en de grieven in het incidenteel beroep). Grief IV in het principaal beroep heeft naast de andere grieven geen zelfstandige betekenis, zodat ze niet afzonderlijk wordt besproken.
A) verlies van levensonderhoud: het inkomen van [geïntimeerde 1]
3.2.1
Uitgangspunt voor de vaststelling van de omvang van de schade van [geïntimeerde 2] en [betrokkene 1] waarvoor Achmea op grond van artikel 6:108, eerste lid BW in verbinding met de artikelen 1:392 en 395a BW aansprakelijk is, is de behoeftigheid van de [geïntimeerde 2] en [betrokkene 1], waarbij het gaat om het verschil tussen de situatie zoals die zou zijn geweest zonder het ongeval en de situatie na het ongeval. Hieruit volgt dat in beginsel de schade bestaat uit de weggevallen bijdragen van [betrokkene 2] in de kosten van levensonderhoud van de kinderen.
3.2.2
Uitgangspunt voor de vaststelling van de behoeftigheid van de kinderen is hun aandeel in de bestede kosten van levensonderhoud voor het volledige gezin, bestaande uit een vader, moeder en twee kinderen op basis van het netto inkomen van beide ouders.
3.2.3
Aan de Audalet-berekeningen van Valau ligt kennelijk ten grondslag dat het volledige netto inkomen van [betrokkene 2] werd en zou worden besteed aan levensonderhoud van de gezinsleden. Dat wil zeggen dat conform de rekenkundige uitgangspunten, die niet zijn betwist, 35% van haar inkomen bijdroeg aan de vaste lasten, en het restant aan de variabele lasten van alle gezinsleden volgens de zogeheten Amsterdamse schaal waarin het zwaartepunt van de besteding van het inkomen met het ouder worden van de kinderen verschuift van de ouders in de richting van de kinderen.
3.2.4
In de Audalet-berekeningen is buiten beschouwing gelaten het inkomen van [geïntimeerde 1]. Hierin ligt kennelijk besloten het uitgangspunt dat ook met betrekking tot het inkomen van [geïntimeerde 1] geldt dat dit geheel overeenkomstig dezelfde rekenkundige uitgangspunten werd en zou worden besteed aan de kosten van levensonderhoud.
3.2.5
Achmea betoogt dat de rechtbank bij de berekening van de schade van de kinderen ten onrechte het inkomen van [geïntimeerde 1] buiten beschouwing heeft gelaten. Daarbij heeft zij wel het uitgangspunt erkend dat in het onderhavige geval de levensstandaard, de behoefte, wordt gevormd door het aandeel van de kinderen in het gezinsinkomen. Achmea heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat het inkomen van [betrokkene 2] aan niets anders werd besteed dan aan levensonderhoud conform genoemde rekenkundige uitgangspunten.
3.2.6
De reden dat Achmea bezwaar maakt tegen de voorliggende schadeberekening is dat zij van mening is dat door het overlijden van [betrokkene 2] de financiële positie van [geïntimeerde 1] dusdanig is gewijzigd dat bij hem mogelijk een grotere draagkracht is ontstaan om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van de kinderen doordat hij niet meer hoeft bij te dragen in de variabele kosten van [betrokkene 2].
3.2.7
Zelfs als juist zou zijn dat het aandeel van [geïntimeerde 1] in de variabele kosten van levensonderhoud ten behoeve van [betrokkene 2] zo groot was, dat bij hem, na aftrek van het verhoogde aandeel in de vaste kosten, sprake is van een besparing, dan nog faalt dit betoog van Achmea. De schade van [geïntimeerde 2] en [betrokkene 1] wordt immers gevormd door het weggevallen aandeel van hun moeder in hun kosten van levensonderhoud. Door de eventuele besparing bij de overlevende ouder op die schade in mindering te brengen wordt de schade de facto deels verplaatst van de (verzekeraar van de) schadeveroorzaker naar een derde. Het is vaste rechtspraak dat de wijze waarop de overgebleven ouder invulling geeft aan zijn onderhoudsverplichting niet afdoet aan de schadevergoedingsplicht krachtens artikel 6:108 BW. Het hof merkt daarbij op dat de rekenvoorbeelden van Achmea niet overtuigen, omdat die steeds een situatie zonder kinderen betreffen. Dat een besparing ten gevolge van het overlijden bij de overlevende echtgenoot diens schade vermindert moge zo zijn, het regardeert de schade van de kinderen niet. In die zin is de eventuele toegenomen draagkracht bij de overlevende ouder om te voorzien in de levensbehoefte van de kinderen, niet gelijk te stellen met verworven inkomen van de kinderen ten gevolge van het overlijden, zoals wezenpensioen. Grief I faalt.
