De zonneparken zijn in opdracht van Sun Invest ontwikkeld door Ecorus Projects BV. Voor de leesbaarheid van dit vonnis zal daar waar Ecorus Projects BV heeft gehandeld, de naam van Sun Invest worden genoemd.
Rb. Oost-Brabant, 23-03-2022, nr. C/01/366761 / HA ZA 21-28
ECLI:NL:RBOBR:2023:253
- Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
- Datum
23-03-2022
- Zaaknummer
C/01/366761 / HA ZA 21-28
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOBR:2023:253, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 18‑01‑2023; (Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBOBR:2022:1032, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 23‑03‑2022; (Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Contradictoire handelszaak. Elektriciteitswet. Berekening van de schade die een zonneparkbeheerder lijdt wegens het niet tijdig aansluiten van het park op het net, door de netbeheerder. Vervolg van zaak ECLI:NL:RBOBR:2022:1032.
Partij(en)
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/366761 / HA ZA 21-28
Vonnis van 18 januari 2023
in de zaak van
SUN INVEST 1 B.V.,
te Veldhoven,
eisende partij,
hierna te noemen: Sun Invest,
advocaat: mr. J.L. Zijlma te 's-Gravenhage,
tegen
ENEXIS NETBEHEER B.V.,
te 's-Hertogenbosch,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Enexis,
advocaat: mr. J.P. Eydems te 's-Hertogenbosch.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 maart 2022,- de akte van Sun Invest van 4 mei 2022 met producties 26-31,- de antwoordakte van Enexis van 1 juni 2022 met producties 32-35,
- de akte uitlating producties van Sun Invest van 29 juni 2022.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
In deze zaak heeft de rechtbank in een tussenvonnis geoordeeld dat Enexis de schade moet betalen die Sun Invest heeft geleden doordat twee aansluitingen op het electriciteitsnet die door Sun Invest waren aangevraagd, door Enexis niet tijdig - op 1 juli 2019 - zijn opgeleverd. Het gaat om de aansluitingen voor de zonneparken van Sun Invest in de omgeving van Leek (provincie Groningen) aan de Roomsterweg (aansluiting A) en de Noorderweg (aansluiting B). De rechtbank heeft in dat tussenvonnis ook geoordeeld dat Enexis niet aansprakelijk is voor eventuele schade die Sun Invest heeft geleden door de te late oplevering van de aansluiting Lage Traan (aansluiting C). De rechtbank heeft iedere verdere beslissing in deze zaak vervolgens aangehouden om Sun Invest in de gelegenheid te stellen haar schade nader te onderbouwen.
2.2.
Sun Invest heeft vervolgens in een akte haar schade nader onderbouwd en komt tot een schadebedrag van in totaal € 113.094,89. Daarvan houdt € 49.806,24 verband met aansluiting A, en € 63.288,65 met aansluiting B.
2.3.
Enexis heeft bij antwoordakte verweer gevoerd. Volgens Enexis bedraagt de totale schade van Sun Invest € 57.595,87 (Enexis noemt een totaalbedrag van € 57.383,00 maar de rechtbank gaat er vanuit dat dit berust op een rekenvergissing). Enexis gaat daarbij uit van een schade van € 45.676,87 voor aansluiting A en van een schade van € 11.919,00 voor aansluiting B. Het meerdere moet volgens Enexis worden afgewezen.
2.4.
Sun Invest heeft tot slot nog bij akte gereageerd op enkele producties die Enexis bij antwoordakte heeft overgelegd.
2.5.
De rechtbank zal hierna per aansluiting de schade bepalen, aan de hand van wat partijen daarover naar voren hebben gebracht.
Aansluiting A (Roomsterweg)
Opleverdatum 30 augustus 2019
2.6.
Vaststaat dat aansluiting A op 1 juli 2019 door Enexis had moeten worden opgeleverd. In het tussenvonnis van 23 maart 2022 heeft de rechtbank als vaststaand aangenomen dat aansluiting A feitelijk is opgeleverd op 26 juli 2019. In de aktes die partijen nadien hebben genomen, hebben zij evenwel beiden aangegeven dat de definitieve oplevering van deze aansluiting door Enexis niet op 26 juli 2019 maar op 30 augustus 2019 heeft plaatsgevonden. Op 26 juli 2019 waren weliswaar de kabels gelegd, maar Enexis diende deze nog aan te sluiten op het transformatorstation. Dat is voltooid op 30 augustus 2019 en pas vanaf die dag was er sprake van een werkende aansluiting. De rechtbank zal bij het bepalen van de schade dan ook uitgaan van 30 augustus 2019 als de opleverdatum.
Schade wegens gemiste verkoopopbrengsten van 1 juli 2019 t/m 29 augustus 2019
2.7.
Tussen partijen staat vast dat Sun Invest door de te late oplevering van aansluiting A schade heeft geleden doordat Sun Invest in afwachting van die oplevering de energie die door het zonnepark werd opgewekt niet kon verkopen en leveren aan de energieleverancier.
2.8.
Sun Invest stelt dat de schade wegens deze gemiste opbrengsten moet worden berekend over de periode 1 juli 2019 tot en met 2 september 2019. Sun Invest stelt dat de aansluiting door Enexis is opgeleverd op vrijdag 30 augustus 2019 en dat zij pas op maandag 2 september 2019 het zonnepark in bedrijf kon nemen en vanaf 3 september 2019 de opgewekte energie kon verkopen. Enexis meent daarentegen dat zij vanaf het moment van opleveren niet langer schadeplichtig was.
2.9.
De rechtbank is met Enexis van oordeel dat er geen grond is om de periode waarover Enexis schadeplichtig is te laten doorlopen tot en met maandag 2 september 2019. De verplichting van Enexis hield in dat zij moest zorgen voor een werkende aansluiting. Die werkende aansluiting was er op vrijdag 30 augustus 2019. Dat Sun Invest vervolgens nog enkele dagen tijd nodig had om zover te komen dat zij de opgewekte energie kon verkopen, komt voor haar rekening en risico. De door Enexis te vergoeden schade wegens gemiste verkoopopbrengsten zal daarom door de rechtbank worden berekend over de periode van 1 juli 2019 tot en met 29 augustus 2019.
2.10.
Sun Invest heeft als productie 27 een overzicht overgelegd van de gemiste opbrengsten voor aansluiting A per dag. De juistheid van de in dat overzicht gebruikte gegevens voor wat betreft de verwachte energieopbrengsten (Energy Simulated in kWh per dag) en de daarvoor te hanteren prijs van 4,1 eurocent per kWh (PPA price) is door Enexis niet betwist. Ook Enexis hanteert die gegevens in haar schadeberekening. De rechtbank zal daarom ook van die gegevens uitgaan en bepaalt de schade van Sun Invest wegens gemiste verkoopopbrengsten bij aansluiting A op € 26.317,61 (641.893 kWh x € 0,041).
Schade wegens uitgestelde ontvangst subsidie
2.11.
Sun Invest heeft in haar akte uitleg gegeven over de subsidieregeling voor de stimulering van duurzame energieproductie (SDE) waar zij voor haar zonneparken een beroep op kan doen. Sun Invest stelt dat zij door de te late oplevering van aansluiting A geen schade lijdt door gemiste SDE-subsidie, omdat zij in beginsel de mogelijkheid heeft om de subsidie - die over een periode van vijftien jaar (plus één zogenaamd banking year) kan worden verkregen - in te halen binnen de looptijd van de omgevingsvergunning van 20 jaar die zij heeft verkregen voor dit zonnepark (Leek Oostindie). De subsidie-inkomsten worden door de te late oplevering wel verschoven naar de toekomst en Sun Invest stelt dat zij in verband hiermee schade lijdt in de vorm van gemiste rente-inkomsten over dat pas (veel) later te ontvangen subsidiebedrag. Dat Sun Invest schade lijdt door deze uitgestelde subsidieaanspraak, is door Enexis niet weersproken.
2.12.
Sun Invest stelt dat de SDE-beschikking voor zonnepark Leek Oostindie weliswaar vermeldt dat de subsidieperiode begint op 1 juni 2019, maar dat de werkelijke startdatum van de subsidieperiode ligt op het moment van inschrijving van de installatie bij CertiQ, wat alleen op de eerste dag van de kalendermaand kan plaatsvinden. Sun Invest stelt dat de inschrijving voor zonnepark Leek Oostindie heeft plaatsgevonden op 1 september 2019 en dat de subsidieperiode dan ook per die datum is gestart. Sun Invest stelt dat zij vervolgens vanaf 3 september 2019 kon gaan leveren en subsidie is gaan ontvangen. Sun Invest neemt in haar schadeberekening tot uitgangspunt dat zij over de periode van 1 juli 2019 tot en met 2 september 2019 aanspraak had kunnen maken op een subsidiebedrag van € 54.964,88 (687.061 kWh x € 0,08). Sun Invest berekent de gemiste rente-inkomsten over dit bedrag vervolgens op een bedrag van € 21.637,-, door te rekenen over 16 jaar met een disconteringsvoet van 6% per jaar (54.964,88 : (1,06)16 = 21.637,-).
2.13.
Enexis is het gedeeltelijk oneens met de berekening van Sun Invest. Enexis meent dat slechts in aanmerking genomen moet worden de subsidie die Sun Invest had kunnen ontvangen over de periode van 1 juli 2019 tot en met 29 augustus 2019 (de datum van oplevering), zijnde een bedrag van € 51.351,44 (641.893 kWh x € 0,08). Enexis is het met Sun Invest eens dat de gemiste rente-inkomsten over dit bedrag inderdaad over 16 jaar moeten worden berekend, maar volgens Enexis moet dit niet gebeuren door toepassing van een disconteringsvoet van 6% per jaar, maar met de systematiek van artikel 6:119 BW, zijnde de samengestelde wettelijke rente over de periode van het ontstaan van de aanspraak tot het moment van voldoening. Volgens Enexis is hier immers sprake van schade veroorzaakt door vertraging in de voldoening van een geldsom. Enexis beroept zich hierbij op een uitspraak van de rechtbank Gelderland in een volgens Enexis vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBGEL:2017:4924). Uitgaande van een periode van 16 jaar komt Enexis dan uit op een schadebedrag van € 19.146,-.
2.14.
De rechtbank overweegt dat vaststaat dat Sun Invest door de te late oplevering van aansluiting A in 2019 enige tijd geen subsidie heeft kunnen ontvangen, en dat die aanspraak opschuift in die zin dat Sun Invest daardoor in 2035 gedurende een zelfde periode langer subsidie kan blijven ontvangen. Hoe hoog de subsidie op dat moment zal zijn, staat niet vast want hangt onder meer af, zo begrijpt de rechtbank uit de toelichting die Sun Invest over de SDE-subsidie heeft gegeven, van de nog onbekende hoeveelheid energie die in die weken zal worden opgewekt, en van het op dat moment geldende correctiebedrag, dat jaarlijks met de marktprijs mee fluctueert. Partijen zijn het er evenwel over eens dat Sun Invest schade lijdt door dit (lange) uitstel van de subsidieaanspraak en de rechtbank zal daarvan ook uitgaan.
2.15.
Over de vraag hoeveel subsidie Sun Invest in 2019 is misgelopen door toedoen van Enexis, overweegt de rechtbank het volgende. Het staat vast dat voor het daadwerkelijk ontvangen van subsidie een inschrijving bij CertiQ nodig is, en dat dit enkel per de eerste dag van de kalendermaand kan gebeuren. Ook staat vast dat Sun Invest de installatie van Leek Oostindie door de verlate oplevering op 30 augustus 2019 pas per 1 september 2019 bij Certiq kon inschrijven en ook pas per die datum subsidie kon gaan ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit evenwel een omstandigheid die voor rekening en risico dient te komen van Sun Invest. Bij de berekening van de schade wegens uitgestelde subsidieinkomsten zal de rechtbank daarom uitgaan van het subsidiebedrag dat Sun Invest had kunnen ontvangen over de periode van 1 juli 2019 tot en met 29 augustus 2019, te weten € 51.351,44 (641.893 kWh x € 0,08).
2.16.
De rechtbank verwerpt het verweer van Enexis dat bij de berekening van de schade wegens de uitgestelde subsidieaanspraak aansluiting zou moeten worden gezocht bij het systeem van artikel 6:119 BW. Er is hier geen sprake van een situatie waarin er vertraging is opgetreden in de voldoening van een geldsom door schuldenaar Enexis en waarin vervolgens moet worden bepaald wat de omvang van de schade is die Sun Invest lijdt door die te late betaling door Enexis. De vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Gelderland uit 2017 gaat hier dan ook niet op. In de onderhavige zaak gaat het er om dat Sun Invest schade lijdt doordat zij als gevolg van de te late oplevering van aansluiting A door Enexis subsidie is misgelopen die zij nu pas in 2035 zal ontvangen. Voor het bepalen van de hoogte van een dergelijke schade is artikel 6:119 BW niet bedoeld.
2.17.
Over de wijze waarop de schade moet worden berekend overweegt de rechtbank als volgt. Partijen zijn het er over eens zijn dat de schade moet worden berekend over een periode van 16 jaar. Door Sun Invest is gerekend met een disconteringsvoet van 6%, waartegen door Enexis geen ander verweer is gevoerd dan het door de rechtbank reeds verworpen beroep op artikel 6:119 BW. De rechtbank ziet ook overigens geen grond om Sun Invest niet te volgen bij het gebruik van deze disconteringsvoet. De schade van Sun Invest wegens uitgestelde ontvangst van subsidie wordt door de rechtbank daarom bepaald op € 20.214,-, uitgaande van een uitgesteld subsidiebedrag van € 51.351,44
(51.351,44 : (1,06)16 ) = 20.214).
Aansluiting B (Noorderweg)
Opleverdatum 30 juli 2019
2.18.
Vaststaat dat ook aansluiting B op 1 juli 2019 door Enexis had moeten worden opgeleverd. In het tussenvonnis van 23 maart 2022 heeft de rechtbank als vaststaand aangenomen dat aansluiting B is opgeleverd op 19 juli 2019. Net als bij aansluiting A hebben partijen ook bij aansluiting B gezamenlijk het standpunt ingenomen dat de definitieve oplevering op een later moment heeft plaatsgevonden, namelijk op 30 juli 2019. Pas vanaf die dag was er sprake van een werkende aansluiting. De rechtbank zal bij het bepalen van de schade dan ook uitgaan van 30 juli 2019 als opleverdatum.
Schade wegens gemiste verkoopopbrengsten van 1 juli 2019 t/m 29 juli 2019
2.19.
Tussen partijen staat vast dat Sun Invest ook voor wat betreft aansluiting B schade heeft geleden door gemiste opbrengsten vanwege het niet kunnen leveren van de opgewekte energie.
2.20.
De rechtbank zal net als bij aansluiting A ook hier er van uitgaan dat schade is geleden van 1 juli 2019 tot de dag van oplevering. Sun Invest heeft als productie 28 een overzicht overgelegd van de gemiste opbrengsten voor aansluiting B per dag. Uitgaande van de in dit overzicht gebruikte gegevens voor wat betreft de verwachte energieopbrengsten (Energy Simulated in kWh) en de daarvoor te hanteren prijs van 4,1 eurocent (PPA price), die door Enexis niet zijn betwist, bepaalt de rechtbank de schade van Sun Invest wegens gemiste opbrengsten over de periode 1 juli 2019 tot en met 29 juli 2019 op een bedrag van € 11.107,38 (270.923 kWh x € 0,041).
Schade wegens gemiste subsidieopbrengsten: geen causaal verband
2.21.
Sun Invest stelt dat zij door toedoen van Enexis pas SDE-subsidie kon ontvangen voor zonnepark Leeksterveld vanaf 1 oktober 2019 en niet vanaf 1 juli 2019. De oorzaak hiervan houdt verband met het feit dat de SDE-beschikking bestemd is voor het hele zonnepark Leeksterveld, en dit zonnepark twee aansluitingen kent: aansluiting B en aansluiting C. De inschrijving bij CertiQ - en daarmee de start van de subsidieperiode - kon volgens Sun Invest pas plaatsvinden toen beide aansluitingen voor het zonnepark waren gerealiseerd. Omdat de oplevering van aansluiting C pas op 13 september 2019 plaatsvond, kon de inschrijving bij CertiQ pas op 1 oktober 2019 gebeuren. De gemiste subsidiegelden over de maanden juli, augustus en september 2019 kan Sun Invest naar eigen zeggen niet later inhalen door middel van ‘banking’ in het jaar na de subsidieperiode van 15 jaar, omdat de duur van de verleende omgevingsvergunning voor dat park daarvoor niet toereikend is. Volgens Sun Invest gaat het om een schadebedrag van € 51.673,-.
2.22.
Enexis voert ter verweer aan dat de schade wegens het pas per 1 oktober 2019 kunnen ontvangen van subsidie geen gevolg is van het feit dat Enexis aansluiting B te laat heeft opgeleverd. Enexis stelt dat Sun Invest opdracht heeft gegeven voor het realiseren van drie aparte aansluitingen A, B en C (volgens Enexis om de significant hogere aansluitkosten voor een zware 10 MW-aansluiting te besparen) en dat Sun Invest vervolgens de aansluitingen B en C voor het aanvragen van de SDE-subsidie administratief heeft samengevoegd tot één zonnepark Leeksterveld, waarvoor één SDE-beschikking is afgegeven. Volgens Enexis moeten de gevolgen van deze vrijwillige (en technisch niet noodzakelijke) keuze van Sun Invest voor rekening en risico blijven van Sun Invest. Volgens Enexis had Sun Invest een aanmelding bij CertiQ kunnen doen van aansluiting B direct nadat deze was opgeleverd op 30 juli 2019, maar had de keuze van Sun Invest om de aansluitingen B en C voor de subsidie te koppelen tot gevolg dat een aanmelding van aansluiting B ook consequenties zou hebben voor de duur van de subsidieperiode voor de (zwaardere) aansluiting C. Daarom heeft Sun Invest de aanmelding van alleen aansluiting B niet gedaan, en zou ze dit volgens Enexis zelfs ook niet hebben gedaan als aansluiting B conform de opdracht al op 1 juli 2019 zou zijn opgeleverd. Primair stelt Enexis daarom dat causaal verband tussen haar tekortkoming en de gestelde schade volledig ontbreekt. Subsidiair meent zij dat de door haar te vergoeden schade beperkt dient te blijven tot de periode van verzuim ten aanzien van aansluiting B.
2.23.
De rechtbank is van oordeel dat het primaire verweer van Enexis slaagt. Volgens haar eigen stellingen heeft Sun Invest immers de aanmelding bij CertiQ voor het hele zonnepark Leeksterveld pas gedaan per 1 oktober 2019 omdat toen de aansluiting C was opgeleverd. Maar zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, is Enexis niet aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door de te late oplevering van aansluiting C. Enexis kan zich voor wat betreft de te late oplevering van aansluiting C beroepen op overmacht. Enexis is dan ook alleen aansprakelijk voor schade wegens gemiste subsidie over de maanden juli, augustus en september 2019 voor het zonnepark Leeksterveld voor zover die schade een gevolg is van de te late oplevering van aansluiting B. Dat dit zo is, blijkt echter nergens uit. Sun Invest erkent daarentegen dat zij de subsidieperiode had kunnen laten ingaan na de oplevering van aansluiting B, maar dat zij dit niet heeft gedaan omdat de subsidieschade dan aanzienlijk groter was geweest, omdat dit ten koste zou zijn gegaan van de looptijd en daarmee de subsidieaanspraken voor haar aansluiting C. Dit is een gevolg van de door Sun Invest gemaakte keuze om voor beide aansluitingen één gezamenlijke subsidiebeschikking aan te vragen. Naar het oordeel van de rechtbank komen de gevolgen van deze keuze voor rekening en risico van Sun Invest en heeft die keuze mede tot gevolg dat ook bij een tijdige oplevering van aansluiting B door Sun Invest niet eerder een melding bij CertiQ zou zijn gedaan om de subsidieperiode te laten ingaan. Het vereiste causaal verband tussen de schade wegens de latere ingangsdatum van de subsidieperiode en de te late oplevering van aansluiting B ontbreekt dan ook. Dat betekent dat deze schadepost moet worden afgewezen.
