Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/13
Hoofdstuk 13 Eindconclusie: de ernstigverwijtmaatstaf leidt tot bange bestuurders, burgers en rechtspersonen en dient te worden losgelaten
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS350970:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Veen 2016, par. 3.4.
HR 18 september 2015, NJ 2016, 66 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2015/289m.nt.S.C.J.J. Kortmann (Breeweg/Wijnkamp).
Zie de discussie hierover in Van Bekkum 2016, Westenbroek 2016a en Westenbroek 2016c. Gelet op de conclusie van A-G Spier bij HR 18 januari 2002, NJ 2002, 96 (Textile Company APS/Steins), r.o. 3.14 waarin hij expliciet overwoog dat voor externe bestuurdersaansprakelijkheid geen ernstig verwijt is vereist, meen ik te kunnen herleiden dat A-G Spier doelt op de ontwikkeling van deze ernstigverwijtmaatstaf.
Timmerman 2016 (zie par. 25), als reactie op onder meer Van Veen 2016, par. 3.4.
Zie naast mijn eigen artikelen bijvoorbeeld: Glasz 1986; Blanco Fernández 1993, p. 174-179; Glasz, Beckman & Bos 1994, p. 113-114; Van der Vlis 1994; Glasz 1995, p. 48; Blanco Fernández 2000, p. 474; Assink & Olden 2005, p. 9-16; Assink 2010, par. 55 e.v.; Strik 2010, p. 23 en 27; Assink 2011, par. 2.V, Onderwerp 2; Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 1172; Huizink 2011, p. 9; Huizink 2013; Bartman 2014; Verstijlen 2013; Verstijlen 2015; Karapetian 2015a; Karapetian 2015b; Tuil 2015; Van Veen 2016. Sommige auteurs hebben de geconstateerde inconsistenties later weggeschreven door de ernstigverwijtmaatstaf een ‘plaats’ te geven in het wettelijk systeem. Na de introductie van de maatstaf door de Hoge Raad, heeft de betekenis van de ernstigverwijtmaatstaf zich dan ook met name in de doctrine verder ontwikkeld. Dit verklaart de grote hoeveelheid literatuur over dit onderwerp.
Fleming 2014, par. 6.1.
Timmerman 2016 stelde in voetnoot 20 ter verdediging van de ernstigverwijtmaatstaf dat een schuldeiser van de rechtspersoon zich op twee vermogens (dat van de vennootschap en dat van de bestuurder) kan verhalen. Dit gegeven is zijns inziens relevant voor het beantwoorden van de vraag onder welke omstandigheden een bestuurder aansprakelijk dient te zijn. Ik draai deze stelling liever om: derden weten al dat zij handelen met een rechtspersoon en dus dat een risico bestaat dat die rechtspersoon geen verhaal biedt en dat zij zich dan in beginsel niet kunnen wenden tot de bestuurders en aandeelhouders. Dat vormt reden te meer derden te beschermen tegen bestuurders die het niet zo nauw nemen met de maatschappelijke betamelijkheid.
Het in par. 9.4.3 en 10.2.6 besproken arrest RCI/Kastrop en de door Tuil omschreven gevolgen daarvan (zie eveneens par. 10.2.6) vormen daar een goed voorbeeld van.
Zie onder andere: Assink 2005; Assink 2007, p. 1-4; Assink 2008; Kroeze 2005, p. 18; Timmerman 2009a; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/448. Het gaat het bestek van dit proefschrift te buiten daar verder op in te gaan.
Het onderzoek heeft samengevat geleid tot de volgende conclusies, waarvan ik mij bewust ben dat daarin een bepaalde mate van stelligheid zit. Dat is echter nu eenmaal inherent aan het formuleren van zinvolle conclusies:
Interne bestuurdersaansprakelijkheid
De in 1997 in het arrest Staleman/Van de Ven geïntroduceerde ernstigverwijtmaatstaf voor interne bestuurdersaansprakelijkheid is een onnodige verdere invulling van art. 2:9 BW en van het begrip ‘onbehoorlijke taakvervulling’ als bedoeld in art. 2:9 BW. Daarmee wordt ten onrechte een institutioneel taalkundig schuldbegrip geïntroduceerd dat niet past bij de objectieve toets die gehanteerd dient te worden volgens de ratio van art. 2:9 BW.