B) verlies van levensonderhoud: kosten van huishoudelijk hulp
3.3.1
De rechtbank heeft als schadeposten toegewezen de kosten van huishoudelijk hulp ten behoeve van beide kinderen. Naar het hof uit de Audalet-berekeningen van Valau begrijpt, gaat het ten aanzien van [geïntimeerde 2] — nominaal — over de periode 1993 tot en met 1998 om ƒ 4.800 per jaar en over de periode 1999 tot en met 2004 om ƒ 2.400 per jaar. Ten aanzien van [betrokkene 1] gaat het — eveneens telkens nominaal — om drie jaren van elk ƒ 7.200, zes jaren van ƒ 4.800 en zes jaren van ƒ 2.400. Met grief II in het principaal beroep komt Achmea daartegen op, met name op de grond dat ter zake geen uitgaven door [geïntimeerde 1] c.s. zijn gedaan.
3.3.2
Het hof stelt vast dat [betrokkene 2] ten tijde van het ongeval een dienstbetrekking had van 20 uren per week en dat zij voornemens was per 1 september 1993 30 uren te gaan werken. Dit laatste viel samen met de gang naar de basisschool van [betrokkene 1]. Afzonderlijke kosten van kinderopvang of huishoudelijke hulp maakte het gezin [geïntimeerde 1] niet, terwijl het ook niet in de bedoeling lag die kosten te gaan maken. Voorts heeft [geïntimeerde 1] c.s. onvoldoende gesteld om tegenover de betwisting dat daadwerkelijk uitgaven voor huishoudelijk hulp zijn gedaan, te kunnen aannemen dat zodanige kosten wel gemaakt zijn. Op 1 oktober 1995 is [geïntimeerde 1] hertrouwd. In ieder geval vanaf dat moment zijn de huishoudelijke taken verzorgd door diens nieuwe echtgenote.
3.3.3
Anders dan in eerste aanleg beroept [geïntimeerde 1] c.s. zich in hoger beroep uitdrukkelijk op artikel 6:108, eerste lid aanhef en sub d, BW.
3.3.4
Het hof is van oordeel dat in beginsel voor schadeposten als de onderhavige slechts een schadevergoedingsplicht bestaat, indien sprake is van daadwerkelijk gemaakte kosten. Dit is slechts anders indien onder bijzondere omstandigheden, die zijn gesteld noch gebleken, wordt afgezien van het inschakelen van professionele krachten waar dat normaal gesproken is aangewezen.
3.3.5
Voor zover [geïntimeerde 1] c.s. wil betogen dat het in hoger beroep aangehaalde artikel een grondslag biedt voor een abstracte schadevergoeding in het geval de overledene huishoudelijke taken verrichtte, miskent het dat huishoudelijke taken normaal gesproken worden verricht door de gezinsleden gezamenlijk en dat zij elkaar daarin over en weer bijstaan. De schadevergoedingsplicht voor een vervangende huishoudelijke hulp als in genoemd artikel bedoeld, ontstaat eerst dan indien binnen de normale gang van zaken niet kan worden voorzien in de behoefte daaraan. Gesteld noch gebleken is dat na het overlijden van [betrokkene 2] niet op gebruikelijke wijze in huishoudelijke taken is voorzien.
3.3.6
Dat is niet anders indien de overlevende ouder hertrouwt en een nieuw gezin sticht waarvan de kinderen uit het eerdere huwelijk deel uitmaken. De stelling van [geïntimeerde 1] c.s. dat door het huwelijk kosten worden bespaard ten voordele van de verzekeraar, faalt reeds omdat die kosten ook voorafgaand aan het huwelijk niet zijn gemaakt; nog daargelaten dat een stiefmoeder niet gelijk te stellen is met een betaalde huishoudelijke hulp voor de kinderen uit het eerdere huwelijk van haar echtgenoot. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven, zijn gesteld noch gebleken.
3.3.7
De slotsom is dat grief II slaagt. Het hof heeft uit de Audalet-berekeningen de nominale bedragen kunnen halen, maar kan niet de kapitalisatie daarvan vaststellen. [geïntimeerde 1] heeft daarom andermaal een nieuwe berekening in het geding te brengen, waarin geen kosten van huishoudelijke hulp zijn opgenomen. Achmea kan zich daarover vervolgens uitlaten.
C) buitengerechtelijke kosten
3.4.1
Partijen strijden over de vraag welke kosten toewijsbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 6:96, tweede lid sub b en c.
3.4.2
Met grief III in principaal hoger beroep komt Achmea op tegen de toewijzing van buitengerechtelijke kosten, omdat ter zake rechtsbijstand aan [geïntimeerde 1] is verleend krachtens een rechtsbijstandverzekering. Met grief 1 in incidenteel beroep maakt [geïntimeerde 1] c.s. bezwaar tegen de maximering van de toewijsbare buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid onder c BW tot 2 punten van het voor de eerste aanleg toepasselijke liquidatietarief met een maximum van 15% van de hoofdsom. Met grief 2 in incidenteel beroep wordt geklaagd dat de rechtbank niet de volledige kosten van Valau ad ƒ 10.314,64 heeft toegewezen.