Totale toewijsbare schade
2.24.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de schade als gevolg van de te late oplevering van aansluiting A bepaalt op € 46.531,61 (€ 26.317,61 + € 20.214,-) en de schade als gevolg van de te late oplevering van aansluiting B op € 11.107,38. In totaal beloopt de toewijsbare schade daarmee € 57.638,99. Het meer gevorderde (in de dagvaarding is een bedrag van € 397.089,25 gevorderd) zal worden afgewezen.
Wettelijke rente
2.25.
Sun Invest vordert Enexis te veroordelen tot betaling van “de wettelijke (handels)rente over € 397.089,25 vanaf [X] tot aan de dag der algehele voldoening”. Een nadere toelichting heeft Sun Invest hier niet bij gegeven.
2.26.
Enexis voert ter verweer aan dat over een schadevergoedingsvordering geen wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW kan worden gevorderd.
2.27.
De rechtbank is van oordeel dat toewijsbaar is de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het vastgestelde schadebedrag van € 57.638,99. Over de ingangsdatum van deze rente - de datum waarop de schade is geleden of geacht moet worden te zijn geleden - is door Sun Invest niets gesteld. De rechtbank zal deze datum daarom bepalen op de datum van de dagvaarding.
Buitengerechtelijke kosten
2.28.
Sun Invest vordert Enexis te veroordelen tot betaling van “de buitengerechtelijke incassokosten van EUR [X] conform het incassotarief van de Nederlandse Orde van advocaten, althans EUR conform het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente”. Een nadere toelichting of onderbouwing heeft Sun Invest hier niet bij gegeven.
2.29.
Enexis voert ter verweer aan dat doot Sun Invest geen relevante verrichtingen zijn gedaan ter verkrijging van voldoening van betaling buiten rechte, behoudens een ongefundeerd betalingsverzoek.
2.30.
De rechtbank is van oordeel dat Sun Invest deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Niet is gesteld of onderbouwd dat er kosten zijn gemaakt, waar die kosten uit hebben bestaan en dat die kosten zijn aan te merken als buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
2.31.
Enexis zal worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en is in zoverre de partij die ongelijk krijgt in deze procedure. Enexis zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Bij het vaststellen van de hoogte van die kosten zal de rechtbank evenwel geen aansluiting zoeken bij de tarieven voor het griffierecht en het salaris van de advocaat zoals die horen bij de gevorderde hoofdsom, maar daarvoor uitgaan van het toegewezen bedrag. Van de gevorderde hoofdsom van € 397.089,25 wordt immers maar een bescheiden deel, namelijk € 57.638,00 toegewezen.
2.32.
Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Sun Invest daarom als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding | € | 83,38 | |
- griffierecht | € | 2.076,00 | |
- overige explootkosten | € | 0,00 | |
- kosten getuigen | € | 0,00 | |
- kosten deskundigen | € | 0,00 | |
- overige kosten | € | 0,00 | |
- salaris advocaat | € | 3.342,00 | (3,00 punten × € 1.114,00) |
Totaal | € | 5.501,38 |
2.33.
Deze kostenveroordeling levert ook voor de nakosten een executoriale titel op (zie o.a. ECLI:NL:HR:2022:853).
2.34.
Beslist wordt als volgt.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
veroordeelt Enexis tot betaling aan Sun Invest van een schadevergoeding van € 57.638,99, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit toegewezen bedrag, met ingang van 31 december 2020 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt Enexis in de proceskosten, aan de zijde van Sun Invest tot dit vonnis vastgesteld op € 5.501,38,
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2023.
Uitspraak 23‑03‑2022
Inhoudsindicatie
Contradictoir/tussenvonnis. Elektriciteitswet. Een zonneparkbeheerder vordert schadevergoeding van de netbeheerder wegens het niet tijdig aansluiten van het park op het net. Wettelijke aansluittermijn van 18 weken van artikel 23 E-wet overschreden. Langere contractuele aansluittermijn ook overschreden. Beroep op overmacht en artikel 23 E-wet. Exoneratiebeding en artikel 26a E-wet. Beroep op artikel 6:248 lid 2 BW.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/366761 / HA ZA 21-28
Vonnis van 23 maart 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SUN INVEST 1 B.V.,
gevestigd te Veldhoven,
eiseres,
advocaat mr. J.L. Zijlma te 's-Gravenhage,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ENEXIS NETBEHEER B.V.,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
gedaagde,
advocaat mr. J.P. Eydems te 's-Hertogenbosch.
Partijen zullen hierna Sun Invest en Enexis genoemd worden.
1. De zaak in het kort
Sun Invest vordert schadevergoeding van netbeheer Enexis vanwege het te laat aansluiten van twee zonneparken van Sun Invest op het elektriciteitsnetwerk. De rechtbank oordeelt in dit tussenvonnis dat Enexis niet onrechtmatig tegenover Sun Invest heeft gehandeld door zich niet te houden aan de wettelijke aansluittermijn van 18 weken, omdat Sun Invest zelf vroeg om een langere termijn. Door vervolgens ook de met Sun Invest afgesproken opleverdatum niet te halen, is Enexis haar contractuele verplichtingen niet nagekomen. Er is deels sprake van overmacht. Voor een ander deel kan de tekortkoming wel aan Enexis worden toegerekend en is zij schadeplichtig. Enexis is hierbij zodanig nalatig geweest, dat zij geen beroep kan doen op haar algemene voorwaarden, waarin zij haar aansprakelijkheid voor schade heeft uitgesloten. Hoe hoog de schade is die Enexis aan Sun Invest moet vergoeden, kan de rechtbank nog niet vaststellen. Daarvoor zal Sun Invest eerst een betere uitleg over haar schade moeten geven. De rechtbank houdt de zaak daarvoor tijdelijk aan.
2. De procedure
2.1.
Hoe de procedure is verlopen blijkt uit:
- -
de dagvaarding met producties 1-9,
- -
de conclusie van antwoord met producties 10-18,
- -
het tussenvonnis van 21 april 2021,
- -
de akte van 29 november 2021van Sun Invest met producties 19-25,
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 10 december 2021, met aangehecht de spreekaantekeningen van Enexis.
2.2.
Bij het sluiten van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de datum waarop uitspraak zal worden gedaan bepaald op 26 januari 2022. Door een grote werkvoorraad bij de rechtbank is vertraging opgetreden in het wijzen van het vonnis.
3. De feiten
3.1.
Sun Invest is eigenaar van twee zonneparken in de omgeving van Leek (provincie Groningen), te weten de zonneparken Leek Oostindie en Leeksterveld.
3.2.
Enexis is een regionale netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: Ewet) in onder meer de provincie Groningen.
3.3.
In 2018 heeft Sun Invest (althans een andere vennootschap namens haar1.) een aanvraag gedaan aan Enexis voor drie aansluitingen op het elektriciteitsnet voor haar twee zonneparken. Die drie aansluitingen worden, met verwijzing naar het adres, aangeduid met Roomsterweg (1.750 kVA), Noorderweg (1.750 kVA) en Lage Traan (6.000 kVA).2.De aansluiting Roomsterweg is voor het zonnepark Leek Oostindie, de aansluitingen Noorderweg en Lage Traan zijn voor het zonnepark Leeksterveld. Deze aansluitingen zullen hierna, net als in de dagvaarding kortweg worden aangeduid met respectievelijk aansluiting A, B en C.
De overeenkomsten
3.4.
In de offerte van Enexis voor aansluiting C, van 18 april 2018, staat over de levertijd het volgende opgenomen: “De levertijd is 60 weken na ontvangst van de door u ondertekend akkoordverklaring. Wilt u in de akkoordverklaring de door u gewenste realisatiedatum opgeven? Wanneer deze eerder ligt dan de in de offerte vermelde levertijd nemen we contact met u op om te kijken wat de mogelijkheden zijn.” Op 3 mei 2018 heeft Sun Invest de akkoordverklaring voor aansluiting C ondertekend, en daarop als gewenste realisatiedatum vermeld week 26 van 2019, wat neerkomt op een levertijd van 55 weken.
3.5.
In de offerte van Enexis voor aansluiting B, van 7 mei 2018, staat over de levertijd dezelfde tekst opgenomen als hiervoor geciteerd, maar dan met een levertijd van 52 weken.
Op 9 mei 2018 heeft Sun Invest de akkoordverklaring voor aansluiting B ondertekend en daarop als gewenste realisatiedatum vermeld 15 februari 2019, wat neerkomt op een levertijd van 40 weken.
3.6.
In de offerte van Enexis voor aansluiting A, van 20 november 2018, staat over de levertijd opgenomen: “De levertijd is onder normale omstandigheden 25 weken na ontvangst van de door u ondertekende akkoordverklaring. Door marktomstandigheden ligt de actuele levertijd (…) voor MS-D aansluitingen op 24 weken. Voor grotere (maatwerk) aansluitingen in overleg. De verwachte definitieve opleverdatum bepalen wij samen met u nadat u ons opdracht hebt gegeven voor de werkzaamheden.” Op 19 december 2018 heeft Sun Invest de akkoordverklaring voor aansluiting A ondertekend en daarop als gewenste realisatiedatum vermeld 1 juli 2019, wat neerkomt op een levertermijn van 28 weken.
3.7.
Sun Invest heeft door het ondertekenen van de akkoordverklaringen opdracht verstrekt aan Enexis tot het realiseren van de drie aansluitingen. Op die akkoordverklaringen stond vermeld dat op de aanbieding van Enexis de Algemene voorwaarden dienstverlening en uitvoering van werkzaamheden van Enexis van toepassing zijn, en een exemplaar van die algemene voorwaarden (versie 2013) was als bijlage bijgevoegd.
3.8.
Deze algemene voorwaarden luiden voor zover relevant als volgt:
“Artikel 4 Uitvoering Overeenkomst:
(…)
4.4
Een voor de uitvoering van de Overeenkomst aangeduide of overeengekomen termijn:
a) heeft het karakter van een richttijd en niet van een fatale termijn, tenzij uit een dwingendrechtelijke bepaling of een bepaling uit de Overeenkomst uitdrukkelijk anders voortvloeit;
b) wordt verlengd met de duur van een vakantieperiode bij door Opdrachtnemer ingeschakelde derden (bijvoorbeeld de bouwvak of kerstvakantie van aannemers, leveranciers) en met de duur van een vertraging ten gevolge van buiten de invloedssfeer van Opdrachtnemer gelegen omstandigheden, zoals het uitblijven van aangevraagde vergunningen, vertraging in de uitvoering van de in artikel 4.6 bedoelde werkzaamheden, niet-nakoming door Opdrachtgever van enige uit de Overeenkomst voortvloeiende verplichting of aanhoudende vorst, in welke gevallen Opdrachtnemer Opdrachtgever zo spoedig mogelijk van de (geschatte) duur van de verlenging op de hoogte stelt.
(…)
4.6
De eventueel met de Diensten en Werkzaamheden van Opdrachtnemer samenhangende (voorbereiding) werkzaamheden als bronnering, bronbemaling, boringen en sparingen, graaf-, funderings-, breek-, hak-, metsel-, stukadoors-, beton-, (asfalt)zaag-, smids-, timmer-, schilders-, loodgieters-, (her)bestratings-, riolerings- en steigerwerkzaamheden alsmede werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek, bodemsanering, verwijdering van bouwkundige belemmeringen, obstakels, asbest en puinverharding en het afvoeren van verontreinigde bodem, asbest en overtollige grond maken van die Diensten en Werkzaamheden geen deel uit, tenzij uitdrukkelijk schriftelijk anders is overeengekomen.
(…)
Artikel 11 Aansprakelijkheid Opdrachtnemer
11.1
Opdrachtnemer is jegens Opdrachtgever aansprakelijk voor personenschade en zaakschade - bestaande uit vernietiging, beschadiging of verlies van een zaak - veroorzaakt door een aan Opdrachtnemer toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de uit de Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.
11.2
Opdrachtnemer is jegens Opdrachtgever ongeacht de grondslag van de vordering, niet aansprakelijk voor andere dan in artikel 11.1 bedoelde schade waaronder gevolgschade, vertragingsschade en bedrijfsschade, zoals schade als gevolg van bedrijfsstilstand, als gevolg van het niet kunnen uitoefenen van een beroep op bedrijf of als gevolg van winst- of inkomstenderving, tenzij de schade het gevolg van opzet of bewuste roekeloosheid van Opdrachtnemer of dienst bedrijfsleiding is.
(…)”
De uitvoering
3.9.
In een e-mailbericht van 14 december 2018, over de aansluitingen B en C, heeft Sun Invest aan Enexis geschreven: “(…) wij hebben elkaar zojuist telefonisch gesproken. Daarin heb jij aangegeven dat voor Enexis het mogelijk moet zijn om op 1 juli 2019 de beide aansluitingen voor ons project Leeksterveld op te leveren. Wil jij dit ook nog even per mail aan mij bevestigen? Wij willen heel graag dit project komt jaar realiseren en daarvoor dus capaciteit vrijmaken, alvorens wij dit definitief maken willen wij graag enige garantie op de opleverdatum van de aansluitingen (…)”
In een e-mailbericht van 18 december 2018 heeft Enexis gereageerd: “(…) voor beide projecten gaan wij er vanuit dat we ze vóór 1 juli 2019 kunnen realiseren. Bij het project Lage Traan [rb: aansluiting C] hebben we te maken met beheren instanties zoals RWS, Provincie Groningen en de gemeente Leek die tijdig de vergunningen moeten verstrekken.”
3.10.
In een e-mailbericht van 11 april 2019, over aansluiting A, heeft Sun Invest aan Enexis geschreven: “(…) Is de planning ten aanzien van 1 juli nog steeds realistisch en haalbaar voor jullie? Wij gaan hier volledig vanuit dat dit lukt, hier is onze planning volledig op gericht (…)”
In een e-mailbericht van 25 april 2019 heeft Enexis gereageerd: “(…) gezien het vooroverleg over het tracé met de gemeente verwacht ik geen moeilijkheden qua planning (…)”
3.11.
Op 1 juli 2019 waren de zonneparken van Sun Invest gereed, maar waren zij nog niet aangesloten op het elektriciteitsnet.
De sommaties
3.12.
Kort daarvoor, op 20 juni 2019 heeft Sun Invest in een aangetekende brief Enexis er op aangesproken dat zij haar wettelijke plicht om binnen 18 weken een aansluiting te realiseren heeft geschonden, en dat het er nu op lijkt dat Enexis ook haar toezegging dat de aansluitingen vóór 1 juli 2019 zullen worden opgeleverd niet gaat nakomen (terwijl die datum al ná de contractueel overeengekomen opleverdata ligt). Sun Invest sommeert Enexis in deze brief om per direct tot aansluiting over te gaan en ervoor zorg te dragen dat de drie aansluitingen uiterlijk binnen tien werkdagen zijn gerealiseerd. Zij stelt Enexis aansprakelijk voor de schade die zij lijdt als de aansluitingen niet vóór 1 juli 2019 gereed zijn.
3.13.
Op 4 juli 2019 volgde een tweede sommatiebrief van Sun Invest aan Enexis.
3.14.
Over de oplevering van aansluiting C zijn vervolgens nog diverse emailberichten gewisseld, waarin Sun Invest heeft aangedrongen op spoedige oplevering. Sun Invest heeft vervolgens een kort geding aangespannen, dat weer is ingetrokken nadat Enexis had toegezegd aansluiting C uiterlijk op 13 september 2019 te zullen realiseren, en anders de schade van Sun Invest vanaf die datum te zullen vergoeden.
De realisatie
3.15.
De aansluitingen A en B zijn gerealiseerd op respectievelijk 26 en 19 juli 2019.
Aansluiting C is gerealiseerd op 13 september 2019.
De claim
3.16.
In een brief aan Enexis van 11 september 2020 heeft Sun Invest een schadeclaim ingediend bij Enexis wegens de te late oplevering van de drie aansluitingen.
4. Het geschil in het kort
4.1.
Sun Invest vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Enexis veroordeelt tot betaling van € 397.089,25, vermeerderd met wettelijke (handels)rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van deze procedure.
4.2.
Sun Invest legt aan haar vordering kort gezegd het volgende ten grondslag.
4.2.1.
Enexis heeft in strijd met de wet gehandeld door de drie aansluitingen voor de zonneparken van Sun Invest niet binnen de in artikel 23 E-wet dwingend voorgeschreven termijn van 18 weken na acceptatie van de offerte te realiseren. Deze termijnoverschrijding kan aan Enexis worden toegerekend en levert een onrechtmatige daad op jegens Sun Invest. Enexis dient de schade te vergoeden die Sun Invest hierdoor heeft geleden.
4.2.2.
Enexis is haar contractuele verplichting, om de aansluitingen uiterlijk op de met Sun Invest afgesproken data te realiseren, niet nagekomen en is daardoor van rechtswege in verzuim. Er is sprake van toerekenbaar tekortschieten door Enexis en daarom is Enexis verplicht de schade die Sun Invest hierdoor heeft geleden te vergoeden.
4.3.
De schade van in totaal € 397.089,25 die Enexis dient te vergoeden bestaat uit de gemiste inkomsten van Sun Invest vanaf 1 juli 2019 tot en met de datum waarop de aansluitingen uiteindelijk zijn gerealiseerd.
4.4.
Enexis voert samengevat het volgende verweer.
4.4.1.
Enexis heeft niet onrechtmatig tegenover Sun Invest gehandeld door niet binnen de in artikel 23 E-wet genoemde termijn van 18 weken de aansluitingen te realiseren. Het was Sun Invest zelf die heeft verzocht om de aansluitingen buiten die termijn te realiseren.
4.4.2.
In onderling overleg hebben partijen de opleverdatum verschoven naar 1 juli 2019, waarbij voor aansluiting C een voorbehoud werd gemaakt door Enexis omdat een aanvullende boring nodig was. De datum van 1 juli 2019 is niet gehaald als gevolg van externe omstandigheden die Enexis niet zijn toe te rekenen. Sun Invest is deels zelf debet aan de te late oplevering van aansluitingen A en B. Gelet op het bepaalde in artikel 4 van de toepasselijke algemene voorwaarden kan Enexis met succes een beroep doen op overmacht.
4.4.3.
De verlate inbedrijfname heeft voor Sun Invest niet tot schade geleid, en voor zover dat wel het geval zou zijn, kan Enexis met succes een beroep doen op artikel 11 van haar algemene voorwaarden, waarin de aansprakelijkheid van Enexis voor een dergelijke schade is uitgesloten.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
5.1.
In deze zaak dient de rechtbank kort gezegd te beoordelen of Enexis verplicht is om een vergoeding te betalen voor de schade die Sun Invest stelt te hebben geleden doordat de aansluitingen op het elektriciteitsnetwerk, die nodig waren om haar twee zonneparken in bedrijf te kunnen stellen, te laat zijn gerealiseerd.
Onrechtmatig handelen wegens overschrijding van de wettelijke aansluittermijn
5.2.
Sun Invest beroept zich er in de eerste plaats op dat Enexis schade moet vergoeden omdat Enexis de drie aansluitingen niet binnen de in artikel 23 E-wet dwingend voorgeschreven termijn van maximaal 18 weken heeft gerealiseerd.
5.3.
In artikel 23 E-wet is onder meer bepaald dat een netbeheerder verplicht is degene die daarom verzoekt binnen een redelijke termijn te voorzien van een aansluiting op het net. In datzelfde artikel is ook bepaald dat als het gaat om een aansluiting van minder dan 10 mVA (megavoltampère), deze redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen 18 weken nadat het verzoek daartoe bij de netbeheerder is ingediend.3.
5.4.
Met artikel 23 E-wet heeft de wetgever bedoeld te voorkomen dat een regionale netbeheerder - die als enige bevoegd is om een aansluiting van minder dan 10 mVA te realiseren - misbruik maakt van dit monopolie. De netbeheerder heeft daarom de plicht om iedereen die daarom vraagt aan te sluiten op het net, en de aansluitingen moet hij tegen een gereguleerd tarief en binnen de in de wet bepaalde redelijke termijn realiseren. Deze verplichtingen hebben tot doel de netgebruiker te beschermen.
5.5.
