Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.3.3
10.3.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588343:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 551; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11* 2009, nr. 267; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 835a; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 1; Van Achterberg 1999, nr. 17 (fine); Wibier 2009a, nr. 25; Reehuis 1987, p. 241; Rank-Berenschot 1997b, p. 49-50; Verdaas 2008a, nr. 428, met ook verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 537 en 542; T&C 2002 Vermogensrecht (T.J. Mellema-Kranenburg), art. 6:145, aant. 1. Zie ook HR 18 november 2005, NJ 2006, 190 (Nap/Rabobank); JOR 2006/28, m.nt. N.S.G.J. Vermunt.
Vgl. F.H. J. Mijnssen in zijn noot (sub 3) onder HR 19 oktober 1979, NJ 1980, 299.
Zie HR 5 oktober 2007, NJ 2007, 542.
Zie voor pand, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 835a.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 835a.
Vgl. Broekveldt 2003a, nr. 358-359.
In het geval van art. 6:37 BW of art. 6:48 lid 3 BW oefent de schuldenaar zijn opschortingsbevoegdheid uit jegens de inningsbevoegde derde (zie hieronder). Art. 6:53 BW is niet van toepassing. Vgl. Losbladige Verbintenissenrecht 2008 (R.J.Q Klomp), afd. 6.1.7., aant. 5. Zie voor pand, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 835a.
Art. 60 lid 2 t/m 4 Fw bevatten regels voor de verkoop van de desbetreffende zaak en de voorrang ten aanzien van de executieopbrengst; dit blijft buiten beschouwing. Zie hierover nader, en over een retentierecht met betrekking tot een zaak van een gefailleerde derde-rechthebbende, Biemans 2009c, par. 2 en 3; en Biemans 2009f.
Vgl. Van Achterberg 1999, nr. 17 (fine); Wibier 2009a, nr. 25; Verdaas 2008a, nr. 435 en 437; Stein/Rueb 2009, par. 17.5.10 (bewijs); H.J. Snijders 2007, art. 1020, aant. 7 (arbitrage), met verdere literatuurverwijzingen.
Zie voor een internationale forumkeuze: HR 16 april1999, NJ 2001, 1 (PV); en zie voor een arbitragebeding: Rb. Utrecht 4 september 2002, NJkort 2002, 82, en TvA 2002/14, m.nt. A.I.M. van Mierlo; Ynzonides 1991, p. 389 e.v.; Sanders 2001, p. 43; Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 376; Polak/Wessels V, nr. 5005 en 5027; Van Mierlo & Van de Hel-Koedoot 2010, p. 39 e.v.; Faber 2005, nr. 290. Art. 122 Fw schept derhalve geen algemene exclusieve bevoegdheid voor de daarin aangewezen rechtbank tot de beoordeling van geschillen met betrekking tot ter verificatie aangemelde vorderingen.
Zie Verdaas 2008a, nr. 435 en 437.
Zie F.M.J. Jansen 1990, p. 207. Vgl. Rb. Amsterdam 14 november 1933, vernietigd door Hof Amsterdam 3 januari 1935, NJ 1936, 914, en Rb. Amsterdam 16 maart 1937, NJ 1938, 284 en 285. Als een vereniging opkomt voor de belangen van haar leden, kan de wederpartij op een met de led en overeengekomen arbitragebeding jegens de vereniging een beroep doen. Zie HR 1 juli 1993, NJ 1994, 461, m.nt. HJS; en H.J. Snijders 2007, art. 1020, aant. 7, met verdere literatuurverwijzingen.
Zie Broekveldt 2003a, nr. 294-295 (arbitragebeding en forumkeuzebeding); Broekveldt 2001, p. 143 e.v.; en in navolging daarvan, Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 189.
Zie hieronder voor de vraag jegens wie de schuldenaar afstand van recht moet doen.
568. Om de betekenis van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW voor de rechtspositie van de schuldenaar te achterhalen, dient te worden vastgesteld wat de positie van de schuldenaar zou zijn geweest zonder deze bepaling in het geval dat de vordering was overgegaan anders dan door stille cessie en de oude schuldeiser ook krachtens privatieve last inningsbevoegd was gebleven. Deze paragraaf spitst zich toe op de vraag in hoeverre de toekenning van de inningsbevoegdheid van invloed is op de verweermiddelen van de schuldenaar. Deze vraag wordt beantwoord aan de hand van een analyse van de vergelijkbare rechtsfiguren waarbij een derde ook inningsbevoegd is ten aanzien van andermans vordering.
Ten aanzien van de verweermiddelen van de schuldenaar geldt bij de uitoefening van andermans vordering hetzelfde als bij de overgang van vorderingen. De inningsbevoegdheid van de derde laat de verweermiddelen van de schuldenaar zoals die bestonden ten tijde van de verkrijging van de inningsbevoegdheid onverlet.1 Daarbij is niet van belang of de derde de vordering in eigen naam of in naam van de schuldeiser int. De inningsbevoegde derde kan niet meer rechten geldend maken dan aan de schuldeiser toekomen. De schuldenaar dient de verweermiddelen in te roepen jegens de derde die nakoming vordert. In voorkomende gevallen zal de inningsbevoegde derde de schuldeiser dienen te raadplegen om de verweren die door de schuldenaar worden opgeworpen, te kunnen beoordelen en zo nodig te kunnen weerleggen.2 Hieronder volgen ter illustratie enkele voorbeelden.