De ernstigverwijtmaatstaf voor interne bestuurdersaansprakelijkheid creëert onduidelijkheid over (a) de betekenis, ratio en systematiek van art. 2:9 BW, die uitgaat van een op het collegialiteitsbeginsel gebaseerde gezamenlijke verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid van het bestuur als collectief, met de mogelijkheid van disculpatie voor de individuele bestuurder, en (b) de daarmee samenhangende door de wetgever beoogde stelplicht- en bewijslastverdeling.
De codificatie per 1 januari 2013 van de ernstigverwijtmaatstaf in art. 2:9 BW en het Voorstel van Wet bestuur en toezicht rechtspersonen van 8 juni 2016 nemen de hiervoor geconstateerde onduidelijkheid niet weg.
De termen ‘onbehoorlijk bestuur’, ‘(on)behoorlijke taakvervulling’ en ‘kennelijk onbehoorlijke taakvervulling’ impliceren dezelfde gedragsnormen die op de individuele bestuurder rusten. Het verdient de voorkeur om in art. 2:9 BW en art. 2:138/248 BW steeds van dezelfde term te spreken, zijnde ‘(on)behoorlijke taakvervulling’ dat zowel omvat ‘inhoudelijk’ als ‘collegiaal’ (on)behoorlijke taakvervulling.
Externe bestuurdersaansprakelijkheid
De in 2006 in het arrest Ontvanger/Roelofsen geïntroduceerde ernstigverwijtmaatstaf voor externe bestuurdersaansprakelijkheid lijkt vooral te zijn gebaseerd op woordkeuze uit jurisprudentie in de periode tussen 1997 en 2006, zonder dat daar een rechtstheoretische en rechtspolitieke rechtvaardiging aan ten grondslag ligt.
De alsnog in 2014 in Hezemans Air en RCI/Kastrop gegeven rechtstheoretische en rechtspolitieke rechtvaardiging voor de toepassing van de ernstigverwijtmaatstaf bij externe bestuurdersaansprakelijkheid lijken voorbij te gaan de beginselen van rechtspersoonlijkheid en rechtssubjectiviteit. De wettelijke grondslag voor externe bestuurdersaansprakelijkheid is art. 6:162 BW en vereist slechts dat de bestuurder heeft gehandeld in strijd met een persoonlijk op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting.
Interne en externe bestuurdersaansprakelijkheid
Voor zover de bestuurder zou moeten worden beschermd tegen te snelle interne en externe bestuurdersaansprakelijkheid is die bescherming een direct gevolg van de betekenis van het begrip ‘onbehoorlijke taakvervulling’ als bedoeld in art. 2:9 BW voor interne aansprakelijkheid en van rechtspersoonlijkheid en rechtssubjectiviteit voor externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW. De ernstigverwijtmaatstaf en de daarin bedoelde ‘hoge drempel voor aansprakelijkheid’ is daarvoor onnodig.
Het streven naar zogenoemde normatieve convergentie (lees: het streven naar een uniforme maatstaf voor interne en externe aansprakelijkheid) is onnodig en onwenselijk, omdat geen sprake is van samenloop van rechtsregels en de normen verschillende belangen beogen te beschermen. Dit neemt niet weg dat de op de bestuurder rustende verbintenissen om de bestuurstaak inhoudelijk en collegiaal behoorlijk te vervullen, als gevolg van de bewaarnemersrol die de bestuurder vervult in het maatschappelijk verkeer, art. 6:162 BW kunnen inkleuren. In de rechtspraak en doctrine verdient deze bewaarnemersrol meer aandacht.
