NJB 2024/1364:Onbegrijpelijke bewijsuitsluiting in de zin van art. 359a Sv van een door een deskundige opgesteld rapport over de samenstelling van inbeslaggenomen witte poeder – welk onderzoeksmateriaal later in het ongerede is geraakt – alsmede de over dat rapport afgelegde verklaringen en het door een andere deskundige uitgebrachte rapport. De omstandigheid dat als gevolg van enig verzuim het voor het verrichten van een tegenonderzoek bestemde materiaal in het ongerede is geraakt, brengt niet mee dat de verkrijging van voornoemd bewijsmateriaal als ‘resultaat’ van dat in het ongerede raken en reeds op die grond als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Voorts is de vraag of de onmogelijkheid van een tegenonderzoek aan een eerlijke procesvoering in de zin van art. 6 EVRM in de weg staat, afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak.