Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/20.2:20.2 Stappenplan om te bepalen of en hoe subjectieve rechten worden opgebouwd en aangevuld
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/20.2
20.2 Stappenplan om te bepalen of en hoe subjectieve rechten worden opgebouwd en aangevuld
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300482:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
822. De samenvatting van deel I die ik gaf in paragraaf 19.2, is nog steeds vrij uitgebreid. Voor het gemak presenteer ik daarom hieronder een stappenplan, dat puur gericht is op het beantwoorden van de volgende vraag: ‘hoe kan worden beoordeeld of één of meerdere aanspraken met een subjectief recht mee overgaan?’ Om het stappenplan zo kort mogelijk te houden, heb ik een aantal van de uitgangspunten uit deel I weggelaten en de volgorde van de uitgangspunten een beetje omgegooid. Ook is de terminologie zo simpel mogelijk gehouden, waardoor deze soms wat kort door de bocht is. Daarom werk ik ter verduidelijking elk van de stappen nader uit na het stappenplan gepresenteerd te hebben. De bespreking van het stappenplan is geschreven vanuit de vraag of aanspraken mee overgaan wanneer een subjectief recht van vermogen verwisselt als gevolg van overdracht. Omdat het stappenplan in algemene zin kan worden gebruikt om te bepalen hoe bepaalde aanspraken samenhangen met subjectieve rechten, kan het ook voor soortgelijke vraagstukken worden gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de vraag wat er gebeurt als het subjectieve recht wordt verpand of beslagen.
Stappenplan om te beoordelen of één of meerdere aanspraken met een subjectief recht mee overgaan
Hebben de aanspraken en het subjectieve recht gezamenlijk meer nut dan apart?
Ja: ga door naar stap 2.
Nee: de aanspraken gaan niet met het subjectieve recht mee over.
Hebben de aanspraken betrekking op dezelfde wederpartij (en, indien van toepassing, hetzelfde rechtsobject) als het subjectieve recht?
Ja: de aanspraken maken onderdeel uit van het subjectieve recht (hoofdstuk 12).
Nee: ga door naar stap 3.
Worden de aanspraken tegen de zin van één van de betrokken par tijen aan een ander toebedeeld?
Ja: de overheid is de enige die deze aanspraken aan de subjectief gerechtigde kan toebedelen (hoofdstuk 13).
Nee: ga door naar stap 4.
Betreft het aanspraken die zonder zelfstandig nut zijn los van het subjectieve recht?
Ja: de overheid zorgt er (enkel) in de in de wet aangegeven geval len voor dat het subjectieve recht automatisch met de aanspraken wordt aangevuld (hoofdstuk 14-16). Ga door naar stap 5.
Nee: partijen kunnen er – binnen de grenzen van de wet – voor kiezen om zelf het subjectieve recht met de aanspraken aan te vullen (hoofdstuk 17).
Betreft het aanspraken die inherent zonder zelfstandig nut zijn los van het subjectieve recht?
Ja: de overheid zorgt ervoor dat het subjectieve recht automa tisch met de aanspraken wordt aangevuld omdat het een afhan kelijk recht betreft (hoofdstuk 14).
Nee: de overheid zorgt ervoor dat het subjectieve recht automa tisch met de aanspraken wordt aangevuld omdat het een kwa litatief recht betreft (hoofdstuk 15).
823. Het bovenstaande stappenplan maakt duidelijk op welke wijze aanspraken met een subjectief recht kunnen samenhangen. Omdat ik de vijf gestelde vragen zo kort mogelijk heb geformuleerd, is het nuttig om iets meer uitleg te geven wat er precies met de vragen bedoeld wordt. In paragraaf 20.3 geef ik een groot aantal voorbeelden van het ‘sorteren’ van aanspraken aan de hand van het stappenplan.
