Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/8.9:8.9 Conclusie
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/8.9
8.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192784:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
479. De stemming vormt de spil van het democratische element van de pre-insolventieakkoordprocedure. In dit hoofdstuk kwam met name naar voren dat de Nederlandse wetgever in de WHOA voorziet in een flexibele regeling. De aanbieder van het akkoord heeft in belangrijke mate zelf de regie over het verloop van de stemming. Zo mag hij zelf weten hoe en tegen welke termijn hij de vermogensverschaffers oproept, mits hij de betrokken vermogensverschaffers maar in staat stelt zich een “geïnformeerd oordeel te vormen over het akkoord”. Bovendien zou de aanbieder zelf een ‘voting record date’ voor kunnen stellen, zonder dat hij daarvoor naar de rechter hoeft. In §8.5 betoogde ik dat deze vrijheid niet onbegrensd is, alleen al omdat uit art. 1 EP EVRM ook procedurele waarborgen voortvloeien. De rechter zou daarom mijns inziens moeten nagaan of de aanbieder – gegeven de omstandigheden van het concrete geval – aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan.
In §8.2 besprak ik dat schuldeisers en aandeelhouders stemgerechtigd zijn wanneer hun juridische rechten worden gewijzigd. De WHOA bevat ook een bijzondere voorziening voor die gevallen waarin het economisch belang bij een vordering of aandeel geheel of in overwegende mate bij een ander ligt. In dat geval dienen de economisch belanghebbenden te stemmen over het akkoord. De voorgestelde regeling komt tegemoet aan de consultatiereacties over het Voorontwerp WHOA, waarin om méér flexibiliteit werd gevraagd. De huidige regeling zou mijns inziens niet zó flexibel mogen zijn dat de aanbieder van het akkoord ervoor kan kiezen contractuele dan wel uit de wet voortvloeiende bevoegdheidsverdelingen te doorkruisen.
De geschillenprocedure vervult een belangrijke rol in die gevallen waarin er geschillen rijzen over de toelating tot de stemming c.q. het bedrag waarvoor een vermogensverschaffer een stem kan uitbrengen. De procedure biedt de aanbieder de mogelijkheid dergelijke geschilpunten –nog voordat de stemming plaatsvindt – te laten beslechten (§8.3). Dergelijke beslissingen zijn slechts bindend voor de toelating tot de stemming, er vindt – evenmin als het geval is in surseance – een verificatieproces plaats.
De aanbieder van het akkoord mag ook beslissen hoe de stemming over het akkoord plaatsvindt: traditionele fysieke vergaderingen zijn mogelijk, maar de stemming kan ook via elektronische communicatiemiddelen plaatsvinden. In §8.7 stelde ik dat de aanbieder van het akkoord er wijs aan doet bij het vormgeven van de stemprocedure ook na te denken over een mogelijke (onafhankelijke) voorzitter van de vergaderingen en over de vraag hoe met eventuele processuele kwesties zal worden omgegaan.
De WHOA breekt met het ons al eeuwen bekende dubbele meerderheidsvereiste. Een klasse heeft met het akkoord ingestemd wanneer een groep schuldeisers of aandeelhouders voorstemde die gezamenlijk minstens twee derde van het totale bedrag aan vorderingen of aandelen van de stemmende vermogensverschaffers vertegenwoordigt. Hoewel een naast een waardecriterium geldend getalsvereiste ‘kleine schuldeisers’ beoogt te beschermen, geeft het hen een wel zeer effectief vetorecht. Bovendien kan in een systeem met een getalsvereiste door middel van ‘vote splitting’ voorkomen worden dat de rechter überhaupt bevoegd is over een homologatieverzoek te oordelen. De keuze om in de WHOA geen getalsvereiste te introduceren is dan ook toe te juichen. Tijdens de homologatiefase zou de rechter bijzondere aandacht kunnen besteden aan de vraag of de overstemde vermogensverschaffers afdoende zijn beschermd.
Na de stemming maakt de aanbieder van het akkoord een verslag op. Hij legt dat ter inzage voor de stemgerechtigden en geeft daarbij aan of hij voornemens is een homologatieverzoek in te dienen. De vermogensverschaffers kunnen zich vervolgens buigen over de vraag of zij verzoekschriften tot weigering van de homologatie zullen indienen. De homologatiefase komt aan bod in het volgende hoofdstuk.