Rb. Den Haag, 27-01-2021, nr. C/09/564258 / HA ZA 18-1210
ECLI:NL:RBDHA:2021:590, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
27-01-2021
- Zaaknummer
C/09/564258 / HA ZA 18-1210
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2021:590, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 27‑01‑2021; (Bodemzaak, Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2022:2388, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:RBDHA:2020:14197, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 22‑01‑2020; (Bodemzaak, Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2021-0181
PS-Updates.nl 2021-0182
Uitspraak 27‑01‑2021
Inhoudsindicatie
Eindvonnis. Letselschade toegebracht in Griekenland door Nederlandse jongvolwassene die destijds onder curatele stond. Beoordeling naar Grieks recht. Vordering jegens de ouders van de dader verjaard. Curator aansprakelijk o.g.v. onrechtmatig handelen (nalaten). zie ook ecli:nl:rbdha:2020:14197
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/564258 / HA ZA 18-1210
Vonnis van 27 januari 2021
in de zaak van
[eiseres] , zowel voor zichzelf als in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon [zoon A],
te [plaats 1] (Duitsland),
eiseres,
advocaat mr. P.S.R.N. Maas te Dongen,
tegen
1. [gedaagde sub 1], zowel voor zichzelf als in hoedanigheid van curator van haar zoon [zoon X], te [plaats 2] ,
2. [gedaagde sub 2] te [plaats 3] ,
gedaagden,
advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.
Eiseres wordt hierna [eiseres] genoemd, haar [zoon A] . Gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als [gedaagde sub 1 c.s.] of afzonderlijk als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
1. De procedure
1.1.
Deze procedure draait om een ernstige mishandeling van [zoon A] door de (destijds meerderjarige) [zoon X] gepleegd op 14 mei 2013 in Griekenland. Tussen partijen is niet in geschil dat [zoon X] daarbij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [zoon A] en dat hij aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van die mishandeling. Deze procedure draait echter niet om de aansprakelijkheid van [zoon X] . In deze procedure ligt de vraag voor of [gedaagde sub 1 c.s.] als ouders van [zoon X] en/of [gedaagde sub 1] in haar hoedanigheid van curator van [zoon X] aansprakelijk zijn voor de schade die [zoon A] en [eiseres] lijden als gevolg van de mishandeling door [zoon X] . [eiseres] heeft (samengevat) aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [zoon A] door [zoon X] na afloop van hun vakantie in Griekenland achter te laten, zonder dat was voorzien in de zorg, toezicht en begeleiding die [zoon X] – gelet op zijn persoonlijkheidsproblematiek en ondersteuningsbehoefte – nodig had. Ten aanzien van [gedaagde sub 1] heeft [eiseres] daaraan toegevoegd dat [gedaagde sub 1] [zoon X] als zijn curator had moeten verbieden in Griekenland achter te blijven, in elk geval zonder dat was voorzien in adequate ondersteuning, begeleiding en (medische) zorg.
1.2.
In haar tussenvonnis van 22 januari 2020 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de hand van het Griekse recht moet worden beoordeeld of [gedaagde sub 1 c.s.] gezamenlijk, dan wel alleen [gedaagde sub 1] als curator van [zoon X] , voor de schade van [eiseres] aansprakelijk zijn en welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft vervolgens het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) verzocht de volgende vragen te beantwoorden:
a. Kent het Griekse recht aansprakelijkheid op grond van onrechtmatig handelen door (zuiver) nalaten?
Zo ja, wat zijn de voorwaarden op basis van wet en rechtspraak voor het aannemen van een dergelijke aansprakelijkheid voor handelingen die door een derde zijn gepleegd?
Kent het Griekse recht in dit verband (onrechtmatig handelen door nalaten) een relevante positie toe aan ouders/wettelijk vertegenwoordigers van een meerderjarig kind, dat tegenover een derde onrechtmatig heeft gehandeld?
Zo ja, wat zijn de voorwaarden op basis van wet en rechtspraak voor aansprakelijkheid van ouders/wettelijk vertegenwoordigers van een meerderjarige op grond van onrechtmatig nalaten voor gedragingen van die meerderjarige?
Kent het Griekse recht in dit verband (onrechtmatig handelen door nalaten) een bijzondere positie toe aan een persoon die ten opzichte van een meerderjarige in een verhouding staat die gelijk is aan of vergelijkbaar is met de curator naar Nederlands recht (artikel 1:378 e.v. BW)?
Zo ja, wat zijn de voorwaarden op basis van wet en rechtspraak voor aansprakelijkheid van een dergelijke persoon op grond van onrechtmatig nalaten voor gedragingen van die meerderjarige?
Kent het Griekse recht een verjaringstermijn voor het geldend maken van een vordering op grond van onrechtmatig handelen (door nalaten als in de vorige vragen bedoeld)?
Zo ja, wat is die verjaringstermijn?
Zo ja, wanneer vangt die termijn aan?
Kan een dergelijke verjaringstermijn worden gestuit?
Zo ja, wat zijn de voorwaarden voor een rechtsgeldige stuiting naar Grieks recht?
Heeft u voor het overige nog opmerkingen die van belang zijn voor de juridische beoordeling van deze zaak?
1.3.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de rapportage van het IJI van 15 april 2020, met als bijlage het document “Legal Information on Greek law on torts. Vicarious liability for supervisors”, opgesteld door Dr. […] ;
- -
de akte uitlating tevens akte overlegging producties van [eiseres] van 27 mei 2020 met producties 16 en 17;
- -
de akte na deskundigenbericht van [gedaagde sub 1 c.s.] van 27 mei 2020;
- -
de akte van [eiseres] van 29 juli 2020 met productie 18;
- -
de antwoordakte van [gedaagde sub 1 c.s.] van 26 augustus 2020.
1.4.
Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis nader bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
2.1.
De vordering van [eiseres] is gegrond op twee pijlers, namelijk de gestelde verantwoordelijkheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als ouders van [zoon X] en de bijzondere positie van [gedaagde sub 1] als curator van [zoon X] . De rechtbank zal deze twee grondslagen hierna afzonderlijk beoordelen.
De aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als ouders van [zoon X]
2.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als ouders van [zoon X] toerekenbaar nalatig zijn geweest, door hem na hun familievakantie zonder de nodige voorzorgsmaatregelen en begeleiding achter te laten in Griekenland. Als meest verstrekkend verweer hebben [gedaagde sub 1 c.s.] gesteld dat deze vordering is verjaard.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat deze vordering – wat daar verder inhoudelijk van zij – inderdaad is verjaard. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat op grond van artikel 15 sub h van de Rome II-Verordening ook het beroep op verjaring aan de hand van Grieks recht moet worden beoordeeld.
2.4.
Op grond van artikel 937 lid 1 van het Grieks Burgerlijk Wetboek (hierna: GBW) verjaart een vordering op grond van onrechtmatig handelen (voor zover voor deze procedure van belang) vijf jaar na het moment waarop het slachtoffer bekend is met de schade en met de aansprakelijke persoon. Onder “bekendheid met de schade” wordt verstaan de bekendheid met de schadelijke gevolgen van de onrechtmatige gedraging. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is niet nodig dat het slachtoffer al bekend is met de precieze (omvang of aard van) de schade.
2.5.
In deze zaak staat tussen partijen niet ter discussie dat [eiseres] er kort na de mishandeling mee bekend raakte dat [zoon X] aanvankelijk met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op vakantie was en dat [zoon X] na het vertrek van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] naar Nederland alleen in Griekenland is achtergebleven. Ook staat vast dat [eiseres] kort na het ongeval hoorde dat [zoon X] kampt met psychische problematiek.
2.6.
De vordering van [eiseres] op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is gebaseerd op de stelling dat zij als ouders verwijtbaar nalatig hebben gehandeld, door hun (volgens de stellingen van [eiseres] ) hulpbehoevende en agressieve zoon zonder de benodigde begeleiding achter te laten in Griekenland. Nu tussen partijen niet ter discussie staat dat [eiseres] er kort na de mishandeling – en dus kort na 14 mei 2013 – mee bekend was dat zij mogelijkerwijs [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als ouders van [zoon X] zou kunnen aanspreken wegens de door haar gestelde nalatigheid, betekent dit dat de vijfjarige verjaringstermijn uit artikel 937 lid 1 GBW medio mei 2013 is gaan lopen.
2.7.
Onder Grieks recht kan de verjaring van een civielrechtelijke vordering (voor zover in deze zaak van belang) gestuit worden door een erkenning van aansprakelijkheid door de aansprakelijke persoon of het begin van een juridische procedure waarin een vordering naar aanleiding van de gestelde aansprakelijkheid wordt ingesteld (artikelen 260 – 270 GBW). Het versturen van een brief waarin wordt aangemaand, gestuit of de vordering anderszins ondubbelzinnig wordt gehandhaafd geldt – anders dan in het Nederlandse recht – niet als een stuitingshandeling.
2.8.
Vast staat dat [gedaagde sub 1 c.s.] de aansprakelijkstelling door [eiseres] hebben betwist. Van een erkenning van aansprakelijkheid is dus geen sprake geweest. De dagvaardingen in deze procedure zijn uitgebracht op 22 en 27 november 2018, dus meer dan vijf jaar na mei 2013. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in hun hoedanigheid van ouders van [zoon X] is verjaard. Aan een inhoudelijke beoordeling komt de rechtbank daarom niet toe.
2.9.
De vordering van [eiseres] tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als ouders van [zoon X] wordt afgewezen, omdat deze is verjaard. De vraag is nog of [gedaagde sub 1] schadeplichtig is in haar hoedanigheid van curator van [zoon X] . De rechtbank zal de daartoe strekkende vordering van [eiseres] hierna beoordelen.
De aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] als curator van [zoon X]
verjaring
2.10.
[gedaagde sub 1 c.s.] heeft ook tegen de vordering die is gegrond op de positie van [gedaagde sub 1] als curator van [zoon X] , het verweer gevoerd dat de vordering van [eiseres] is verjaard. De rechtbank passeert dit verweer.
2.11.
[eiseres] heeft zich gemotiveerd en gedetailleerd op het standpunt gesteld dat zij er pas na de strafprocedure tegen [zoon X] in Griekenland mee bekend raakte dat [zoon X] in Nederland onder curatele was gesteld en dat [gedaagde sub 1] zijn curator was. Zij heeft daartoe betoogd dat zij voorafgaand aan de strafprocedure helemaal geen contact heeft gehad met [zoon X] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en dat zij ook door de Griekse autoriteiten maar mondjesmaat op de hoogte werd gehouden van het onderzoek en de ontwikkelingen in de zaak. [gedaagde sub 1 c.s.] hebben gesteld dat de Nederlandse en Griekse pers veel aandacht hebben besteed aan de zaak en dat daarbij ook de positie van [gedaagde sub 1] als curator aan de orde is gekomen, maar zij hebben deze stelling niet onderbouwd. Overigens is ook niet onderbouwd dat en hoe [eiseres] dergelijke stukken in voorkomend geval in het Nederlands of Grieks had kunnen lezen, nu zij geen van beide talen beheerst. Er bestaat dus geen enkel concreet aanknopingspunt om aan te nemen dat [eiseres] al vóór de strafprocedure wist dat [gedaagde sub 1] ook de curator van [zoon X] was. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [eiseres] er op zijn vroegst tijdens de strafprocedure mee bekend raakte dat [zoon X] onder curatele stond en dat [gedaagde sub 1] zijn curator was. Gelet op hetgeen de rechtbank in 2.12 en 2.13 overweegt, kan in het midden blijven of [eiseres] (zoals [gedaagde sub 1 c.s.] stellen) al tijdens de strafprocedure heeft gehoord dat [gedaagde sub 1] de curator was van [zoon X] , of dat [eiseres] (zoals zij zelf stelt) daar pas achter kwam na inschakeling van haar advocaat in 2018. Het precieze tijdstip is namelijk irrelevant voor de beantwoording van de vraag of de vordering is verjaard.
2.12.