Partijen zijn het erover eens, en ook de rechtbank is van oordeel dat voor elk van de drie aansluitingen waar Sun Invest om heeft verzocht, de wettelijke termijn van 18 weken van artikel 23 lid 4 sub a E-wet geldt. De waarde van de aansluitingen is immers minder dan 10 mVA en uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit onderdeel sub a geldt voor elke aansluiting tot 10 mVA ongeacht de aard van de installatie (groene producent of eindgebruiker) die zich achter de aansluiting bevindt4..
5.6.
Het staat vast dat Enexis deze termijn van 18 weken bij alle drie de aansluitingen heeft overschreden en in zoverre dus niet aan haar wettelijke plicht heeft voldaan. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat Enexis daarmee ook onrechtmatig tegenover Sun Invest heeft gehandeld en schade moet vergoeden. Enexis was weliswaar op grond van artikel 23 E-wet gehouden de aansluiting binnen 18 weken te realiseren, maar direct bij het verstrekken van de opdracht heeft Sun Invest aan Enexis laten weten dat zij de aansluitingen pas op een later moment gerealiseerd wenste te zien. Sun Invest heeft immers op de achtereenvolgende akkoordverklaringen aangegeven dat zij de aansluitingen wenste op een termijn van respectievelijk 55, 40 en 28 weken. Ter zitting heeft Sun Invest aangegeven dat zij Enexis niet heeft gehouden aan de wettelijke termijn van 18 weken, omdat zij als professional wist dat het complex was en zij met Enexis een realistische opleverdatum wilde afspreken, waar Sun Invest zich dan in haar eigen planning ook op kon richten. Sun Invest heeft er aldus voor gekozen de opdrachten aan Enexis vroegtijdig te verstrekken en geen aanspraak te maken op de wettelijke termijn. En dat heeft zij in de akkoordverklaringen ook kenbaar gemaakt aan Enexis. Sun Invest heeft ook na het verstrekken van de opdracht Enexis niet alsnog gehouden aan de wettelijke termijn. Gezien haar handelwijze kan Sun Invest zich nu niet met succes beroepen op een onrechtmatige overschrijding van de wettelijke termijn door Enexis en schadevergoeding eisen. Dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als toezichthouder van oordeel is dat van de publiekrechtelijke verplichting voor netbeheerders om binnen 18 weken een aansluiting te realiseren niet (contractueel) kan worden afgeweken, zoals Sun Invest aanvoert5., betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de netbeheerder tegenover een netgebruiker die uitdrukkelijk heeft verzocht om een latere aansluitdatum, civielrechtelijk aansprakelijk is wegens onrechtmatig handelen bij een overschrijding van de wettelijke termijn van 18 weken.
5.7.
Op de zitting is door Enexis in het kader van haar verweer tegen de beweerdelijke onrechtmatigheid van haar handelen nog een beroep gedaan op twee uitspraken van het Europese Hof van Justitie6.en een daarop gevolgd recent besluit van de ACM van 2 december 20217., waaruit zou volgen dat voor de termijn van 18 weken een grondslag ontbreekt omdat de Nederlandse wetgever volgens Europees recht helemaal niet bevoegd was om die aansluittermijn in de wet te bepalen. Dit verweer zal de rechtbank niet bespreken omdat de hiervoor in 5.6 gegeven overwegingen al leiden tot het oordeel dat het beroep van Sun Invest op onrechtmatig handelen van Enexis niet slaagt.
Niet nakomen van de contractuele aansluittermijn
5.8.
Uit de overgelegde offertes en akkoordverklaringen blijkt niet welke opleverdata partijen precies zijn overeengekomen. De oplevertermijnen die Enexis heeft genoemd in de offertes komen niet helemaal overeen met de oplevertermijnen zoals Sun Invest die als gewenst heeft aangegeven in de akkoordverklaringen. Voor de aansluitingen B en C wilde Sun Invest een kortere oplevertermijn, en voor aansluiting A, waarvoor als laatste opdracht werd verstrekt, wilde Sun Invest een langere oplevertermijn. De rechtbank stelt vast dat de overeenkomsten zoals partijen die sloten uitdrukkelijk ruimte lieten voor nader overleg over de precieze opleverdatum, en dat partijen ook stellen dat zij daarover aanvullende afspraken hebben gemaakt. Uit wat partijen in de stukken en op de zitting naar voren hebben gebracht volgt dat partijen op enig moment de afspraak hadden dat alle aansluitingen op 1 juli 2019 klaar zouden zijn. Dit blijkt ook uit emailcorrespondentie die door Sun Invest is overgelegd (hiervoor geciteerd onder 3.9 en 3.10). Het moge zo zijn, zoals Enexis aanvoert, dat Enexis ten aanzien van aansluiting C op voorhand heeft aangegeven dat oplevering op 1 juli 2019 moeilijk zou worden, omdat men afhankelijk was van vergunningen die moesten worden afgegeven. Dit neemt niet weg dat er in beginsel overeenstemming was over de datum van 1 juli 2019.
5.9.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat 1 juli 2019 de datum was waarop Enexis het werk klaar had moeten hebben. Het staat vast dat Enexis deze datum voor geen van de drie aansluitingen heeft gehaald en in zoverre tekort is geschoten bij het nakomen van haar verplichtingen uit de overeenkomsten die zij sloot met Sun Invest.
Verzuim
5.10.
Sun Invest stelt dat Enexis per 1 juli 2019 in verzuim is omdat zij de fatale contractuele termijnen zoals die in de offertes waren bepaald niet is nagekomen, waardoor zij reeds van rechtswege in verzuim is komen te verkeren, en zij vervolgens ook de extra tijd die haar door Sun Invest werd gegund tot 1 juli 2019 voorbij heeft laten gaan, ondanks extra sommaties van Sun Invest.
5.11.
Enexis stelt dat de termijn van 1 juli 2019 geen fatale termijn was en beroept zich daarbij op artikel 4.4 van haar algemene voorwaarden. Daarin staat dat een voor de uitvoering van de overeenkomst aangeduide of overeengekomen termijn het karakter heeft van een richttijd en niet van een fatale termijn, tenzij uit een dwingendrechtelijke bepaling of een bepaling uit de overeenkomst uitdrukkelijk anders voortvloeit.
5.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat de algemene voorwaarden waar Enexis hier op doelt onderdeel uit maken van de overeenkomsten die zij sloten en hier dus in beginsel toepasselijk zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat Enexis in dit geval niet met succes een beroep kan doen op artikel 4.4 van die algemene voorwaarden en wel degelijk in verzuim is komen te verkeren per 1 juli 2019. Hoewel partijen hier uitdrukkelijk zijn afgeweken van de in artikel 23 lid 4a E-wet voorgeschreven wettelijke aansluittermijn, ziet de rechtbank in het feit dat de wetgever die termijn heeft willen begrenzen wel aanleiding om te oordelen dat niet te gemakkelijk kan worden gesteld door Enexis dat er slechts sprake is van een richttermijn. In samenspraak tussen partijen is gedurende de uitvoering de opleverdatum op 1 juli 2019 bepaald, en in principe geldt die datum dan ook als een fatale termijn. Een ingebrekestelling was dus niet nodig. Overigens heeft Sun Invest met haar sommatiebrief van 20 juni 2019 Enexis wel uitdrukkelijk aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij lijdt als de aansluitingen niet vóór 1 juli 2019 klaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is aan het verzuimvereiste voldaan.
Overmacht
5.13.
Enexis voert aan dat zij niet schadeplichtig is omdat het haar niet kan worden toegerekend dat zij de aansluitingen niet op tijd heeft opgeleverd. Enexis doet daarmee een beroep op overmacht. Zij verwijst ook hier naar artikel 4 van haar algemene voorwaarden, waarin onder meer een groot aantal disculpatiegronden staat benoemd die Enexis kan inroepen voor het niet halen van een overeengekomen termijn.
5.14.
Sun Invest voert gemotiveerd verweer.
5.15.
De rechtbank overweegt dat Enexis een geslaagd beroep kan doen op overmacht als de tekortkoming niet te wijten is aan haar schuld, en ook niet op grond van de wet, een rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening komt (artikel 6:75 BW). Het is aan Enexis om hiervoor voldoende te stellen, en zo nodig te bewijzen.
5.16.
Bij de beoordeling van het beroep op overmacht moet naar het oordeel van de rechtbank rekening worden gehouden met de bijzondere positie die Enexis als regionaal netbeheer inneemt. Enexis is monopolist en is op grond van de wet verplicht om iedereen die daarom vraagt binnen de in artikel 23 E-wet bedoelde redelijke termijn van een aansluiting te voorzien. Voor aansluitingen tot 10 mVA, waarvan hier sprake is, heeft de wetgever deze redelijke termijn in artikel 23 lid 4 sub a bepaald op 18 weken. De wetgever heeft de netbeheerder hierbij geen ruimte geboden om zich erop te beroepen dat hem in redelijkheid niet kan worden verweten dat hij de aansluiting niet binnen die termijn heeft gerealiseerd. Een dergelijke tenzij-bepaling, die door de wetgever wel is gegeven voor aansluitingen voor bepaalde grootverbruikers8., ontbreekt voor aansluitingen tot 10 mVA. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit verschil door de wetgever bewust is gemaakt, omdat men ervan uit ging dat een aansluiting tot 10 mVA eigenlijk binnen 3 weken mogelijk zou moeten zijn. Deze aansluitingen zouden daarom feitelijk altijd binnen 18 weken klaar zijn, zo werd aangenomen. Een tenzij-clausule werd daarom voor deze aansluitingen niet in de wet opgenomen. Daarbij is toen nog opgemerkt dat als de termijn toch onredelijk zou zijn, de rechter de redelijkheid kan meenemen bij het bepalen van een schadevergoeding.9.
5.17.
