De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.4:1.4 Onderzoeksvraag, afbakening en opbouw
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.4
1.4 Onderzoeksvraag, afbakening en opbouw
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949458:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek staat de volgende hoofdvraag centraal:
Hoofdvraag: Binnen welke kaders heeft de leraar in het primair, voortgezet, middelbaar beroeps- en hoger onderwijs autonomie bij het geven van onderwijs en in het bijzonder bij het nemen van examenbeslissingen?
Zoals blijkt uit deze hoofdvraag ligt de focus van het onderzoek op de autonomie van de leraar bij het geven van onderwijs. De leraar die onderwijs geeft in de klas staat dan ook centraal. Naast dat de autonomie van de leraar bij het geven van onderwijs in het algemeen wordt onderzocht, wordt specifiek ingegaan op zijn autonomie bij het afnemen van examens. Met examen wordt bedoeld de beoordelingsbeslissing of beslissingen waarmee het onderwijs in een bepaalde sector wordt afgesloten. De vier examens die centraal staan zijn het schooladvies in het primair onderwijs, het school- en centraal examen in het voortgezet onderwijs, het instellings- en centraal examen in het middelbaar beroepsonderwijs en de tentamens die in hun totaliteit het examen vormen in het hoger onderwijs. Door onderzoek te doen naar de autonomie van de leraar in het algemeen én door in het bijzonder te kijken naar de autonomie van de leraar bij het nemen van examenbeslissingen, ontstaat er een vollediger beeld van de autonomie van de leraar en wordt het spanningsveld tussen de autonomie van de leraar en de andere actoren in het onderwijs in kaart gebracht. Dit spanningsveld wordt goed zichtbaar door in het bijzonder examens te betrekken in het onderzoek. Bij examens zijn de belangen voor de leraar, het bevoegd gezag en de leerling en zijn ouders immers erg groot.
De hoofdvraag wordt beantwoord aan de hand van de in de vorige paragraaf geschetste elementen die van invloed zijn op de autonomie van de leraar. Deze elementen vormen dan ook de hoofdlijn aan de hand waarvan het oogmerk en de rechtvaardiging van de autonomie van de leraar in kaart wordt gebracht. Deze elementen worden waar mogelijk in de context geplaatst van de relaties die de leraar heeft met het bevoegd gezag en de leerling en zijn ouders. Op relationele autonomie wordt dieper ingegaan in § 2.2.2 e.v. In hoofdstuk 2 wordt eerst uiteengezet wat de ratio is achter de autonomie die aan de leraar toekomt. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 met een algemene juridische blik gekeken naar het concept ‘autonomie van de leraar’. Daarbij wordt onderzocht in welke mate de leraar aanspraak kan maken op autonomie op basis van wet- en regelgeving – waaronder mede wordt verstaan verdragen en de Grondwet – en de professionele standaard. In hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de verhouding tussen de leraar en het bevoegd gezag en de Staat. Daarbij worden onder andere de mogelijkheden van het bevoegd gezag om instructies te geven en om beleid en regels vast te stellen betrokken. Daarna staat in hoofdstuk 5 de relatie tussen de leraar en de leerling centraal. Daarin komen de rechten van de leerling aan bod en wordt ingegaan op de jurisprudentie die ziet op de autonomie van de leraar bij het nemen van examenbeslissingen. In hoofdstuk 6 wordt ten slotte stilgestaan bij de autonomie die de leraar heeft bij het beoordelen van examens in de verschillende onderwijssectoren.
Het onderzoek naar de autonomie van de leraar bestrijkt alle onderwijssectoren. Daarmee wordt een omvattend beeld verkregen van het geldend recht ten aanzien van de autonomie van de leraar bij het geven van onderwijs en in het bijzonder bij het nemen van examenbeslissingen in de verschillende onderwijssectoren. Het onderzoek beperkt zich in beginsel tot het onderwijs(recht) zoals dit geldt voor bekostigde onderwijsinstellingen. De onderwijswetten zijn grotendeels niet van toepassing op niet-bekostigde instellingen, waardoor voor hen een ander regime geldt. Ook het speciaal onderwijs wordt buiten beschouwing gelaten. Dit betreft een zeer specifieke vorm van onderwijs met zijn eigen systematiek en van toepassing zijnde regels. De focus op de vier reguliere onderwijssectoren in het onderwijs leidt reeds tot een fors onderzoek. Er is dan ook voor gekozen om hier niet nog andere vormen van onderwijs aan toe te voegen. Wel wordt ingegaan op de ondersteuningsbehoefte van leerlingen in het algemeen. Daarnaast blijven onder meer arbeidsrechtelijke vraagstukken en de bevoegdheids- en bekwaamheidseisen van de leraar grotendeels buiten beschouwing. Hoewel dit relevant is voor de autonomie van de leraar, raakt dit niet direct aan zijn autonomie bij het geven van onderwijs en het afnemen van examens. Wel wordt ingegaan op de instructiebevoegdheid van het bevoegd gezag. Ten slotte wordt zoals eerder toegelicht feitelijk optreden van betrokkenen, scholing, veronderstelde normen en soft law uitgesloten als specifieke focus van dit onderzoek, maar waar relevant wel betrokken bij de te onderzoeken elementen.