Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/4.4.2
4.4.2 Verschoning
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS469270:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Eventueel naar aanleiding van bezwaren van de zijde van de verdediging (zie Keulen/Knigge, p. 145). Overigens zouden bezwaren van het Openbaar Ministerie naar mijn mening evengoed tot een verschoningsverzoek moeten kunnen leiden.
Zie T&C Sv, artikel 518 Sv, aantekening 3. Volgens Kuijer zou dit echter misbruik van de wrakingsregeling met zich brengen, omdat de kwestie reeds is beoordeeld door de meervoudige kamer (Melai/Groenhuijsen e.a., artikel 518, aantekening 7). Ik ben het hier niet geheel mee eens. Hoewel de gronden waarop een wrakings- en een verschoningsverzoek zijn gebaseerd vanuit wetgevingsperspectief hetzelfde zijn (artikel 518, lid 1 Sv), kan een verdachte ten aanzien van eenzelfde feitencomplex er een geheel andere visie op nahouden. Het gaat immers vooral om de uiterlijke schijn van partijdigheid, zoals deze onder andere door de verdachte kan worden waargenomen. Daarnaast kan een wrakingsverzoek op een geheel ander feitencomplex zijn gebaseerd dan het voorafgaande verschoningsverzoek.
De Leidraad ‘Onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak’ hanteert ditzelfde criterium (www.rechtspraak.nl).
Hof Den Bosch 21 februari 2011, r.o. 4.3 (ECLI:NL:GHSHE:2011:BP5167).
Rechtbank Den Haag 12 juni 2008 (ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5529).
Rechtbank Rotterdam 22 maart 2010 (ECLI:NL:RBROT:2010:BL8291).
Rechtbank Breda 7 november 2007 (ECLI:NL:RBBRE:2007:BB7489).
Rechtbank Rotterdam 30 november 2005 (ECLI:NL:RBROT:2005:AU8222). Zie voor een vergelijkbaar wrakingsgeval, waarbij de rechter zijn beslissing mede baseerde op stukken die, hoewel daar meerdere malen om was verzocht, niet bij de verdediging bekend waren: Rechtbank Arnhem 19 april 2012 (ECLI:NL:RBARN:2012:BW3348).
Hof Den Bosch 3 augustus 2011, r.o. 3.4 (ECLI:NL:GHSHE:2011:BR6413). Het hof verwees daarbij naar een arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZD0819; NJ 1998, 187, met noot Knigge).
De rechter vond het mede van belang dat het i.c. ging om een incidentele misslag van een ressortsmedewerker en dat de Kamervoorzitter terstond adequaat heeft gehandeld ‘waardoor ook een eventuele uiterlijke schijn van partijdigheid onmiddellijk en doeltreffend is verhinderd.’ (Hof Den Bosch 21 februari 2011, r.o. 4.6 (ECLI:NL:GHSHE:2011:BP5167).
Als het onderzoek ter zitting eenmaal begonnen is, dan kan de rechter zich niet meer ‘informeel’ terugtrekken. Mocht de rechter na aanvang van de zitting toch een risico zien ten aanzien van zijn mogelijke vooringenomenheid, dan kan hij een formeel verzoek doen tot verschoning (artikel 517 Sv).1 Hiertoe moet hij een verzoek indienen bij een meervoudige kamer van de rechtbank waarvan de rechter die om verschoning verzoekt geen deel uitmaakt (artikel 518, lid 1 Sv). Wordt het verzoek ter zitting ingediend, dan dient de terechtzitting te worden geschorst (artikel 517, lid 3 Sv).
Bij de behandeling van het verschoningsverzoek hoeft niemand te worden gehoord, dit in tegenstelling tot de behandeling van een verzoek tot wraking van een rechter. De meervoudige kamer beslist zo spoedig mogelijk op het verschoningsverzoek en deelt de gemotiveerde beslissing onverwijld mee aan de verdachte, het OM en de betrokken rechter (artikel 518, lid 2 Sv). Volgens het derde lid van artikel 518 Sv staan tegen de beslissing geen rechtsmiddelen open. Een verdachte kan overigens wel een wrakingsverzoek indienen nadat een verzoek om verschoning is afgewezen.2
De gronden voor een verzoek om verschoning zijn dezelfde als die voor een wrakingsverzoek; het moet gaan om feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 512 Sv).3
Rechtspraak over (gronden voor) verschoning is schaars. Bij de beoordeling van een verschoningsverzoek wordt over het algemeen verwezen naar de uitgangspunten zoals deze door het EHRM ten aanzien van de onpartijdigheid van het gerecht volgens artikel 6 EVRM nader zijn uitgewerkt:
“Vooropgesteld dient te worden dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de rechter een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verdachte daarvoor, objectief gerechtvaardigd, de vrees kan ontstaan.
De vraag of er reden kan zijn voor verschoning moet aldus worden beoordeeld aan de hand van een subjectieve toets, waarbij het gaat om de persoonlijke overtuiging van een rechter in een bepaalde zaak, en aan de hand van een objectieve toets, waarbij moet worden vastgesteld of bij een partij de vrees voor partijdigheid van een rechter kan ontstaan, rekening houdend met de uiterlijke schijn.”4
Een verschoningsverzoek werd toegewezen in het geval dat een getuigenverklaring van een collega-rechter onderdeel uitmaakt van het procesdossier waarover de rechter in kwestie diende te oordelen.5 Een voorafgaande vrijspraak van een medeverdachte leverde eveneens een grond voor verschoning op.6 Ook de rechter-commissaris die in de zaak tegen medeverdachten reeds eerder met vrucht was gewraakt, mocht zich verschonen.7 Een geval van collectieve verschoning deed zich voor toen de rechters reeds hadden kennisgenomen van niet tot het dossier behorende (belastende) stukken, terwijl het procesdossier geen belastende aanwijzingen bevatte.8
Vrij recent oordeelde de rechter dat er strijd kan zijn met de onpartijdigheidseis “wanneer de rechters die de verdachte berechten eerder, in een zaak tegen een medeverdachte, een gemotiveerd oordeel hebben gegeven over de betrouwbaarheid van een verklaring van de verdachte, terwijl deze dezelfde stellingname in zijn eigen zaak wenst te handhaven”.9 Een enkele keer wordt een verzoek om verschoning afgewezen. Zo werd aanvaardbaar geacht dat de rechter in kwestie politie-informatie van een medewerker van het ressortsparket had ontvangen na sluiting van het onderzoek en buiten de Advocaat-Generaal om.10