3.4.3
Tot de schade die voor vergoeding door de veroorzaker van het ongeval, althans diens verzekeraar, in aanmerking komt behoren de redelijke kosten ter vaststelling van schade (en aansprakelijkheid) en de redelijke kosten ter verkrijging van betaling buiten rechte, een en ander als bedoeld in de artikelen 6:96, tweede lid sub b en c BW. Dat deze kosten in beginsel redelijk zijn en voor rekening van Achmea komen, wordt door Achmea, behoudens de hoogte ervan, niet betwist. Achmea meent niet gehouden te zijn de kosten te voldoen, omdat [geïntimeerde 1] een rechtsbijstandsverzekering had gesloten en de kosten van rechtsbijstand door die verzekeraar zijn gedragen krachtens die overeenkomst. Deze stelling kan niet als juist worden aanvaard, aangezien dit standpunt zou meebrengen dat degene die de schade heeft veroorzaakt, althans diens verzekeraar, aan zijn verplichting tot (volledige) schadevergoeding ontkomt en daarvan profiteert, doordat de door hem veroorzaakte schade wordt vergoed door de rechtsbijstandverzekeraar van degene die de schade heeft geleden. De kosten waarvan [geïntimeerde 1] c.s. vergoeding vordert zijn aan te merken als schade die door hemzelf is geleden, ook al heeft [geïntimeerde 1] zich — en kennelijk mede ten behoeve van [geïntimeerde 2] en [betrokkene 1] — voorafgaand aan het ongeval tegen die kosten verzekerd. Om die reden faalt grief III in het principaal beroep.
3.4.4
In beginsel zijn de Audalet-berekeningen redelijke kosten ter vaststelling van de schade en geheel toewijsbaar, indien de schadevergoeding wordt toegekend. Zulks had de rechtbank ook overwogen, maar het ter zake toegewezen bedrag correspondeert niet met de door de Valau in rekening gebrachte kosten. Anders dan Achmea acht het hof de kosten van € 10.314,64 redelijk en niet zodanig hoog dat matiging moet plaatsvinden. Het bezwaar van Achmea dat de berekeningen zonder overleg met haar tot stand zijn gekomen, doet daar niet aan af. Het hof zal die kosten tot genoemd bedrag toewijzen. Grief 2 in het incidenteel beroep slaagt.
3.4.5
Anders dan [geïntimeerde 1] c.s. meent, geldt voor de redelijke kosten ter verkrijging van betaling buiten rechte in beginsel dat een proportionele verhouding tussen deze kosten en de in rechte toewijsbare hoofdsom moet bestaan. Hetgeen [geïntimeerde 1] c.s. in hoger beroep aanvoert ter zake van de overige buitengerechtelijke kosten is onvoldoende om aan te nemen dat in de onderhavige zaak een andere maatstaf heeft te gelden dan die door de rechtbank is toegepast. Grief 1 in incidenteel beroep faalt.
4. Slotsom
4.1
De inkomsten van [geïntimeerde 1] dienen buiten beschouwing te blijven bij de berekening van het verlies van levensonderhoud van [geïntimeerde 2] en [betrokkene 1]. Grief I in het principaal beroep faalt.
4.2
Ten onrechte heeft de rechtbank de kosten van huishoudelijke hulp ten behoeve van de [geïntimeerde 2] en [betrokkene 1] toegewezen. Grief II in het principaal beroep slaagt. [geïntimeerde 1] c.s. kan bij akte een herziene Audalet-berekening in het geding brengen waarin geen kosten van huishoudelijke hulp zijn meegeteld. Achmea kan daarop bij akte antwoorden.
4.3
De kosten van de Audalet-berekeningen van Valau, zoals in eerste aanleg gevorderd ad € 10.314,64 zijn redelijke kosten ter vaststelling van de schade, zoals bedoeld in artikel 6:96, tweede lid onder b, BW en komen geheel voor toewijzing in aanmerking. De overige gevorderde buitengerechtelijke kosten als bedoeld in het zojuist aangehaalde artikel onder c, zijn toewijsbaar tot 2 punten van het voor de eerste aanleg toepasselijke liquidatietarief met een maximum van 15% van de toe te wijzen hoofdsom. Daarmee falen grief III in het principaal beroep en grief 1 in het incidenteel beroep, maar slaagt grief 2 in het incidenteel beroep.
4.4
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden tot het eindarrest.
5. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van donderdag 19 oktober 2006 voor het nemen van een akte aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. tot het hiervoor onder 3.3.7 en 4.2 omschreven doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.G. Wiewel, A. van Haeringen en C.A. Joustra en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 september 2006.
[mr. T.A.C. van Hartingsveldt]