De rechter dient de wet toe te passen. De ‘rechtsvormende’ taak van de rechter beperkt zich in beginsel tot het interpreteren, uitleggen en verfijnen van open normen die een wettelijke basis hebben. De rechter dient zich daarbij zo veel als mogelijk te houden aan de taal van de wetgever. Hij dient voorts rekening te houden met het institutionele karakter van taal binnen het recht. De totstandkoming en het gebruik van de ernstigverwijtmaatstaf lijkt hiermee niet te rijmen. De toepassing daarvan heeft voorts een dusdanige invloed op de toepassing en interpretatie van art. 2:9 BW (dat blijkt ook uit de codificatie in art. 2:9 BW) en art. 6:162 BW dat daarmee minst genomen de vraag dient te worden gesteld of de Hoge Raad daarmee niet te veel voorbij is gegaan aan zijn primaire taak om de wet toe te passen en of hij daarmee rechtspolitiek heeft bedreven. Deze vraag dient mijns inziens positief beantwoord te worden en dat is staatsrechtelijk niet te rechtvaardigen.
De ernstigverwijtmaatstaf leidt tot onnodige juridisering, onnodige belasting van de rechterlijke macht, tot een gebrek aan eenheid in de rechtspraak en literatuur en tot onnodig ingewikkelde en in sommige gevallen onjuiste rechtspraak over interne en externe bestuurdersaansprakelijkheid.
De huidige ontwikkeling in de rechtswetenschap leidt tot een grillig en onsamenhangend beeld van arresten van de Hoge Raad over bestuurdersaansprakelijkheid.1 In zijn conclusie bij het arrest Breeweg/Wijnkamp, waarin de ernstigverwijtmaatstaf een rol speelde, overwoog A-G Spier:
“Kort en goed: ik besef dat de rechtsontwikkeling al een eindje is doorgeschoten in een richting die m.i. niet in alle opzichten gelukkig is. Maar dat is een gegeven.”2
Wat A-G Spier hier precies mee bedoelde is niet zeker.3 Wat daar ook van zij, ik vind dat ook niet zo belangrijk, de zinsnede op zichzelf bezien acht ik zonder meer op zijn plaats in het kader van mijn betoog. De rechtsontwikkeling is inderdaad al een eindje doorgeschoten in een richting die ook naar mijn mening niet in alle opzichten gelukkig is. Maar dat kan worden rechtgezet. Gelet op het belang dat de ernstigverwijtmaatstaf inmiddels heeft verworven door de literatuur, de rechtspraak en de wetgever, zou men kunnen betogen dat dit rechtzetten afbreuk kan doen aan de bestendige lijn in de jurisprudentie en aan de recente codificatie. Daardoor zou juist meer onduidelijkheid en meer rechtsonzekerheid kunnen ontstaan. Hoewel die gedachte begrijpelijk is, zou deze gedachte impliceren dat men niet meer zou mogen afwijken van het reeds ingeslagen pad en niet meer zou mogen terugkomen op in het verleden gemaakte keuzes, terwijl men inmiddels beter zou weten. Dat lijkt mij een onwenselijke conclusie. Men kan in dat verband niet eraan voorbijgaan dat de ernstigverwijtmaatstaf rechtstheoretisch niet te rechtvaardigen is.