De rechtbank is mede gelet op het voorgaande van oordeel dat de bijzondere positie van Enexis en de regeling van artikel 23 E-wet meebrengen dat een beroep op overmacht in geval van aansluitingen tot 10 mVA slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gehonoreerd. Vertragingen die worden veroorzaakt door omstandigheden die binnen de invloedssfeer van Enexis liggen, zullen in de regel aan Enexis moeten worden toegerekend. Dat geldt in het bijzonder in een geval als dit, waarin aan Enexis op voorhand ruimschoots meer tijd is gegund dan de wettelijke termijn van 18 weken. Enexis zal daarom ook niet eenvoudig een beroep kunnen doen op de disculpatiebepaling in artikel 4 van haar algemene voorwaarden. Het is overigens niet zo dat Enexis in geen enkel geval een beroep op overmacht kan doen, zoals Sun Invest wel bepleit. Uitzonderlijke omstandigheden kunnen ertoe leiden dat een vertraging niet aan Enexis kan worden toegerekend. Per geval zal moeten worden bezien of er sprake is van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden.
Aansluitingen A en B
5.18.
Enexis legt aan haar beroep op overmacht ten grondslag dat de vertraging bij de aansluitingen A en B is veroorzaakt door langere levertijden van de benodigde apparatuur c.q. technische componenten, gecombineerd met een beperkte beschikbaarheid van de in te huren externe aannemers. Volgens Enexis kon zij pas vanaf 12 maart 2019 de benodigde apparatuur/technische componenten bestellen omdat zij niet eerder van Sun Invest de benodigde gegevens had ontvangen. Sun Invest moest namelijk zelf voor trafostations zorgen en pas toen Sun Invest aan Enexis had doorgegeven wie de leverancier was van die stations, kon Enexis haar apparatuur bestellen, aldus Enexis ter zitting. Het ging weliswaar om standaardcomponenten, maar die heeft Enexis niet klaarliggen. Enexis laat deze bij het bestellen direct ter plaatse afleveren, aldus de verklaring van Enexis ter zitting. Enexis heeft naar eigen zeggen de apparatuur vervolgens besteld op 17 april 2019, wat normaal gesproken ruimschoots op tijd zou zijn. De levertijden van haar leveranciers bleken toen echter te zijn toegenomen met 4 tot 6 weken, als gevolg van een overspannen vraagmarkt. Enexis stelt dat zij nog heeft geprobeerd druk te zetten op haar leveranciers, maar dat dit niet heeft geleid tot een snellere levering.
5.19.
Sun Invest bepleit kort gezegd dat de door Enexis aangevoerde omstandigheden aan Enexis moeten worden toegerekend.
5.20.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van Enexis op overmacht voor wat betreft de aansluitingen A en B niet slaagt, en wel om de volgende redenen.
5.20.1.
Met Sun Invest is de rechtbank van oordeel dat langere levertijden voor benodigde apparatuur/technische componenten in beginsel voor risico komen van Enexis. Dat de vertraging mede is veroorzaakt doordat Sun Invest pas op 12 maart 2019 de gegevens heeft doorgegeven die Enexis nodig had om bestellingen te kunnen doen, staat niet vast. Enexis heeft immers niet direct na ontvangst van die gegevens de bestellingen gedaan, maar pas op 17 april 2019, kennelijk in het vertrouwen dat de gebruikelijke levertijden zouden gelden. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat Enexis de bestellingen eerder zou hebben gedaan als de gegevens van Sun Invest eerder waren ontvangen. Maar ook als de vertraging wel mede is veroorzaakt door de late aanlevering van gegevens door Sun Invest, dan moet dit ook aan Enexis worden toegerekend. Enexis heeft op de zitting erkend dat in de overeenkomsten geen termijn is bepaald waarbinnen Sun Invest die gegevens moest doorgeven. Enexis heeft Sun Invest ook na het sluiten van de overeenkomst niet aangespoord tijdig met die gegevens te komen. Enexis had de vertraging door het uitblijven van deze gegevens eenvoudig kunnen voorkomen door daarover met Sun Invest duidelijker afspraken te maken. De vertraging is tot slot ook een gevolg van de aan Enexis toe te rekenen keuze om geen eigen voorraad aan te houden, ook niet van standaardcomponenten die hier benodigd waren.
5.20.2.
Op welke manier de beperkte beschikbaarheid van in te huren externe aannemers nog een rol heeft gespeelt bij de vertraging van de aansluitingen A en B is door Enexis niet nader toegelicht of onderbouwd. In het algemeen is de rechtbank van oordeel dat een tekort aan geschikt personeel een omstandigheid is die binnen de invloedssfeer ligt van Enexis en geen beroep op overmacht rechtvaardigt.
5.20.3.
Door Enexis is tot slot een beroep gedaan op artikel 4 van haar algemene voorwaarden. In dit verband heeft Enexis enkel gesteld dat op grond van deze bepaling externe omstandigheden als overmacht hebben te gelden. Zonder nadere toelichting, die door Enexis niet is gegeven, is echter niet duidelijk welke van de in artikel 4 limitatief opgesomde disculpatiegronden hier de oorzaak is/zijn geweest van de vertraging. Het beroep van Enexis op genoemd artikel 4 kan alleen al hierom niet slagen.
Aansluiting C
5.21.
Voor aansluiting C voert Enexis ter onderbouwing van haar beroep op overmacht het volgende aan. Nadat de opdracht in mei 2018 was verstrekt, werd voor deze aansluiting een nieuw kabeltracé van circa 3 kilometer ontworpen, waarvoor de benodigde vergunning al op 28 augustus 2018 werd verkregen. Vervolgens is begonnen met de werkvoorbereiding. Begin november 2018 was er een nadere schouw met de gemeente en toen bleek het grondwaterpeil plotseling zo hoog dat er geen sleuf gegraven kon worden op voldoende diepte. Het gekozen tracé was daarom onbruikbaar. Er moest een alternatief tracé worden vastgesteld en de benodigde vergunningen voor onder andere een boring over een afstand van ongeveer 200 meter moesten worden aangevraagd. Dit bleek complex, want de boring moest onder de snelweg A7 en een grote verkeersrotonde door plaatsvinden. Dit is volgens Enexis specialistisch werk, wat niet door elke willekeurige onderneming kan worden uitgevoerd. In de tweede helft van november 2018 vond overleg plaats tussen de aannemer en Rijkswaterstaat en vervolgens is een boortekening opgesteld, die op 25 februari 2019 klaar was. Aan de hand van die boortekening moest vervolgens ter plaatse geologisch bodemonderzoek worden uitgevoerd. Ook moest aanvullend onderzoek worden gedaan in verband met de aanwezigheid van een hogedruk gasleiding van de Gasunie. Enexis heeft Sun Invest al in december 2018 gewaarschuwd dat de datum van 1 juli 2019 mogelijk niet zou worden gehaald. Nadat de benodigde onderzoeken waren gedaan, heeft Enexis op 14 juni 2019 een vergunning van Rijkswaterstaat aangevraagd, die werd verleend op 8 augustus 2019. Toestemming van de Gasunie kwam er op 1 juli 2019. Na verlening van de vergunning door Rijkswaterstaat kon in samenspraak met de aannemer de verdere uitvoering van de boring worden gepland en gerealiseerd. De aansluiting was klaar op 13 september 2019. De vertraging over de periode vanaf 26 augustus 2019 moet volgens Enexis aan Sun Invest worden toegerekend omdat een geplande installatie op 26 augustus 2019 niet kon plaatsvinden omdat de monteurs van Enexis de toegangssleutel van de locatie niet hadden. Zij waren vervolgens pas weer beschikbaar op 3 september 2019, waarna de aansluiting vervolgens op 13 september 2019 is opgeleverd.
5.22.
Sun Invest stelt zich kort gezegd op het standpunt dat ook deze omstandigheden aan Enexis moeten worden toegerekend. Sun Invest meent dat Enexis in de periode van begin november 2018 tot de aanvraag van 14 juni 2019 niet voortvarend heeft gehandeld. Volgens Sun Invest is de vertraging veroorzaakt doordat Enexis te laat is begonnen met het aanvragen van de juiste vergunning.
5.23.
De rechtbank oordeelt over het beroep van Enexis op overmacht voor wat betreft aansluiting C als volgt.
5.23.1.
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat niet gezegd kan worden dat de vertraging van 26 augustus tot 13 september 2019 aan Sun Invest moet worden toegerekend omdat geplande werkzaamheden op 26 augustus niet konden plaatsvinden. Van de zijde van Sun Invest is op de zitting uitgelegd dat het ontbreken van de sleutel er weliswaar toe heeft geleid dat de installatie niet op 26 augustus maar op 3 september 2019 kon worden geplaatst, maar dat het feitelijk aansluiten door Enexis stond gepland op 13 september 2019 en dat die datum niet is beïnvloed door de latere plaatsing van de installatie. Dit is door Enexis niet weersproken.
5.23.2.
De rechtbank overweegt dat het tot de verantwoordelijkheid hoort van Enexis om tijdig de benodigde vergunningen aan te vragen. In dit geval deed zich evenwel de bijzondere situatie voor dat na het verkrijgen van de vergunning voor het gekozen tracé, dit tracé niet haalbaar bleek. Dat Enexis dit had moeten en kunnen voorzien, is niet gesteld of gebleken. Nadat al enkele maanden waren verstreken, moest er dus een nieuw tracé worden gekozen en daar kwam nogal wat bij kijken, zoals Enexis heeft aangegeven. Dit is overigens door Sun Invest ook niet betwist. Het heeft vervolgens betrekkelijk lang geduurd voordat de nieuwe aanvraag werd ingediend, maar door Enexis is gesteld dat in de voorbereiding naar die aanvraag uitvoerige onderzoeken moesten plaatsvinden. Een en ander blijkt ook wel uit de stukken die door Enexis als productie 12 bij conclusie van antwoord zijn overgelegd en is door Sun Invest ook niet weersproken. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat Enexis heeft gedraald bij het (laten) uitvoeren van de benodigde onderzoeken en stelt vast dat Enexis, nadat zij het geotechnisch advies van 11 juni 2019 had ontvangen, vrijwel direct de vergunningaanvraag bij Rijkswaterstaat heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de uitzonderlijke en niet voorzienbare omstandigheden die zich bij aansluiting C hebben voorgedaan, een beroep op overmacht hier slaagt. Dat de afgesproken datum van 1 juli 2019 niet is gehaald, hangt samen met de noodzakelijke keuze voor een ander en gecompliceerd tracé, en is niet aan Enexis toe te rekenen.
Conclusie overmacht
5.24.