[gedaagde sub 1 c.s.] hebben betoogd dat [eiseres] kort na de mishandeling wist dat zij de ouders waren van [zoon X] , dat [eiseres] dus ook wist dat zij mogelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aansprakelijk kon stellen en dat het niet uitmaakt of [eiseres] wist dat [gedaagde sub 1] ook de curator was van [zoon X] . De rechtbank passeert ook dat betoog. De Engelse vertaling van artikel 937 lid 1 GBW luidt (voor zover van belang) als volgt:
“A claim arising from an unlawful act shall be prescribed at the lapse of five years as from the time the injured party has had knowledge of the injury and of the person liable for compensation”
Het gaat nu immers om aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] in haar hoedanigheid van curator van [zoon X] en om de verantwoordelijkheden die zij in die hoedanigheid had. Doorslaggevend is daarom het moment waarop [eiseres] wist dat zij [gedaagde sub 1] in haar hoedanigheid van curator kon aanspreken. Dat [gedaagde sub 1] óók de moeder is van [zoon X] doet daaraan niet af.
2.13.
De strafprocedure tegen [zoon X] in eerste aanleg vond plaats op 2 mei 2014. Op zijn vroegst op dat moment raakte [eiseres] ermee bekend dat zij [gedaagde sub 1] in haar hoedanigheid van curator van [zoon X] zou kunnen aanspreken en is de vijfjarige verjaringstermijn gaan lopen. Dit betekent dat die verjaringstermijn nog niet was verstreken toen op 22 november 2018 de dagvaarding tegen [gedaagde sub 1] – in haar hoedanigheid van curator – werd uitgebracht. De rechtbank zal daarom de vordering tegen [gedaagde sub 1] in haar hoedanigheid als curator hierna inhoudelijk beoordelen.
inhoudelijke beoordeling
2.14.
Artikel 923 GBW bevat een bepaling over aansprakelijkheid van een ouder of toezichthouder voor gedragingen die zijn gepleegd door een minderjarige of een meerderjarig persoon die onder zijn “toezicht” is gesteld. De Engelse vertaling van artikel 923 GBW luidt als volgt:
“Whoever has the supervision of a person under age or of a person placed under judicial assistance is liable for the damage that such persons unlawfully cause to a third party, unless he proves that he has exercised properly the duty of supervision or that the damage could not have been avoided. The person who performs the duty of supervision by virtue of a contract has the same liability.”
Waar de rechtbank hierna – in navolging van het IJI – de termen “toezicht” en “onder toezicht gesteld” gebruikt, zijn die bedoeld als de Nederlandse vertaling van de Engelse termen “judicial assistance” en “placed under judicial assistance” uit artikel 923 GBW. Uitdrukkelijk wordt dus niet gedoeld op de Nederlandse ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255 BW.
2.15.
Uit de rapportage van het IJI blijkt dat artikel 923 GBW onder andere als doel heeft om derden te beschermen tegen gedragingen van minderjarigen of van personen die onder toezicht zijn gesteld, door een aansprakelijkheid te leggen op de persoon die is aangesteld als toezichthouder, waarbij wordt uitgegaan van een weerlegbaar bewijsvermoeden.
2.16.
De vereisten voor een geslaagde aansprakelijkstelling op grond van artikel 923 GBW zijn de volgende:
- 1.
Het bestaan van een plicht, op basis van wet of overeenkomst, om toezicht te houden op een kind of volwassene die onder toezicht is gesteld. De mate van toezicht die kan worden verlangd hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, zoals de leeftijd, volwassenheid, het mentale vermogen van de onder toezicht gestelde, en de voorzienbaarheid van het gevaar van de gedraging die tot schade heeft geleid.
- 2.
Het nalaten van de toezichthouder om alle noodzakelijke en mogelijke maatregelen te nemen om de schade te voorkomen die is veroorzaakt door de persoon die onder toezicht is gesteld. Op grond van artikel 923 GBW geldt dat wordt verondersteld dat de toezichthouder verwijtbaar heeft nagelaten om toezicht te houden, als de onder toezicht gestelde onrechtmatig schade heeft veroorzaakt.
- 3.
Het bestaan van schade door het onrechtmatig handelen of nalaten door de persoon die onder toezicht is gesteld.
- 4.
Het bestaan van een causaal verband tussen schade en het onrechtmatig handelen of nalaten door de persoon die onder toezicht is gesteld, evenals het bestaan van causaal verband tussen het nalaten van de toezichthouder en het gedrag dat heeft geleid tot de schade, waarbij artikel 923 GBW veronderstelt dat dit verband bestaat. Dit vermoeden kan worden weerlegd.
2.17.
Het IJI heeft in zijn rapportage tot uitgangspunt genomen dat de Nederlandse curatele valt onder de noemer “judicial assistance” als bedoeld in artikel 923 GBW, en dat de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] als curator van [zoon X] daarom moet worden beoordeeld aan de hand van deze bepaling.
2.18.
Dat betekent dat – als de redenering van het IJI wordt gevolgd – [gedaagde sub 1] als curator van [zoon X] aansprakelijk is voor de schade die [zoon X] aan [zoon A] heeft toegebracht, tenzij [gedaagde sub 1] bewijst dat zij het toezicht op de juiste wijze heeft uitgevoerd, dat de schade niet door haar voorkomen kon worden, dat het toezicht niet kon worden uitgevoerd of dat er geen verband bestaat tussen haar nalatigheid en de schade van [zoon A] .
2.19.
[gedaagde sub 1 c.s.] hebben zich echter op het standpunt gesteld dat de positie van [gedaagde sub 1] als curator van [zoon X] in Griekenland niet wordt erkend. Daartoe hebben zij betoogd dat er geen internationaal verdrag of andersoortige afspraak tussen Griekenland en Nederland bestaat over de wederzijdse erkenning van de rechterlijke uitspraken waarin een persoon tot curator wordt benoemd. Ervan uitgaand dat de curatele van [zoon X] in Griekenland niet wordt erkend, betwisten [gedaagde sub 1 c.s.] dat de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 923 GBW. [eiseres] heeft dit standpunt van [gedaagde sub 1 c.s.] op haar beurt bestreden.