In het kader van interne en externe bestuurdersaansprakelijkheid zou gewoon (weer) moeten worden gesproken over de predikaten ‘onbehoorlijke taakvervulling’ respectievelijk ‘onrechtmatige daad’. De codificatie van de ernstigverwijtmaatstaf dient door de wetgever te worden teruggedraaid en het wetsvoorstel van 8 juni 2016 biedt daarvoor een goede mogelijkheid. Het loslaten van de ernstigverwijtmaatstaf vergt een paradigmawijziging waarin, zoals in de inleiding van dit proefschrift beschreven, de rechterlijke macht en de meerderheid vertegenwoordigende literatuur een belangrijke verantwoordelijkheid hebben. Timmerman omschreef recentelijk hoe volgens hem het raamwerk van de bestuurdersaansprakelijkheid op dit moment in elkaar steekt.4 Hij vond dat het een goed uit te leggen en ook te verdedigen systeem was en dat men ongelijk heeft als men zijn verhaal niet consistent vindt. Zoals ik in par. 1.3 heb uiteengezet kan men in rechtspolitiek niet echt spreken over juist of onjuist (gelijk of ongelijk). Hoewel dat in de rechtstheorie naar mijn mening wel mogelijk is, moet ik onderkennen dat ook daarover de meningen kunnen verschillen. Ik hoop echter dat de rechtswetenschap na bestudering van mijn proefschrift open is gaan staan voor de mogelijkheid dat de thans tot een paradigma verheven ernstigverwijtmaatstaf minder vanzelfsprekend is dan tot nu toe is aangenomen. Sterker, dat deze dient te worden losgelaten. Zoals in de inleiding reeds opgemerkt, merk ik daarbij op dat mijn beschouwingen zeker niet allemaal volstrekt nieuw zijn. Ik heb in mijn proefschrift diverse keren (hoog)geleerde auteurs aangehaald die inconsistenties in het systeem hebben geconstateerd (zie ook de citaten in par. 1.2.4).5 In mijn proefschrift heb ik deze inconsistenties samengevoegd en in onderlinge samenhang beschouwd tezamen met de door mij gedane constateringen. Daardoor kon ik mijn analyse meeromvattend maken en verdergaande conclusies verbinden aan de ook door hen geconstateerde inconsistenties. Deze conclusies verdienen naar mijn mening een kritische herbezinning van het systeem.
In het Jaarboek Corporate Governance werd de vrees uitgesproken dat het Nederlandse ondernemingsrecht meer en meer verworden is tot een wetenschap die voor de niet-specialist nog nauwelijks te doorgronden is en dat het, voor degenen die met het onderwerp bestuurdersaansprakelijkheid worden geconfronteerd, lastig kan zijn regelgeving en jurisprudentie te vertalen naar de praktijk. Dat wringt in het bijzonder daar waar regelgeving en rechtspraak voor de persoonlijke (vermogens)positie van bestuurders en commissarissen vergaande gevolgen kunnen hebben.6
Bange bestuurders is het gevolg: de keerzijde is ook bange rechtspersonen en bange burgers. Want als de normen voor de bestuurder die aansprakelijkheid vreest vaag zijn, hebben rechtspersonen, aandeelhouders en derden net zo veel te vrezen van het gegeven dat zij niet weten wat zij van hun bestuurder of vertegenwoordiger van hun wederpartij-rechtspersoon mogen verwachten.