824. De eerste stap in het stappenplan ziet op de vraag of de ‘extra’ aan spraken en het subjectieve recht waar ze mee samenhangen gezamenlijk meer nut opleveren dan apart. Dat is theoretisch gezien een lastige vraag, omdat wat de één nuttig vindt, dat voor de ander helemaal niet hoeft te zijn. Praktisch gezien zal meestal wel overeenstemming bestaan over wat mensen nuttig vinden. Dingen die mensen doorgaans willen hebben zijn nuttig; dingen die mensen doorgaans niet willen hebben zijn niet nuttig. De belangrijkere vraag is of de aanspraken en het subjectieve recht gezamenlijk méér nut opleveren dan apart. Deze vraag kan worden beantwoord door te beoordelen of de aanspraken zonder het subjectieve recht van nut zijn. Als dat niet het geval is, dan zullen ze voldoende bij het subjectieve recht horen om door te gaan naar de volgende stap. De meeste mensen zul len bijvoorbeeld liever een vordering versterkt met een pandrecht heb ben dan een vordering zonder pandrecht; liever een auto met garantie dan een auto zonder garantie en liever een vordering met de mogelijkheid om deze opeisbaar te maken dan zonder die mogelijkheid. De hier genoemde voorbeelden van aanspraken zijn dus samen met de subjectieve rechten waar ze bij horen van meer nut dan afzonderlijk. In gevallen waarin geen samenhang bestaat tussen het subjectieve recht en de extra aanspraken heb ben ze ieder ‘slechts’ hun eigen nut, zonder dat er sprake is van toegevoegd nut. Zo zal iemand die een vorderingsrecht heeft er weinig voor overhebben om een pandrecht te verkrijgen dat een ander, niet aan hem toebehorend vorderingsrecht secureert. Hetzelfde geldt voor iemand die een auto heeft en de mogelijkheid krijgt om garantie te verkrijgen op een auto die niet aan hem toebehoort. Ook de rechthebbende van een vordering heeft door gaans weinig aan de mogelijkheid om een andere, hem niet toebehorende vordering opeisbaar te maken. In zulke gevallen is het niet nodig om de aanspraken aan het subjectieve recht te verbinden; ze gaan dus niet samen mee over. Een uitzondering vormt de regeling in art. 7:226 BW, waaruit volgt dat rechten die voor de verhuurder uit een huurovereenkomst voort vloeien overgaan op de verkrijger van de verhuurde zaak. De vorderingen tot huurbetaling die de verhuurder uit de huurovereenkomst verkrijgt, zijn niet noodzakelijkerwijs van meer gezamenlijk nut mét de verhuurde zaak dan afzonderlijk. Toch heeft de wetgever het verstandig geacht het samenstel van rechten en verplichtingen dat samenhangt met de verhuurde zaak bijeen te houden.
825. De tweede vraag uit het stappenplan onderscheidt tussen aanspraken die zien op dezelfde wederpartij (en eventueel hetzelfde rechtsobject) als het subjectieve recht en aanspraken die dat niet doen. Ik heb dit onder scheid eerder al behandeld in paragraaf 6.2. Aanspraken die zien op dezelfde wederpartij(en) (en eventueel hetzelfde rechtsobject) als het subjectieve recht, maken onderdeel uit van dat subjectieve recht. Zulke aanspraken kunnen door partijen zelf overeen worden gekomen (zoals de bevoegdheid om een vordering vervroegd opeisbaar te maken) of door de overheid worden toebedeeld (zoals de bevoegdheid om derden van een stuk grond waarvan men eigenaar is, uit te sluiten). Aanspraken die zien op een andere wederpartij dan het subjectieve recht (of eventueel op een ander rechtsobject), maken geen onderdeel uit van het subjectieve recht. Dat houdt het voor derden overzichtelijk wat het subjectieve recht precies behelst. Voor aanspraken die geen onderdeel uitmaken van het subjectieve recht waar ze mee samenhangen, is het nodig om ze op een andere manier aan het subjectieve recht te koppelen om ze samen mee over te laten gaan.