Uit het voorgaande volgt dat Enexis voor wat betreft de aansluitingen A en B in beginsel schadeplichtig is tegenover Sun Invest op grond van artikel 6:74 lid 1 BW, nu het aan Enexis kan worden toegerekend dat deze aansluitingen op 1 juli 2019 niet gereed waren. Voor aansluiting C geldt dat Enexis zich kan beroepen op overmacht en niet de schade hoeft te vergoeden die het gevolg is van de te late realisatie van deze aansluiting.
Exoneratiebeding
5.25.
Ter afwering van de schadeclaim van Sun Invest beroept Enexis zich op artikel 11 van haar algemene voorwaarden, waarin zij aansprakelijkheid voor de hier gevorderde schade heeft uitgesloten (de tekst van dit artikel is weergegeven onder 3.8).
5.26.
Sun Invest beroept zich er primair op dat dit beding onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a BW en daarom vernietigbaar. Sun Invest beroept zich in dit verband ook op artikel 26a lid 2 E-wet, waarin is bepaald dat voorwaarden als bedoeld in artikelen 6:237 en 6:238 BW worden vermoed niet redelijk te zijn. Subsidiair meent Sun Invest dat toepassing van dit beding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW.
Onredelijk (bezwarend) beding
5.27.
5.28.
Artikel 26a E-wet luidt als volgt:
Een netbeheerder hanteert voorwaarden die redelijk, objectief en niet discriminerend zijn.
Voorwaarden als bedoeld in de artikelen 236 en 237 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden vermoed niet redelijk te zijn.
Een voorwaarde is redelijk, wanneer dit blijkt uit de aard, inhoud of wijze van totstandkoming van de betrokken voorwaarde.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid [rechtbank: dit betreft de afnemer met een aansluiting met een totale doorlaatwaarde van maximaal 3x80A, de zogenaamde kleinverbruiker]
De artikelen 236 en 237 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek zijn mede van toepassing op voorwaarden in overeenkomsten met afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, die rechtspersoon zijn of handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
5.29.
Met een beroep op lid 2 van deze bepaling stelt Sun Invest dat het exoneratiebeding van artikel 11 van de algemene voorwaarden van Enexis wordt vermoed niet redelijk te zijn.
5.30.
Enexis stelt dat Sun Invest geen bescherming kan ontlenen aan lid 2 van artikel 26a E-wet omdat die bescherming alleen zou toekomen aan consumenten en kleinzakelijke verbruikers met een aansluiting tot maximaal 3x80 A. Enexis beroept zich hierbij op de wetsgeschiedenis van artikel 26a E-wet, waarin onder andere staat10.:
“ Op de lijn dat wat reeds in het Burgerlijk Wetboek is geregeld niet wordt uitgebreid naar alle kleinverbruikers is één uitzondering gemaakt, namelijk de artikelen 26a en 95b van de Elektriciteitswet 1998 en de artikelen 14 en 44 van de Gaswet, waarin de consumentenbescherming van de artikelen 236 en 237 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek tegen onredelijk bezwarende voorwaarden is uitgebreid tot de relatie tussen netbeheerder of vergunninghouder en de kleinverbruiker, niet zijnde consument. Hierdoor geniet ook deze kleinzakelijke verbruiker met betrekking tot de algemene voorwaarden dezelfde rechtsbescherming als de consument.” (blz. 6-7)
“De artikelen 236 en 237 bevatten bescherming voor consumenten tegen onredelijk bezwarende algemene voorwaarden van de verkoper. Met de voorgestelde wijziging van artikel 26a wordt beoogd alle kleinverbruikers eenzelfde bescherming te geven, ongeacht of het consumenten betreft of kleinzakelijke verbruikers.” (blz. 41)
5.31.
De rechtbank is van oordeel dat Enexis aan deze teksten uit de wetsgeschiedenis ten onrechte de conclusie verbindt dat alleen consumenten en kleinzakelijke verbruikers met een aansluiting tot 3x80A een beroep zouden kunnen doen op de bescherming van artikel 26a Ewet. De aangehaalde teksten zien op de invoering van lid 5 van artikel 26a E-wet. Met de invoering van lid 5 heeft de wetgever bedoeld de vergaande bescherming die consumenten kunnen ontlenen aan de artikelen 236 en 237 van boek 6 BW ook toe te kennen aan kleinzakelijke verbruikers11.. Het bepaalde in lid 4 en 5 van artikel 26 Ewet houdt voor kleinzakelijke verbruikers dan ook kort gezegd in dat voor hen niet het bepaalde in lid 2 en 3 geldt, maar dat zij net als consumenten een rechtstreeks beroep kunnen doen op de artikelen 236 en 237 van boek 6 BW. Voor zakelijke afnemers die géén kleinverbruiker zijn, zoals Sun Invest, zijn lid 4 en 5 van artikel 26 E-wet niet van toepassing. Zij kunnen dan ook geen rechtstreekse bescherming ontlenen aan de artikelen 236 en 237 van boek 6 BW, maar hen komt wel een beroep toe op het bepaalde in lid 1, 2 en 3 van artikel 26 E-wet.
5.32.
Het exoneratiebeding van artikel 11 van de algemene voorwaarden, waarin Enexis geheel of gedeeltelijk wordt bevrijd van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, is een voorwaarde als bedoeld in artikel 6:237 BW. De exoneratie staat op deze zogenoemde ‘grijze lijst’ genoemd onder f. Op grond van artikel 26a lid 2 E-wet wordt dit beding aldus vermoed niet redelijk te zijn. Het is aan Enexis, als gebruiker van dit beding, om dit vermoeden te weerleggen.
5.33.
Door Enexis is ter weerlegging van dit vermoeden het volgende aangevoerd.
Alleen de aansprakelijkheid voor gevolgschade, vertragingsschade en bedrijfsschade wordt in het beding uitgesloten. Directe schades, zoals zaaks- en personenschade, zijn niet uitgesloten, evenmin als (alle) schades als gevolg van opzet of bewuste roekeloosheid bij Enexis. Een dergelijke exoneratie past bij normale contractuele verhoudingen, zeker tussen professionele partijen, en is gebruikelijk in de sector. Sun Invest en Enexis contracteren regelmatig met elkaar onder deze zelfde voorwaarden inclusief het exoneratiebeding. Enexis moet dit beding hanteren omdat zij bij haar dienstverlening aan derden aanzienlijke financiële risico’s loopt, omdat bijvoorbeeld vertragingen bij oplevering schades tot gevolg kunnen hebben, waarvan de hoogte voor Enexis moeilijk is te voorzien. Er is sprake van een overspannen vraagmarkt en Enexis heeft de wettelijke plicht om elke aanvraag om een aansluiting in te willigen, bij de uitvoering waarvan zij afhankelijk is van tal van externe factoren en overmachtssituaties die de doorlooptijden van projecten kunnen beïnvloeden. Enexis loopt hoge risico’s, die alleen tegen onverantwoord hoge premies kunnen worden verzekerd. Enexis kan hogere kosten niet verdisconteren in haar tarieven, omdat die sterk zijn gereguleerd. Vanwege de nutsfunctie van Enexis is er een groot maatschappelijk belang om financiële bedrijfsrisico’s serieus te beperken. Het beding is daarom nodig en algemeen geaccepteerd. Andere netbeheerders hanteren vergelijkbare of nog strengere voorwaarden dan Enexis. Het beding heeft niet tot corrigerend optreden door de toezichthouder geleid en is geen onderwerp geweest van geschilprocedures bij de ACM.
5.34.
Sun Invest voert aan, ter ondersteuning van haar stelling dat het beding onredelijk is, dat zij vanwege de monopoliepositie van Enexis geen andere keus had dan met Enexis te contracteren. De exoneratie heeft volgens Sun Invest in feite tot gevolg dat geen enkele consequentie verbonden is aan het schenden van haar wettelijke verplichtingen door Enexis.
5.35.
De rechtbank overweegt dat door Enexis uitvoerig is toegelicht waarom het beding in haar ogen nodig en aanvaardbaar is. De feiten en omstandigheden die Enexis daarvoor heeft aangevoerd, zijn door Sun Invest niet weersproken. De rechtbank is van oordeel dat Enexis, met alles wat zij heeft aangevoerd, het vermoeden dat sprake is van een onredelijk beding voldoende heeft weerlegd. Hieraan doet niet af dat diezelfde monopoliepositie, waar Enexis ook aan refereert, voor Sun Invest tot gevolg heeft dat zij geen keuze heeft met wie zij contracteert. Anders dan Sun Invest stelt, is het niet zo dat de exoneratie tot gevolg heeft dat aan het niet naleven van haar wettelijke verplichtingen voor Enexis geen consequenties verbonden zijn. Zo kan de ACM als toezichthouder een bestuurlijke boete opleggen bij overtredingen door Enexis12.. In bijzondere gevallen kan er ook reden zijn Enexis een beroep op haar exoneratiebeding te ontzeggen, zoals hierna nog aan de orde zal komen.
5.36.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het beroep van Sun Invest op artikel 26a E-wet niet kan slagen.
Beroep op artikel 6:248 lid 2 BW
5.37.
Sun Invest stelt dat Enexis geen beroep kan doen op de exoneratie van artikel 11 van de algemene voorwaarden omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). Volgens Sun Invest heeft Enexis de termijnen - niet alleen de wettelijke maar ook de contractuele - ruimschoots overschreden, zonder dat daarvoor een gegronde reden is gebleken of kenbaar gemaakt aan Sun Invest. De vertraging lijkt volgens Sun Invest dan ook gewoonweg te wijten aan laksheid van Enexis, terwijl Sun Invest meermaals heeft aangedrongen op een realisatie op uiterlijk 1 juli 2019, gelet op de eigen planning van Sun Invest. Voor Enexis was voorzienbaar dat Sun Invest door te laten aansluitingen ernstig zou worden beperkt in het gebruik van haar zonneparken en dus omvangrijke schade zou leiden.
5.38.