In het externe bestuurdersaansprakelijkheidsrecht wringt dit te meer. Derden moeten erop kunnen vertrouwen dat voor bestuurders van (en voor alle andere betrokkenen bij) rechtspersonen, zonder welke rechtspersonen niet kunnen functioneren, tenminste dezelfde maatschappelijke betamelijkheidsnormen gelden als voor ieder andere natuurlijk persoon in het maatschappelijk verkeer. Derden weten al dat zij handelen met een rechtspersoon en dat een risico bestaat dat die rechtspersoon geen verhaal biedt. Zij weten dat zij zich dan in beginsel niet kunnen wenden tot de bestuurders en aandeelhouders.7 Daar zorgt rechtspersoonlijkheid voor. Zij moeten kunnen vertrouwen op de geobjectiveerde kennis en capaciteiten van de bestuurder en op de bewaarnemersrol die de bestuurder in relatie tot de rechtspersoon vervult in het maatschappelijk verkeer. Die bewaarnemersrol brengt juist aanvullende maatschappelijke betamelijkheidsnormen met zich. Deze bewaarnemersrol verdient meer aandacht in de literatuur en rechtspraak. Derden moeten niet het idee hebben dat, wanneer zij handelen met een rechtspersoon, zij zich in een bepaalde verdergaande gevarenzone begeven omdat de bestuurder van die rechtspersoon zijn beslissingen niet “in onwenselijke mate door defensieve overwegingen” hoeft te laten bepalen. Ook zouden zij niet moeten vrezen dat de bestuurder zich kan verschuilen achter de rechtspersoon omdat zijn gedragingen ‘primair' gedragingen van de rechtspersoon zouden zijn, waardoor voor de bestuurder een ‘hoge drempel voor aansprakelijkheid’ zou bestaan. Zouden ze dat idee wel hebben, dan krijg je geen ‘bange bestuurders’, maar ‘bange burgers’. Zij zullen (al dan niet in hoedanigheid van bestuurder van een andere rechtspersoon) terughoudend worden om met rechtspersonen te handelen omdat de natuurlijk personen, die namens de rechtspersoon handelen, minder voorzichtig hoeven te zijn en hen kennelijk aan een groter gevaar zouden mogen blootstellen dan een willekeurig ander natuurlijk persoon dat zou mogen doen.8 Dit ondermijnt de ratio achter rechtspersoonlijkheid, namelijk dat natuurlijk personen in het georganiseerd verband van ‘de rechtspersoon’, als door de wetgever gecreëerd (abstract) rechtssubject, aan het maatschappelijk (economisch) verkeer kunnen deelnemen, zonder dat zij daarbij steeds persoonlijk verplichtingen moeten aangaan.
Kort en goed, de ernstigverwijtmaatstaf dient naar mijn mening te worden losgelaten voor zowel de beoordeling van interne als externe bestuurdersaansprakelijkheid. Het loslaten van de ernstigverwijtmaatstaf leidt niet tot snellere aansprakelijkheid van bestuurders dan thans in de rechtspraak wordt aangenomen. Dat neemt niet weg dat ik in dit proefschrift een enkele keer heb moeten constateren dat uitspraken in mijn ogen anders hadden moeten uitpakken (zie par. 6.4, 6.7 en par. 10.2.6). Ik denk dat die uitspraken vooral een gevolg zijn een onjuiste toepassing van de wet, welke onjuiste toepassing is veroorzaakt door de onduidelijkheid die is ontstaan als gevolg van de ongelukkige rechtstheoretische ontwikkelingen die ik in dit proefschrift heb uiteengezet.
Voor bestuurders van alle rechtspersonen (ook die geen onderneming drijven) geldt dat zij niet steeds intern aansprakelijk zijn voor een (beleids)beslissing die – soms in een sfeer van onzekerheid – wordt genomen, waarvan de uitkomst onzeker is en die achteraf voor de rechtspersoon minder goed uitpakt dan gedacht. Dat is een gevolg van de betekenis van onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in art. 2:9 BW en dat geldt voor alle rechtspersonen. Daarnaast geldt voor bestuurders van alle rechtspersonen dat zij jegens derden bescherming genieten als gevolg van rechtspersoonlijkheid en rechtssubjectiviteit. De ernstigverwijtmaatstaf is voor dit alles niet nodig. Net zo min als de door de Hoge Raad gegeven rechtvaardiging voor die maatstaf in de arresten Willemsen/NOM, Hezemans Air en RCI/Kastrop.
Het loslaten van de ernstigverwijtmaatstaf en het uniformeren van de terminologie in art. 2:9 BW en art. 2:138/248 BW leidt wel tot duidelijkheid en rechtszekerheid. Bestuurders, rechtspersonen en derden hebben recht op duidelijkheid over de omstandigheden waarin en de grondslagen waarop bestuurders persoonlijk aansprakelijk zijn jegens de rechtspersoon, de boedel en de derde. Oftewel, rechtszekerheid door duidelijkere rechtspraak en door gebruik te maken van de wettelijke kaders die de wetgever in dat verband heeft gegeven.