2.20.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of de positie van [gedaagde sub 1] als curator van [zoon X] al dan niet in Griekenland wordt erkend. Als dit niet het geval is, zoals [gedaagde sub 1 c.s.] bepleiten, geldt immers dat aan de hand van het algemene Griekse aansprakelijkheidsrecht moet worden beoordeeld of [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor de schade die [zoon X] aan [zoon A] heeft toegebracht. Die regels leiden – zoals hierna zal blijken – niet tot een ander oordeel dan bij toepassing van de bijzondere regel van artikel 923 GBW.
2.21.
Artikel 914 GBW bevat regels over de algemene aansprakelijkheid voor schade die is veroorzaakt door handelen of nalaten van de aansprakelijk gestelde persoon. Volgens de bijlage bij het IJI-rapport, opgesteld door dr. […] , bestaan er twee varianten van de Engelse vertaling van deze bepaling, namelijk:
“A person who through his fault has caused in a manner contrary to the law prejudice to another shall be liable for compensation”
En
“Whosoever unlawfully and culpably causes damage to another is liable for damages”
2.22.
De gemene deler van de beide varianten is dat een persoon alleen aansprakelijk is voor de gevolgen van zijn handelen of nalaten, als hij onrechtmatig en verwijtbaar heeft gehandeld.
2.23.
De vraag is of [gedaagde sub 1] – los van de vraag of zij op grond van artikel 923 GBW aansprakelijk kan worden gehouden als curator van [zoon X] – ook heeft gehandeld in strijd met de algemene aansprakelijkheidsnorm als bedoeld in artikel 914 GBW. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Toepassing van artikel 923 GBW zou leiden tot een verlichting van de bewijslast voor [eiseres] (in die zin dat artikel 923 GBW bewijsvermoedens bevat), maar ook uitgaande van een algemene bewijslastverdeling heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank voldoende gesteld om te komen tot het oordeel dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar nalatig is geweest en dat dit de schade van [zoon A] (en [eiseres] ) tot gevolg heeft gehad. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende.
2.24.
Vast staat dat [zoon X] ten tijde van de mishandeling 20 jaar, en dus (slechts) jongmeerderjarig was. Ook staat vast dat [zoon X] kampte met beperkingen: hij heeft een verstandelijke beperking en is gediagnosticeerd met ADHD en PDD-NOS. In verband met ADHD slikte [zoon X] dagelijks medicatie. [gedaagde sub 1] heeft tijdens de comparitie van partijen op 18 oktober 2019 verklaard dat [zoon X] veel begeleiding nodig had en dat hij zijn medicatie nodig had “om hem rustig te houden in zijn hoofd”. Het feit dat [zoon X] onder curatele is gesteld maakt duidelijk dat [zoon X] was aangewezen op intensieve begeleiding in het dagelijks leven op meerdere terreinen. Zelfs als juist zou zijn dat de curatele met name is aangevraagd om financiële redenen (zoals [gedaagde sub 1] ter zitting heeft gesteld, maar niet nader heeft onderbouwd, en wat ook niet voor de hand ligt omdat in dat geval de lichtere maatregel van bewindvoering aangewezen zou zijn), maakt de curatele duidelijk dat in ieder geval de kantonrechter die de ondercuratelestelling heeft uitgesproken, van oordeel was dat [zoon X] ook in zijn volwassenheid de bescherming van deze verstrekkende maatregel nodig had.
2.25.
Op grond van de verklaring van [gedaagde sub 1] ter zitting is komen vast te staan dat de medicatie van [zoon X] bijna op was, toen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] terug naar Nederland vlogen en [zoon X] in Griekenland achterbleef. [gedaagde sub 1] heeft daarover verklaard dat zij aan het management van het hotel waar [zoon X] zou gaan werken heeft gezegd dat [zoon X] zijn medicijnen nodig had “om hem rustig te houden in zijn hoofd”, en dat haar was toegezegd dat de arts die in het hotel werkte, daarvoor zou zorgen. Ook had zij er – zo heeft zij verklaard – bij hetzelfde management op aangedrongen dat [zoon X] niet onder druk gezet moest worden. Desgevraagd kon zij niet vertellen wat er mogelijk zou gebeuren als [zoon X] wel onder druk zou staan, maar de rechtbank leidt uit de verklaring van [gedaagde sub 1] af dat [zoon X] zichzelf moeilijk staande kon houden in onverwachte situaties.
2.26.
[gedaagde sub 1] was bij uitstek bekend met de kwetsbaarheid van [zoon X] . Zij wist dat [zoon X] de nodige begeleiding en zorg nodig had om goed te kunnen functioneren en dat hij daarnaast medicatie nodig had om rustig te blijven. Niettemin heeft zij hem in een voor hem vreemde omgeving achtergelaten en dat zonder toereikende medicatie. Als curator van [zoon X] droeg [gedaagde sub 1] de speciale verantwoordelijkheid voor de begeleiding van [zoon X] en was zij gehouden ervoor te zorgen dat [zoon X] de zorg en ondersteuning kreeg die hij nodig had. Ook als er van uit moet worden gegaan dat het Nederlandse vonnis waarin [gedaagde sub 1] tot curator van [zoon X] is benoemd in Griekenland niet wordt erkend, onthief dat [gedaagde sub 1] niet van haar verplichting om ook in Griekenland toe te zien op het welzijn van [zoon X] en om in te grijpen als [zoon X] beslissingen nam die hij onvoldoende kon overzien en die zij niet verantwoord vond. In de relatie tussen [gedaagde sub 1] en [zoon X] wijzigden de onderlinge verhoudingen immers niet als gevolg van hun reis naar het buitenland: [gedaagde sub 1] droeg bijzondere verantwoordelijkheid ten opzichte van [zoon X] en moest die verantwoordelijkheid ook in het buitenland uitoefenen, in het belang van [zoon X] en in het belang van derden in hun omgang met [zoon X] .
2.27.
