Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/6.5.2
6.5.2 De plaats van de curator/bewindvoerder in de WOR
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS392026:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: S.C.J.J. Kortmann, ‘De curator, de bewindvoerder en de organen van de vennootschap en onderneming’, in: D.H. Beukenhorst e.a., Het faillissement in de tijd van Molengraaffen nu. Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht 1993, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1993, p. 151. Ook de Rechtbank Zutphen noemde de curatoren ‘ondernemers in de zin van deze wet. Rechtbank Zutphen 12 juli 1984, NJ 1985, 565; J.C.M.G. Bloemarts, ‘Werknemers en insolventie: een discussiebijdrage over wenselijk recht’, in: A.M. Luttmer-Kat (red), Werknemers en insolventie van de werkgever: is de balans in evenwicht? Deventer: Kluwer 2000, p. 76. Volgens Bloemarts moet de curator als ondernemer worden beschouwd nu de rechtspersoon wezenlijk de hoedanigheid van ondernemer – daar hij de beheer en beschikking verliest – over ziet gaan op de curator.
Zie ook o.m. F.M.J. Verstijlen, De faillissementscurator. Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de taak, bevoegdheden en persoonlijke aansprakelijkheid van de faillissementscurator. Deventer: Tjeenk Willink 1998 p. 139. J.C.M.G. Bloemarts, ‘Werknemers en insolventie: een discussiebijdrage over wenselijk recht’, in: A.M. Luttmer-Kat (red), Werknemers en insolventie van de werkgever: is de balans in evenwicht? Deventer: Kluwer 2000, p. 76; W.P.J. Kroft, ‘De curator en de medezeggenschap van werknemers’ in: S.C.J.J. Kortmann e.a., De curator een octopus, Deventer: Tjeenk Willink 1996, p. 56. E.P.M. Joosen, Overdracht van ondernemingen uit faillissement, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1998, p. 161.
S.C.J.J. Kortmann, ‘De curator, de bewindvoerder en de organen van de vennootschap en onderneming. in: D.H. Beukenhorst e.a., Het faillissement in de tijd van Molengraaffen nu, preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht', Zwolle: Tjeenk Willink 1993, p. 152, J. Roest, Medezeggenschap van werknemers bijfinancieel-economische besluiten, Deventer: diss. 1996, p. 259.
S.C.J.J. Kortmann, ‘De curator, de bewindvoerder en de organen van de vennootschap en onderneming’, in: D.H. Beukenhorst e.a., Het faillissement in de tijd van Molengraaff en nu. Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht' 1993, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1993 p. Polak Pannevis, Faillissementsrecht, Deventer: Kluwer, p. 300-301.
Zie anders: S.C.J.J. Kortmann, ‘De curator, de bewindvoerder en de organen van de vennootschap en onderneming’, in: D.H. Beukenhorst e.a., Het faillissement in de tijd van Molengraaffen nu. Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht 1993, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1993, p. 152.
Zie anders de noot bij JOR 1996/137 en Kortmann preadvies 1993, p. 150.
Niet de onderneming, maar de ondernemer – de BV of NV – verkeert in staat van faillissement of surseance van betaling, zodat de onderneming en de daaraan verbonden or gewoon blijven bestaan. Het faillissement dan wel de surseance van betaling heeft echter grote gevolgen voor de bevoegdheidsverdeling in de onderneming. De curator is vanaf het moment van faillietverklaring te beschouwen als bestuurder in de zin van de WOR (art. 1 lid 1 sub e WOR). De curator wordt ook wel als ondernemer (art. 1 lid 1 sub c WOR) aangeduid.1 Dit lijkt me systematisch echter niet juist, omdat de rechtspersoon na faillietverklaring blijft bestaan en dus nog steeds de eigenaar van de onderneming – de ondernemer – is. Bepaalde (adviesplichtige) besluiten blijven voorbehouden aan de organen van de ondernemer. Zo zal de AV(A) bevoegd blijven de bestuurders van de rechtspersoon te benoemen en te ontslaan en de statuten te wijzigen. Nu de curator als bestuurder in de zin van de WOR gezien moet worden, dient hij de verplichtingen op grond van de WOR na te komen.2 De medezeggenschap wordt dus onverkort uitgeoefend jegens degene die na de faillietverklaring de zeggenschap uitoefent.
In geval van een surseance van betaling verliest de ondernemer niet de beschikking over het vermogen, maar behoeft hij medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerder (art. 228 FW). Kortmann en in zijn navolging Roest zijn van mening dat de bewindvoerder geen bestuurder in de zin van de WOR is.3 Ik deel dat standpunt niet. Er vindt samenwerking tussen bewindvoerder en (organen van de) vennootschap plaats.4 De bewindvoerder houdt niet alleen toezicht op het beleid van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming, maar heeft een medebeslissingsrecht. Dit betekent dat de bewindvoerder naast de bestuurder in de zin van de WOR komt te staan. Er is als het ware sprake van een medebestuur.5 De bewindvoerder is daarom samen met de ondernemer verantwoordelijk voor de verplichtingen op grond van de WOR.6 In de praktijk ligt het echter voor de hand dat de naleving van de WOR geschiedt door de (oorspronkelijke) bestuurder. Hierna besteed ik daarom alleen aandacht aan de situatie dat de ondernemer in staat van faillissement verkeert, nu in het geval van surseance weinig verandert.