Waar het betreft de interne aansprakelijkheid betekent dit dat voor zover het al wenselijk zou zijn de open term ‘onbehoorlijke taakvervulling’ nader in te vullen en deze nadere invulling ook te codificeren, het zaak is dat niet te doen met een andere open term zoals de ernstigverwijtmaatstaf uit Staleman/Van de Ven. Die term moet dus worden losgelaten. De aangewezen weg lijkt mij het collegialiteitsbeginsel duidelijker in de wet te verankeren, ook bij art. 2:138/248 BW. Daarnaast zou aansluiting moeten worden gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van het enquêterecht en de gelijkluidende jurisprudentie op het gebied van aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaars: “heeft de bestuurder gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend bestuurder te werk zou zijn gegaan” (zie par. 3.7.4 en par. 3.7.7). Ik doe in dit verband in hoofdstuk 8 een nieuw voorstel voor art. 2:9 BW. Het in het verleden in de literatuur gevoerde om betoog over te gaan tot de introductie van met de ‘business judgment rule’ vergelijkbare normen zou uiteraard nadere invulling kunnen geven.9
Waar het betreft de externe aansprakelijkheid betekent dit dat – in lijn met de rechtssystemen in Delaware, het Verenigd Koninkrijk en België – art. 6:162 BW weer gewoon toegepast moet worden. De Hoge Raad kan dat doen aan de hand van onder meer de inhoudelijke criteria die hij heeft geformuleerd vóór het arrest Ontvanger/Roelofsen in de standaardarresten Beklamel en Van Dullemen/Sala. Daarbij dient geen gebruik meer te worden gemaakt van de ernstigverwijtmaatstaf. De Hoge Raad zou daarbij voorts moeten onderkennen dat deze criteria slechts voorbeelden vormen van onrechtmatig handelen van een bestuurder van een rechtspersoon. Dit zijn niet de enige criteria die relevant zijn. Steeds zal de vraag moeten worden gesteld of de bestuurder persoonlijk een zorgvuldigheidsnorm jegens de derde heeft geschonden. In dat kader zijn alle omstandigheden van het geval relevant en niet slechts omstandigheden die passen in het toetsingsmodel van Ontvanger/Roelofsen. De omstandigheden in RCI/Kastrop zouden kunnen hebben geleid tot een zinvolle aanvulling op de bestaande criteria uit Beklamel en Van Dullemen/Sala. Het zou hoe dan ook goed zijn als meer concrete omstandigheden/normen worden omschreven/vastgesteld die relevant kunnen zijn bij de vraag wanneer een bestuurder aansprakelijk is jegens een derde die handelt met de door die bestuurder vertegenwoordigde rechtspersoon.
Tot slot, hoewel de omvang van dit proefschrift anders doet vermoeden, beoog ik de theoretische kaders van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht juist eenvoudiger te maken. De omvang van dit proefschrift laat naar mijn mening met name zien dat dit nodig is. In de afgelopen decennia zijn er verschillende momenten geweest waarin de vrees voor te snelle aansprakelijkheid van bestuurders heeft geleid tot het onnodig complex maken van de wettelijke kaders van bestuurdersaansprakelijkheid (zoals de invoering van het woord ‘kennelijk’ in art. 2:138/248 BW en de term ‘ernstig verwijt’ in art. 2:9 BW) en van de rechtstheorie daaromheen. Door terug te gaan naar de algemene (civielrechtelijke) beginselen die relevant zijn in het kader van interne en externe bestuurdersaansprakelijkheid, heb ik getracht duidelijk te maken dat die vrees en de rechtsontwikkeling die dat heeft losgemaakt ongegrond en onnodig is. De theorie rondom bestuurdersaansprakelijkheid dient niet zo ingewikkeld te zijn als deze inmiddels is gemaakt. Laten we teruggaan naar de basis.