In het licht van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [zoon X] een kwetsbare jongeman was, die bescherming en begeleiding nodig had om goed te kunnen functioneren in de maatschappij en die daarvoor ook afhankelijk van was medicatie. [gedaagde sub 1] had als curator van [zoon X] de verplichting om te zorgen voor die begeleiding en voor de noodzakelijke medische zorg. Daarnaast had zij als curator ook daadwerkelijk de mogelijkheid om [zoon X] te dwingen mee terug te gaan naar Nederland. In het licht van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1] nalatig is geweest door [zoon X] toe te staan alleen achter te blijven in een voor hem onbekende omgeving, zonder begeleiding en steun, in de wetenschap dat [zoon X] op het moment dat zij hem achterliet niet beschikte over voldoende medicatie, terwijl hij die medicatie dagelijks nodig had om in balans te blijven. Weliswaar heeft [gedaagde sub 1] verklaard dat het hotelmanagement haar had toegezegd dat de hotelarts zou zorgen voor de benodigde medicijnen, maar vast staat dat dit niet is gebeurd en dat [gedaagde sub 1] na haar vertrek ook niet heeft gecontroleerd of het hotel die toezegging correct was nagekomen.
2.28.
Deze nalatigheid kan [gedaagde sub 1] – in juridische zin – worden toegerekend. Voor toerekening is, ook naar Grieks recht, niet vereist dat [gedaagde sub 1] opzettelijk heeft gehandeld. Op grond van artikel 330 GBW is sprake van verwijtbaar nalaten als [gedaagde sub 1] heeft gehandeld in strijd met
“the obligation generally required by every member of society to exercise the case which a reasonable man is capable of taking in the circle of his competence, regardless of whether there is a clear legal duty to do so or not”.
In de Griekse rechtspraak wordt dit artikel ruim uitgelegd, en wordt aangenomen dat er sprake is van een verwijtbaar nalaten als de aangesproken persoon heeft gehandeld in strijd met “the general commands of care and prudence”. Nu [gedaagde sub 1] in haar rol als curator van [zoon X] kan worden toegerekend dat zij niet heeft voorkomen dat hij zonder de nodige medicatie en ondersteuning in Griekenland achter bleef, moet het er voor worden gehouden dat zij (op de voet van artikel 914 GBW) onrechtmatig heeft gehandeld jegens [zoon A] . Niet in geschil is dat [zoon A] schade heeft geleden als gevolg van de mishandeling door [zoon X] (en [eiseres] daarvan afgeleide schade).
2.29.
Dat [gedaagde sub 1] – zoals zij stelt – niet heeft kunnen voorzien dat [zoon X] zo ontregeld zou raken dat hij gewelddadig werd, doet aan het voorgaande niet af. Ter zitting is wel duidelijk geworden dat [gedaagde sub 1] zich schuldig voelt over de situatie waarin [zoon A] zich bevindt. De rechtbank is er ook van overtuigd dat [gedaagde sub 1] alles wat in haar macht lag zou hebben ondernomen om te voorkomen dat [zoon X] iemand iets aan zou doen, als zij had vermoed dat [zoon X] gewelddadig zou worden. Dat neemt echter niet weg dat haar handelen (of eigenlijk: haar nalaten) [gedaagde sub 1] in juridisch opzicht wel kan worden toegerekend.
2.30.
De volgende vraag is of de schade van [zoon A] het gevolg is van het nalaten van [gedaagde sub 1] . Ook in dit verband is irrelevant of artikel 923 GBW al dan niet rechtstreeks van toepassing is. Als artikel 923 GBW rechtstreeks van toepassing is, wordt op basis van een weerlegbaar bewijsvermoeden aangenomen dat er een causaal verband bestaat tussen het nalaten van [gedaagde sub 1] en de ontstane schade. Als artikel 923 GBW niet rechtstreeks van toepassing is, moet [eiseres] het causaal verband stellen en in geval van betwisting bewijzen. De rechtbank is van oordeel dat – gelet op de vaststaande feiten en de onweersproken stellingen van [eiseres] ten aanzien van de schade – ook als artikel 923 GBW niet rechtstreeks van toepassing is, het er voor moet worden gehouden dat de schade van [zoon A] het gevolg is van het feit dat [gedaagde sub 1] [zoon X] heeft toegestaan om zonder begeleiding en voldoende medicatie in Griekenland achter te blijven. Indien immers [gedaagde sub 1] had gedaan wat zij had moeten doen, was ofwel [zoon X] niet alleen achtergebleven, ofwel zij had erop toegezien dat hij zijn medicatie had genomen en dat hij niet ontregeld raakte. Dat leidt uiteindelijk linksom of rechtsom tot dezelfde uitkomst: er is sprake van het noodzakelijke causale verband. De rechtbank ziet geen grond om [gedaagde sub 1] toe te laten tot het leveren van tegenbewijs. [gedaagde sub 1] heeft namelijk geen voor bewijslevering vatbare feitelijke aanknopingspunten aangedragen die, indien die komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Daarom zal zij niet tot het leveren van tegenbewijs, dat overigens ook niet door haar is aangeboden, worden toegelaten.
slotsom ten aanzien van de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1]
2.31.
In het licht van het vorenstaande luidt het oordeel van de rechtbank dat [gedaagde sub 1] in haar hoedanigheid van curator van [zoon X] onrechtmatig jegens [zoon A] heeft gehandeld en dat zij uit dien hoofde aansprakelijk is voor de schade die [zoon X] aan [zoon A] (en [eiseres] ) heeft toegebracht. De vorderingen van [eiseres] zullen in zoverre worden toegewezen.
2.32.
[eiseres] vordert verwijzing naar de schadestaatprocedure. Gelet op de jonge leeftijd van [zoon A] en de aard van zijn letsel, ziet de rechtbank geen grond of mogelijkheid om de schade in deze procedure te begroten. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding het IJI te verzoeken om een nadere rapportage over de vraag welke schadeposten naar Grieks recht voor vergoeding in aanmerking komen. Daarvoor is te minder reden nu vaststaat dat de letselschade van [zoon X] zeer groot is en de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering van [gedaagde sub 1] in verhouding daarmee beperkt is. Onder die omstandigheden komt het de rechtbank geraden voor dat zij thans tot een eindbeslissing komt en dat vooralsnog niet nog meer kosten worden gemaakt in verband met een nader partijdebat hierover.
de wettelijke rente
2.33.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom (ingaand op 14 mei 2013, of zoveel later als de data waarop de verschillende schadeposten zijn geleden) zal als niet bestreden worden toegewezen.
de proceskosten
2.34.
[gedaagde sub 1] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiseres] worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 2.234,91 (€ 99,91 voor de aan [gedaagde sub 1] betekende dagvaarding, € 291 aan betaald griffierecht en € 1.844 aan salaris advocaat (4 punten x tarief € 461)).
2.35.
De vorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde sub 2] worden afgewezen. Nu [gedaagde sub 2] geen zelfstandige kosten heeft gemaakt voor het voeren van verweer, bestaat voor een kostenveroordeling ten gunste van [gedaagde sub 2] geen aanleiding. De kosten die [eiseres] heeft gemaakt voor het laten betekenen van de dagvaarding aan [gedaagde sub 2] , blijven voor haar eigen rekening.
2.36.
Voor de ook gevorderde nakosten is geen afzonderlijke veroordeling vereist, omdat zij – voor zover voorzienbaar – zijn begrepen in de proceskostenveroordeling. De rechtbank zal deze kosten in de beslissing begroten op grond van het toepasselijke liquidatietarief. De wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zal worden toegewezen als gevorderd.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] in haar hoedanigheid van curator van [zoon X] jegens [eiseres] aansprakelijk is voor de schade die [zoon A] en [eiseres] hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de mishandeling van [zoon A] door [zoon X] op 14 mei 2013,
3.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot vergoeding aan [eiseres] van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2013 (of zoveel later als de datum waarop de verschillende schadeposten zijn geleden), op te maken bij staat,
3.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.234,91, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.4.
begroot de nakosten op € 157 (te vermeerderen met € 82 aan salaris en met de explootkosten gemaakt voor de betekening van dit vonnis indien tot betekening wordt overgegaan), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.
3.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2, 3.3 en 3.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, mr. S.J. Hoekstra - van Vliet en mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2021.
Uitspraak 22‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Ouders en moeder in hoedanigheid van curator aansprakelijk voor gevolgen van ernstige mishandeling, gepleegd door meerderjarige onder curatele gestelde zoon in Griekenland? Tussenvonnis met vragen aan IJI over inhoud Grieks recht.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/564258 / HA ZA 18-1210
Vonnis van 22 januari 2020
in de zaak van
[eiseres] , zowel voor zichzelf als in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon [zoon A],
te [plaats 1] (Duitsland),
eiseres,
advocaat mr. P.S.R.N. Maas te Dongen,
tegen
1. [gedaagde sub 1] te [plaats 2] ,
2. [gedaagde sub 2] te [plaats 3] ,
gedaagden,
advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.
Eiseres wordt hierna [eiseres] genoemd, haar [zoon A] . Verweerders worden gezamenlijk aangeduid als [gedaagde sub 1 c.s.] of afzonderlijk als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de inleidende dagvaardingen met producties 1 t/m 11, die op 22 november 2018 respectievelijk 27 november 2018 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn betekend;
- -
de conclusie van antwoord,
- -
het tussenvonnis van 6 februari 2019, waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- -
de akte uitlating, tevens akte overlegging producties van [eiseres] met producties 12 t/m 15;
- -
het proces-verbaal van comparitie van 18 oktober 2019 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is, met hun instemming, buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken op de verslaglegging. Zij hebben van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
1.3.
Op de comparitie hebben partijen om aanhouding van de procedure verzocht om te bezien of zij in overleg alsnog tot overeenstemming zouden kunnen komen. Ook zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over vragen die mogelijk moeten worden gesteld aan het Internationaal Juridisch Instituut over de inhoud van het Griekse recht.
1.4.
Vervolgens heeft de rechtbank ontvangen:
- -
de akte uitlating van [eiseres] ;
- -
de akte uitlating van [gedaagde sub 1 c.s.]
1.5.
Omdat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen, is een datum voor vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[gedaagde sub 1 c.s.] zijn de ouders van [zoon X] . [zoon X] is geboren op [geboortedatum] .
2.2.
[zoon X] is op 16 juni 2011 (dus kort na zijn 18e verjaardag) onder curatele gesteld. [gedaagde sub 1] is daarbij benoemd tot curator.
2.3.
In de periode tussen ongeveer 28 april en 5 mei 2013 waren [gedaagde sub 1 c.s.] en [zoon X] met de rest van hun gezin op vakantie in Kreta. Rond 5 mei 2013 zijn [gedaagde sub 1 c.s.] vertrokken naar Nederland. [zoon X] is op eigen initiatief in Kreta achtergebleven om te werken in het animatieteam van het hotel waar het gezin tijdens hun vakantie had gelogeerd.
2.4.
Op 5 mei 2013 is [eiseres] met haar zoons [zoon A] en [zoon B] (toen 11 en 5 jaar oud) op vakantie gegaan naar Kreta.
2.5.
In de avond van 14 mei 2013 heeft [zoon X] , die op dat moment werkte in het animatieteam van het hotel waar [eiseres] en haar zoons verbleven, [zoon A] zwaar mishandeld. Toen [zoon A] verhaal ging halen omdat hij zag dat [zoon X] zijn telefoon en laptop had gestolen, heeft [zoon X] hem verschillende keren met een mes gestoken in zijn romp, borst, ledematen en hoofd.
2.6.
[zoon A] heeft daarbij zeer ernstig en deels onherstelbaar letsel opgelopen. [zoon A] is onder meer verlamd geraakt wegens schade aan het ruggenmerg en is daardoor blijvend rolstoelgebonden.
2.7.
[zoon X] is door het Gemengd Beëdigd Gerechtshof van Oost Kreta bij uitspraak van 21 april 2015 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar en 4 maanden voor poging tot doodslag, illegaal wapenbezit en illegaal wapengebruik. Hij is in december 2016 onder voorwaarden uit de Griekse gevangenis ontslagen en is daarop teruggekeerd naar Nederland.
2.8.
[eiseres] heeft [gedaagde sub 1 c.s.] bij brieven van 10 en 12 april 2018 aansprakelijk gesteld en voor zover nodig de verjaring van haar vordering gestuit.
3. Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert (verkort weergegeven) dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en naar de rechtbank begrijpt:
I. zal verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1 c.s.] gezamenlijk, dan wel ieder afzonderlijk, een onrechtmatige daad hebben gepleegd tegenover [zoon A] ;
II. [gedaagde sub 1 c.s.] hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van de schade die [zoon A] als gevolg van het onrechtmatig nalaten van [gedaagde sub 1 c.s.] heeft geleden en nog zal lijden, waarbij de schade nader moet worden opgemaakt bij staat en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2013;
III. [gedaagde sub 1 c.s.] (naar de rechtbank begrijpt: hoofdelijk) zal veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eiseres] stelt ter onderbouwing van haar vordering dat [gedaagde sub 1 c.s.] [zoon X] niet zonder toezicht hadden mogen achterlaten in Kreta, omdat zij wisten dat [zoon X] een gevaar vormde voor anderen. Dit gevaar volgt volgens [eiseres] onder andere uit het feit dat [zoon X] is gediagnosticeerd met PDD-NOS en een verstandelijke beperking heeft, dat hij afhankelijk was van medicatie, dat [zoon X] in het verleden onder psychiatrische behandeling geweest is en dat toen 24-uurszorg is geadviseerd. Ook was [zoon X] volgens [eiseres] geobsedeerd door geweld. Om die redenen hadden [gedaagde sub 1 c.s.] het [zoon X] als zijn ouders moeten verbieden op Kreta te blijven. [gedaagde sub 1] was bovendien de curator van [zoon X] en had hem volgens [eiseres] ook in die hoedanigheid moeten verplichten mee terug te gaan naar Nederland. In ieder geval hadden [gedaagde sub 1 c.s.] , aldus nog steeds [eiseres] , het management van het hotel waar [zoon X] ging werken expliciet moeten waarschuwen voor zijn geestelijke toestand en hadden zij ervoor moeten zorgen dat iemand erop zou toezien dat [zoon X] zijn medicatie zou innemen. Dit alles hebben [gedaagde sub 1 c.s.] nagelaten en daardoor hebben zij hun zorgplicht tegenover derden (in dit geval [zoon A] ) verzaakt. Omdat hun nalatigheid heeft geleid tot schade (als [gedaagde sub 1 c.s.] zouden hebben gehandeld zoals zij dat hadden moeten doen, had [zoon X] [zoon A] immers niet kunnen verwonden), moeten [gedaagde sub 1 c.s.] de schade van [zoon A] volgens [eiseres] vergoeden.
3.3.
[gedaagde sub 1 c.s.] concluderen tot afwijzing van de vordering. Zij voeren in essentie aan dat – hoe vreselijk de daden van [zoon X] en de gevolgen daarvan ook zijn – zij niet voor de schade van [zoon A] aansprakelijk zijn. Zij hebben allereerst aangevoerd dat is gesteld noch gebleken dat het toepasselijke Griekse recht meebrengt dat zij als ouders van [zoon X] aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het handelen van hun meerderjarige zoon. Datzelfde geldt voor [gedaagde sub 1] als curator van [zoon X] . Ook wijzen zij op de mogelijkheid dat de vordering naar Grieks recht is verjaard. Daarnaast hebben [gedaagde sub 1 c.s.] betwist dat zij wisten dat [zoon X] een gevaar vormde voor anderen. [zoon X] was nooit agressief of gewelddadig en bovendien ging het in mei 2013 redelijk goed met [zoon X] . [gedaagde sub 1 c.s.] hebben aangevoerd dat zij hebben geprobeerd om [zoon X] op andere gedachten te brengen toen hij in Griekenland wilde blijven werken, maar dat zij geen juridische mogelijkheden hadden hem te dwingen terug te gaan naar Nederland. [zoon X] was immers volwassen. Bovendien hebben zij uitgebreid gesproken met het hotelmanagement over de situatie van [zoon X] en was hen toegezegd dat goed voor [zoon X] zou worden gezorgd. Niemand had, aldus nog steeds [gedaagde sub 1 c.s.] , kunnen vermoeden dat [zoon X] kort na hun vertrek zo’n afschuwelijke daad zou begaan. Van onrechtmatig nalaten is dan ook geen sprake, en [gedaagde sub 1 c.s.] zijn niet gehouden de schade van [zoon A] te vergoeden.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Dit is een zaak met internationale aspecten. [eiseres] heeft immers de Russische nationaliteit en woont met [zoon A] in Duitsland, [gedaagde sub 1 c.s.] zijn in Nederland woonachtig en het schade toebrengende feit (de mishandeling van [zoon A] door [zoon X] ) heeft zich in Griekenland voorgedaan. De rechtbank zal daarom allereerst (ambtshalve) beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil en welk recht van toepassing is.
4.2.
De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, moet worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de herschikte EEX-Verordening (Verordening (EU) No. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Omdat [gedaagde sub 1 c.s.] in Nederland wonen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 1 van de EEX-Verordening bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] .
4.3.
Vervolgens is de vraag aan de hand van welk rechtsstelsel de vorderingen van [eiseres] moeten worden beoordeeld. Omdat deze vorderingen zijn gegrond op de stelling dat [gedaagde sub 1 c.s.] onrechtmatig hebben gehandeld, moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van de Verordening Rome II (Verordening (EG) Nr. 864/2007 van 11 juli 2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet contractuele verbintenissen). Artikel 4 lid 1 van deze verordening bepaalt dat, tenzij in de verordening anders is bepaald, het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.
4.4.
In overweging 17 van de Verordening Rome II is uiteengezet dat in het geval van letselschade “het land waar de schade zich voordoet”, het land is waar het letsel is opgelopen. Dat is in dit geval Griekenland (zie HvJEU 10 december 2015, ECLI:EU:C:2015:802).
4.5.
[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak nauwer verbonden is met Nederland dan met Griekenland, en dat om die reden op grond van artikel 4 lid 3 van de Verordening Rome II Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij. Anders dan [eiseres] heeft gesteld, heeft de gestelde onrechtmatige gedraging (het achterlaten van [zoon X] in Griekenland zonder adequaat toezicht) zich in Griekenland voorgedaan, en niet in Nederland. Ook verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die meebrengen dat de zaak aan de hand van het Nederlandse recht moet worden beoordeeld.
4.6.
Dit betekent dat op grond van de artikelen 4 lid 1 en artikel 15 van Verordening Rome II aan de hand van het Griekse recht moet worden beoordeeld of [gedaagde sub 1 c.s.] voor de schade van [eiseres] aansprakelijk zijn en – zo ja – welke schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Inhoud Grieks recht
4.7.
Geen van partijen heeft zich uitgelaten over de inhoud van het toepasselijke Griekse recht. De rechtbank zal zich daarover daarom laten voorlichten door het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI). De rechtbank heeft tijdens de comparitie aan partijen gemeld dat zij van plan is vragen te stellen aan het IJI en heeft partijen verzocht zich uit te laten over de vragen die aan het IJI moeten worden voorgelegd. Beide partijen hebben vervolgens bij akte suggesties gedaan voor een mogelijke vraagstelling. Mede naar aanleiding van de door partijen voorgestelde vragen, zal de rechtbank de hierna genoemde vragen aan het IJI voorleggen.
4.8.
De overige vragen die partijen hebben voorgesteld, hebben naar het oordeel van de rechtbank in dit stadium van de procedure geen toegevoegde waarde. Hoewel op de voet van artikel 15 van Verordening Brussel II bis ook aan de hand van het Griekse recht moet worden beoordeeld welke schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen, zullen daarover om proceseconomische redenen pas vragen worden gesteld als de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1 c.s.] in rechte vast staat. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de mogelijkheid dat partijen in dat geval alsnog tot een schaderegeling kunnen komen, mede omdat naar verwachting de voor vergoeding in aanmerking komende schade van [zoon A] vele malen hoger is dan de verzekerde som van de aansprakelijkheidsverzekering van [gedaagde sub 1 c.s.]
4.9.
De rechtbank zal het IJI verzoeken de volgende vragen te beantwoorden:
a. Kent het Griekse recht aansprakelijkheid op grond van onrechtmatig handelen door (zuiver) nalaten?
Zo ja, wat zijn de voorwaarden op basis van wet en rechtspraak voor het aannemen van een dergelijke aansprakelijkheid voor handelingen die door een derde zijn gepleegd?
Kent het Griekse recht in dit verband (onrechtmatig handelen door nalaten) een relevante positie toe aan ouders/wettelijk vertegenwoordigers van een meerderjarig kind, dat tegenover een derde onrechtmatig heeft gehandeld?
Zo ja, wat zijn de voorwaarden op basis van wet en rechtspraak voor aansprakelijkheid van ouders/wettelijk vertegenwoordigers van een meerderjarige op grond van onrechtmatig nalaten voor gedragingen van die meerderjarige?
Kent het Griekse recht in dit verband (onrechtmatig handelen door nalaten) een bijzondere positie toe aan een persoon die ten opzichte van een meerderjarige in een verhouding staat die gelijk is aan of vergelijkbaar is met de curator naar Nederlands recht (artikel 1:378 e.v. BW)?
Zo ja, wat zijn de voorwaarden op basis van wet en rechtspraak voor aansprakelijkheid van een dergelijke persoon op grond van onrechtmatig nalaten voor gedragingen van die meerderjarige?
Kent het Griekse recht een verjaringstermijn voor het geldend maken van een vordering op grond van onrechtmatig handelen (door nalaten als in de vorige vragen bedoeld)?
Zo ja, wat is die verjaringstermijn?
Zo ja, wanneer vangt die termijn aan?
Kan een dergelijke verjaringstermijn worden gestuit?
Zo ja, wat zijn de voorwaarden voor een rechtsgeldige stuiting naar Grieks recht?
Heeft u voor het overige nog opmerkingen die van belang zijn voor de juridische beoordeling van deze zaak?
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
verzoekt het IJI antwoord te geven op de hiervoor in rechtsoverweging 4.9 geformuleerde vragen,
de kosten
5.2.
verzoekt het IJI om binnen twee weken na heden een begroting van haar kosten en de voor haar onderzoek benodigde tijd te sturen aan de rechtbank (regiebureau team handel, afdeling bodemzaken, postbus 20302, 2500 EH Den Haag) onder vermelding van het zaak- en rolnummer van deze zaak,
5.3.
bepaalt dat het IJI de begroting als goedgekeurd mag beschouwen, als zij twee weken nadien geen andersluidende reactie van de rechtbank heeft ontvangen,
5.4.
verzoekt het IJI om de rechtbank tijdig op de hoogte te stellen van een dreigende overschrijding van de begroting,
5.5.
bepaalt dat de kosten van het onderzoek van het IJI ten laste komen van de rechtbank,
5.6.
verzoekt het IJI om bij haar definitieve rapport een factuur te voegen met een specificatie van haar werkzaamheden (het aantal uren, het uurtarief en de overige kosten),
de werkwijze
5.7.
bepaalt dat het IJI een concept van het rapport aan de advocaten van partijen zal toezenden en hen in de gelegenheid zal stellen om opmerkingen over het concept te maken,
5.8.
bepaalt dat partijen binnen vier weken na ontvangst daarvan mogen reageren op het concept rapport van het IJI en dat partijen geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen te reageren,
5.9.
verzoekt het IJI om haar definitieve rapport uiterlijk drie maanden na dit vonnis aan de griffier te sturen,
5.10.
bepaalt dat uit dit definitieve rapport moet blijken of aan partijen de gelegenheid is geboden om opmerkingen te maken, terwijl in het rapport ook de door partijen gemaakte opmerkingen en de reactie daarop van het IJI moet worden vermeld,
overige beslissingen
5.11.
draagt de griffier op om een afschrift van dit vonnis aan partijen en aan het IJI te sturen;
5.12.
draagt de griffier op om een kopie van het complete procesdossier toe te sturen aan het IJI,
5.13.
draagt de griffier op na ontvangst van het definitieve rapport :- een afschrift daarvan aan partijen toe te sturen,- de zaak op een termijn van 4 weken weer op de rol te plaatsen voor het nemen van een conclusie aan de zijde van beide partijen en om partijen daarvan bericht te doen,
5.14.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, mr. S.J. Hoekstra - van Vliet en mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.