Enexis verweert zich door aan te voeren dat volgens vaste rechtspraak grote terughoudendheid door de rechter dient te worden betracht bij het uitspreken van onaanvaardbaarheid bij het gebruik van algemene voorwaarden tussen professionele partijen. De norm wordt in de regel gelegd bij opzet of grove schuld door de partij die een beroep op de algemene voorwaarden doet, en daarvan is in dit geval geen sprake, aldus het betoog van Enexis. Meer in het algemeen heeft Enexis gewezen op de moeilijke omstandigheden waaronder zij als netbeheerder haar werk moet doen. De explosieve en onverwacht grootschalige groei van windturbines en zonneparken in de afgelopen jaren, vooral in dunbevolkte delen van Nederland met een beperkte netcapaciteit, heeft geleid tot schaarste van transport- en aanlegcapaciteit, waardoor onvoldoende technische mensen beschikbaar zijn en leveranciers van technische materialen niet tijdig kunnen leveren.
5.39.
De rechtbank overweegt dat de vraag of Enexis zich kan beroepen op de exoneratie hier alleen relevant is voor wat betreft de aansluitingen A en B. Voor aansluiting C heeft de rechtbank immers al geoordeeld dat van toerekenbare tekortkoming en schadeplichtigheid van Enexis geen sprake is.
5.40.
De rechtbank overweegt dat het juist is, zoals Enexis aanvoert, dat de rechter de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW terughoudend dient toe te passen, in het bijzonder als het gaat om professionele partijen zoals in dit geval. Maar ook met inachtneming van die terughoudendheid, is de rechtbank in dit geval van oordeel dat Enexis zich niet met een beroep op haar exoneratiebeding aan schadeplichtigheid kan onttrekken. De wetgever heeft voor beide aansluitingen bepaald dat deze binnen uiterlijk 18 weken gereed moeten zijn. Voor aansluiting A heeft Enexis vooraf aangegeven 25 weken nodig te hebben, en is haar door Sun Invest uiteindelijk een termijn gegund van 28 weken. Voor aansluiting B heeft Enexis vooraf aangegeven 52 weken nodig te hebben en is haar door Sun Invest een termijn gegund van bijna 60 weken. Sun Invest heeft tussentijds diverse malen bij Enexis navraag gedaan of de gegunde termijn (tot 1 juli 2019) haalbaar was, en Enexis heeft dat meermaals bevestigd. Toch is de termijn uiteindelijk, zonder waarschuwing richting Sun Invest, door Enexis overschreden, en zijn de aansluitingen gerealiseerd op 26 en 19 juli 2019. Door Enexis is niet betwist dat voor haar voorzienbaar was dat dit tot schade voor Sun Invest zou kunnen leiden. Op de vraag waarom Enexis ondanks de ruim gegunde termijn niet tijdig heeft opgeleverd, heeft Enexis slechts aangegeven dat materialen niet op tijd werden geleverd, zoals in verband met het beroep op overmacht ook aan de orde is gekomen (zie onder 5.18 tot en met 5.20.3). Enexis stelt dat de levertermijnen van haar leveranciers in de periode mei 2018 tot maart 2019 aanzienlijk zijn toegenomen, en dat zij pas kon gaan bestellen toen Sun Invest na vele maanden de benodigde gegevens had doorgegeven. De rechtbank is van oordeel dat het voor Enexis kenbaar moet zijn geweest dat levertermijnen opliepen, dat dit aanleiding had moeten zijn om te zorgen voor vroegtijdige bestellingen en/of het aanleggen van een eigen voorraad, zeker nu het standaard componenten betrof en niet specifieke componenten afgestemd op deze aansluitingen. Voor zover Enexis niet verder kon omdat er nog gegevens van Sun Invest moesten komen, had Enexis die gegevens actief bij Sun Invest moeten opvragen en niet moeten afwachten. Nergens uit blijkt dat ze dat heeft gedaan hetgeen wel op haar weg lag nu zij aanvoert dat zij niet kon bestellen zolang Sun Invest haar niet de benodigde gegevens verschafte. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat met Sun Invest eerder al afspraken gemaakt hadden kunnen worden over de termijn waarbinnen die gegevens bij Enexis moesten zijn als dit zo belangrijk was voor Enexis om tijdig haar onderdelen te bestellen en om tijdig aan haar verplichtingen te voldoen. Waarom daarover geen duidelijke afspraken zijn gemaakt, kon Enexis niet nader toelichten. Dat het voor Sun Invest duidelijk had moeten zijn dat Enexis op de gegevens zat te wachten en daardoor wellicht in de problemen zou komen met een tijdige oplevering blijkt ook nergens uit. Na het ontvangen van de gegevens op 12 maart 2019 heeft Enexis naar haar eigen verklaring nog ruim vijf weken gewacht met het daadwerkelijk bestellen van de benodigde apparatuur. De rechtbank is gelet op dit alles met Sun Invest van oordeel dat de vertraging in de aansluitingen A en B te wijten is aan nalatig handelen van Enexis. De rechtbank heeft er oog voor dat de huidige omstandigheden waaronder Enexis haar werk moet uitvoeren de nodige uitdagingen met zich brengen, maar is van oordeel dat dit niet afdoet aan de verwijtbaarheid van het handelen van Enexis in dit geval. De rechtbank beoordeelt het beroep van Enexis op het exoneratiebeding van artikel 11 van haar algemene voorwaarden daarom in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Conclusie aansprakelijkheid
5.41.
De rechtbank komt gelet op al het voorgaande tot de slotsom dat Enexis aansprakelijk is tegenover Sun Invest voor de schade die Sun Invest heeft geleden als gevolg van het toerekenbaar niet nakomen door Enexis van haar contractuele verplichting om de aansluitingen A en B uiterlijk op 1 juli 2019 gereed te hebben. Deze aansluitingen werden pas op 26 en 19 juli 2019 gerealiseerd.
Voor zover de vordering van Sun Invest verband houdt met de te late realisatie van aansluiting C, wordt deze afgewezen.
Schade
5.42.
Sun Invest vordert in totaal een schadevergoeding van Enexis van € 397.089,05. Deze schade bestaat volgens Sun Invest uit de gemiste inkomsten van de beide zonneparken vanaf 1 juli 2019 tot de dag waarop zij uiteindelijk zijn gerealiseerd.
5.43.
Terwijl Sun Invest bij het onderbouwen van haar schade in de dagvaarding heeft volstaan met het overleggen van niet nader toegelichte lijsten met dagwaardes in kWh en euro’s per aansluiting, heeft Enexis uitvoerig verweer gevoerd onder andere door een toelichting te geven op de systematiek van de SDE-subsidieverlening, die bepalend is voor de economische rentabiliteit van de zonneparken, door te wijzen op de ruime looptijd van de omgevingsvergunning en de mogelijkheid van ‘banking’, door met een in eigen opdracht opgestelde schadeberekening - gebaseerd op de nodige aannames - te komen waaruit zou volgen dat de vertraagde oplevering slechts tot een omzetverschuiving (van € 126.512,-) zou hebben geleid. De schade beloopt naar Enexis stelt hooguit een klein bedrag aan renteverlies over de weken waarmee de inbedrijfstelling is vertraagd. In reactie hierop heeft Sun Invest in de aanloop naar de zitting bij akte aanvullende stukken overgelegd, waarover zij op de zitting nog het een en ander naar voren heeft gebracht, en waarop Enexis in haar spreekaantekeningen en ook mondeling ter zitting dan weer heeft gereageerd.
5.44.
De rechtbank stelt vast dat inmiddels de nodige stukken door Sun Invest en ook door Enexis zijn overgelegd, o.a.: lijsten met aantallen kWh en euro’s per aansluiting per dag, een schadeberekeningsrapport in opdracht van Enexis, omgevingsvergunningen, koopovereenkomsten, gemeentelijke brieven, SDE-(subsidie)beschikkingen en rapporten van verwachte opbrengsten in opdracht van Sun Invest. Door partijen, en dan met name door Enexis, zijn ook nogal wat stellingen/verweren naar voren gebracht over het onderwerp schade. De rechtbank acht het aannemelijk dat Sun Invest enige schade heeft geleden, maar kan op basis van wat nu voorligt niet tot een vaststelling van die schade komen. Wat ontbreekt is een begrijpelijke en deugdelijk onderbouwde opstelling van de schade die Sun Invest stelt te hebben geleden. Sun Invest zal inzichtelijk moeten maken waaruit haar schade bestaat, hoe die is berekend en welke uitgangspunten daaraan ten grondslag liggen. Sun Invest zal daarbij aandacht dienen te besteden aan de verweren die Enexis heeft gevoerd, en die met name verband houden met het systeem van subsidieverlening. Nu alleen de schade die is veroorzaakt door de vertraagde oplevering van de aansluitingen A en B voor vergoeding in aanmerking komt, zal Sun Invest ook daarop de onderbouwing van haar schade moeten aanpassen. Daarbij merkt de rechtbank op dat Sun Invest bij haar summiere eerste schadeonderbouwing voor wat betreft deze aansluitingen ten onrechte uit lijkt te zijn gegaan van de periode tot respectievelijk 2 september (A) en 2 augustus/13 september (B), wat niet overeenkomt met de realisatiedata zoals die door Sun Invest zijn genoemd in nr.4 van de dagvaarding en door de rechtbank als vaststaand zijn aangenomen.
Aanhouding
5.45.
Om Sun Invest in de gelegenheid te stellen haar schade nader te onderbouwen zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rol voor het nemen van een akte door Sun Invest. Enexis zal vervolgens gelegenheid krijgen voor het nemen van een antwoordakte.
5.46.
In afwachting van het vervolg van deze procedure zal de rechtbank elke beslissing aanhouden.
6. De beslissing
De rechtbank
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 mei 2022 voor het nemen van een akte door Sun Invest over hetgeen is vermeld onder 5.44, waarna Enexis op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑03‑2022
De afkorting kVA staat voor kilovoltampère en geeft de aansluitwaarde aan.
Zie o.a. ACM/UIT/549078 overweging 3.16.
Uitspraken van het Hof van Justitie EU van 30 december 2020 en 2 september 2021, ECLI:EU:C:2020:984 en ECLI:EU:C:2021:662.
ACM/UIT/567651.
Kamerstukken II, 2003/04, nr. 52, p, 28.
TK 2003-2004, 29 372, nr.3
Sun Invest is met haar aansluitingen van 1750 kVA en 6000 kVA geen kleinzakelijke verbruiker.