569. Een verzekeraar als schuldenaar kan jegens de curator een beroep doen op een contractuele vervaltermijn.3 De schuldenaar kan jegens de inningsbevoegde pandhouder als verweer een beroep doen op matiging; de verhouding tussen de schuldenaar en diens schuldeiser is bepalend.4 Heeft de pandgever voor de verpanding zijn toestemming gegeven aan inbetalinggeving of betaling in gedeelten, dan kan de schuldenaar zich daarmee verweren jegens de pandhouder.5 Derdenbeslag op een vordering waarvan de verjaringstermijn is verlopen, is mogelijk, maar de schuldenaar kan de bevrijdende verjaring als een verweermiddel inroepen tegen de beslaglegger.6 De schuldenaar kan een opschortingsrecht tegenwerpen aan de schuldeisers van zijn schuldeiser (art. 6:53 BW). Daarvoor is vereist dat de schuldenaar een opschortingsverklaring heeft laten uitgaan naar zijn schuldeiser; het daardoor ontstane rechtsgevolg van niet-opeisbaarheid kan hij tegenwerpen aan de schuldeisers van zijn wederpartij.7 Onder de schuldeiser in de zin van art. 6:53 BW valt niet alleen een beslaglegger, maar ook een (openbaar) pandhouder, een curator, een vereffenaar van een nalatenschap en een executeur.8 De regel die aan de bepaling ten grondslag ligt heeft overigens een bredere toepassing: de schuldenaar kan zijn opschortingsrecht aan iedere inningsbevoegde derde tegenwerpen, dus bijvoorbeeld ook aan de inningsbevoegde vruchtgebruiker of lasthebber. Art. 6:53 BW is ook van toepassing op een retentierecht, met dien verstande dat in het faillissement van de schuldeiser art. 60 Fw geldt, op grond waarvan de curator de zaak van de retentor kan opeisen. De schuldenaar kan het opschortingsrecht derhalve niet aan de curator tegenwerpen.9
De schuldenaar kan aan de inningsbevoegde derde ook procesrechtelijke bedingen tegenwerpen, zoals bewijsovereenkomsten, arbitragebedingen en forumkeuzebedingen, die immers nader de inhoud van de vordering bepalen.10
De schuldenaar kan deze bedingen onder meer tegenwerpen aan de curator,11 de openbaar pandhouder12 en de beslaglegger.13 Broekveldt verdedigt in afwijking hiervan dat de beslaglegger niet aan een arbitragebeding en een forumkeuze is gebonden, omdat de beslaglegger geen vertegenwoordiger is.14 Dat is naar mijn mening echter niet van belang voor de vraag of hij aan het arbitragebeding gebonden is. Als hij in rechte nakoming eist van de beslagen vordering, is hij aan de bedingen gebonden. Het maakt daarbij niet of hij de vordering in eigen naam int of in naam van de schuldeiser. Ook de curator en de pandhouder zijn aan deze bedingen gebonden, en zij innen de vordering, net als de beslaglegger, in eigen naam. Van belang is dat zij andermans recht uitoefenen en daarom geen ander rechten kunnen uitoefenen dan die aan de schuldeiser toekomen. Is de beslaglegger niet gebonden aan een door de schuldenaar bedongen arbitragebeding, dan komt de laatste door het derdenbeslag in een slechtere positie te verkeren. Dit staat haaks op het ook door Broekveldt aanvaarde beginsel dat de schuldenaar door het beslag niet in een andere, en dus ook niet in een slechtere positie mag komen te verkeren. In de opvatting van Broekveldt zou overigens ook de geëxecuteerde tegen zijn wil in een andere procedure worden betrokken dan de door hem en de schuldenaar overeengekomen arbitrageprocedure, als hij op grond van art. 477b lid 3 Rv in het geding tussen de derde-beslagene en de beslaglegger wordt geroepen en de beslaglegger niet gebonden zou zijn aan het arbitragebeding. De uitkomst van de zienswijze van Broekveldt is naar mijn mening niet wenselijk, en is evenmin geldend recht.
570. Net als bij de overgang van vorderingen kan de schuldenaar zich niet op zijn verweermiddelen beroepen als hij afstand doet van een of meer van zijn rechten en daardoor een of meer van zijn verweermiddelen verliest15 en dat in beginsel de verweermiddelen van de schuldenaar die betrekking hebben op de inhoud van de vordering niet persoonlijk zijn. Alleen de pandhouder en de vruchtgebruiker, die een eigen recht hebben op de vordering, kunnen zich jegens de schuldenaar beroepen op art. 3:36 BW.16