826. De derde vraag uit het stappenplan ziet erop of door het koppelen van het subjectieve recht en de aanspraken die ermee samenhangen gedwon gen herverdeling plaatsvindt. Indien dat het geval is, is de overheid de enige partij die voor het koppelen van de twee kan zorgen. Partijen zelf kunnen er immers – buiten de grenzen van de wet – niet voor zorgen dat subjectieve rechten worden aangepast op een manier waardoor derden worden benadeeld. De overheid kan dat wel, door te bepalen dat iemand die een bepaald subjectief recht heeft ook bepaalde daarmee samenhangende aanspraken heeft. Veel van het verhaalsrecht is op deze manier vormgegeven. Aan de rechthebbende van een vordering komt bijvoorbeeld de bevoegdheid toe om voor de vordering beslag te leggen, het faillissement van de schuldenaar aan de vragen en om de actio Pauliana in te roepen. In al deze gevallen zal de schuldenaar niet met het uitoefenen van deze aanspraken instemmen. In gevallen waarin alle partijen wél met het koppelen van aanspraken en subjectieve rechten kunnen instemmen (althans geen reden hebben om dat niet te doen), is het niet nodig dat de overheid subjectieve rechten aanpast door aan de subjectief gerechtigde aanspraken toe te delen. In plaats daarvan worden dan aanspraken ver schaft door de betrokken partijen zelf.
827. De vierde vraag uit het stappenplan ziet op die situatie, waarin par tijen zelf aanspraken aan elkaar verschaffen. De vraag maakt een onderscheid tussen gevallen waarin de overheid ze daar een handje bij kan helpen – door te bepalen dat deze aanspraken automatisch het subjectieve recht aanvullen en dus mee over gaan wanneer het subjectieve recht wordt over gedragen – en gevallen waarin de overheid dat niet kan. Dat onderscheid is erin gelegen of de aanspraken die met het subjectieve recht samenhangen, zelfstandig nut hebben voor iemand die niet ook rechthebbende is van het subjectieve recht. Afhankelijke rechten, zoals het pand- en hypotheekrecht en het recht van erfdienstbaarheid, hebben geen nut zonder het hoofdrecht waar ze bij horen. Hetzelfde geldt voor kwalitatieve rechten, zoals de mogelijkheid om een garantie in te roepen om een defect product te laten repareren, die geen nut hebben zonder het goed waar ze bij horen. De overheid kan in zulke gevallen transactiekosten verlagen door te bepalen dat deze aanspraken automatisch overgaan met het subjectieve recht waar ze bij horen. Er zijn echter ook aanspraken die altijd zelfstandig nut heb ben, ongeacht of degene die de aanspraak uitoefent ook een subjectief recht (of goed) heeft waar de aanspraak mee samenhangt. Het belangrijkste voor beeld daarvan is een aanspraak tot betaling van een geldsom aan degene die de aanspraak uitoefent. Het is altijd nuttig om geld te ontvangen, ongeacht of dat in het kader van een ander subjectief recht is of niet. De overheid kan in zulke gevallen niet bepalen dat de vordering tot betaling van een geldsom mee over gaat naar één van de betrokken partijen, omdat er daardoor sprake zou zijn van gedwongen herverdeling (waardoor de betrokken partijen zouden worden afgeschrikt om aan de benodigde transacties deel te nemen). Voor het mee over laten gaan van een vordering tot betaling van een geldsom en een ander subjectief recht is het daarom nodig dat partijen zelf vrijwillig instemmen met het feit dat deze vordering kan worden ingeroepen door degene die ook het subjectieve recht heeft.
828. De vijfde en laatste stap heeft twee mogelijke afslagen. Gevraagd wordt of de door partijen verschafte aanspraken waarvan de overheid bepaalt dat ze automatisch toekomen aan degene die een specifiek subjectief recht heeft inherent zelfstandig nut ontberen. Wanneer dat het geval is, bepaalt de overheid dat deze aanspraken als afhankelijke rechten met het subjectieve recht mee overgaan. De overheid kan op voorhand vaststellen welke specifieke rechten afhankelijk zijn (pandrecht, hypotheekrecht, etc.), omdat er geen geval is waarin deze rechten zelfstandig nut hebben. Er bestaan ook aanspraken die niet altijd inherent zelfstandig nut ontberen, maar waarvan partijen dat wel af kunnen spreken (zie het voorbeeld genoemd in randnummer 716). De overheid kan niet op voorhand vaststellen welke specifieke rechten kwalitatief zijn, omdat rechten slechts kwalitatief worden doordat partijen het zelfstandige nut wegnemen dat deze rechten zonder een bepaald goed hebben.