Zie de opsomming van de vaststaande feiten in het tussenvonnis d.d. 25 augustus 2004, sub 3, van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, welke opsomming in appel onbestreden is gebleven.
HR, 10-09-2010, nr. 08/04829
ECLI:NL:HR:2010:BM5754
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-09-2010
- Zaaknummer
08/04829
- Conclusie
Mr. Wuisman
- LJN
BM5754
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BM5754, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑09‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM5754
ECLI:NL:PHR:2010:BM5754, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑05‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM5754
- Wetingang
- Vindplaatsen
AR-Updates.nl 2010-0726
VAAN-AR-Updates.nl 2010-0726
Uitspraak 10‑09‑2010
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Uitleg CAO; recht in de zin van art. 79 RO; bij de berekening van de vakantietoeslag moeten geen overwerkvergoedingen, maar slechts de geldelijke tegenprestaties voor gedurende de normale werktijd verrichte arbeid in aanmerking worden genomen (art. 24 lid 4 CAO voor het Slagersbedrijf en art. 6 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag).
10 september 2010
Eerste Kamer
08/04829
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
JUMBO SUPERMARKTEN B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Jumbo.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 03-25737 van de kantonrechter te Amsterdam van 11 februari 2004, 25 augustus 2004, (tussenvonnissen) en 14 december 2004 (eindvonnis);
b. het tussenarrest in de zaak 477/05 van het gerechtshof te Amsterdam van 5 januari 2006.
c. het eindarrest in de zaak met de nummers 106.002.570 en 106.002.571 van het gerechtshof te Amsterdam van 17 juli 2008.
Het arrest van het hof van 17 juli 2008 is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Jumbo is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 4 juni 2010 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiser] is op 9 december 2002 krachtens een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor zes maanden, dus tot 9 juni 2003, bij Jumbo in dienst getreden om in het filiaal van Jumbo te Amstelveen als slager werkzaam te zijn tegen een brutosalaris van € 1.672,-- per vier weken, exclusief vakantietoeslag en andere emolumenten.
(ii) Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Slagersbedrijf van toepassing.
(iii) Bij brief van 27 mei 2003 heeft Jumbo aan [eiser] laten weten dat de arbeidsovereenkomst door verloop van de termijn waarvoor deze is aangegaan, zal eindigen. Bij de brief is een ontslagbewijs gevoegd, waarin gemeld wordt waar, voor hoe lang en in welke hoedanigheid [eiser] werkzaam is geweest.
3.2 [Eiser] vordert in dit geding - voor zover in cassatie nog van belang - betaling van bedragen ter zake van ten onrechte niet uitgekeerde vergoeding voor overuren en, in samenhang daarmee, niet uitgekeerd vakantiegeld, alsmede betaling van de wettelijke verhoging als bedoeld in art. 7:625 BW. De kantonrechter heeft, voorzover thans van belang, met afwijzing van het overigens gevorderde de vordering tot vergoeding van ten onrechte niet betaalde overwerkuren tot een bedrag van € 1.808,57 toegewezen en de wettelijke verhoging wegens te late betaling van dat bedrag op 25% daarvan gesteld. De kantonrechter heeft ook de vordering ten bedrage van € 187,73 ter zake van vakantietoeslag over niet betaalde overwerkuren afgewezen. Het hof heeft het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
3.3 De in de middelen I, II, IV en VI aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.4.1 Middel III keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.11 dat, zoals ook de kantonrechter heeft beslist, bij de berekening van de vakantietoeslag niet ook de overwerkvergoedingen in aanmerking moeten worden genomen. Het hof heeft dit oordeel gemotiveerd met een verwijzing naar art. 24 lid 4 van de op de arbeidsovereenkomst tussen partijen toepasselijke CAO voor het Slagersbedrijf, en art. 6 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
3.4.2 Voorzover het middel tot uitgangspunt neemt dat het overwerk tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst (van 9 december 2002 tot 9 juni 2003) van "langdurig en/of structureel karakter" is geweest, kan het niet tot cassatie leiden omdat dit een nieuwe feitelijke stelling is die niet voor het eerst in cassatie naar voren kan worden gebracht.
3.4.3 Het oordeel van het hof berust op uitleg van art. 24 lid 4 van de CAO voor het Slagersbedrijf, welke CAO ten tijde van de onderhavige arbeidsovereenkomst algemeen verbindend was en derhalve recht vormt in de zin van art. 79 RO. Genoemd lid 4 luidt als volgt:
"De vakantiebijslag wordt berekend over het door de werknemer in de periode van 1 mei tot en met 30 april gemiddeld verdiende loon, exclusief de bijdrage van artikel 12, lid 1." De door het hof aanvaarde uitleg van het begrip "in de periode van 1 mei tot en met 30 april gemiddeld verdiend loon" komt erop neer dat, mede in het licht van art. 6 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (waarin is bepaald dat voor de toepassing van het bij of krachtens die wet bepaalde, verdiensten uit overwerk niet zijn begrepen onder loon), en bij het ontbreken van aanwijzingen dat in de CAO is beoogd daarvan af te wijken, onder dit begrip niet de vergoedingen voor overwerk zijn begrepen, maar slechts de geldelijke tegenprestatie voor gedurende de normale werktijd verrichte arbeid. Deze uitleg is juist. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, wordt dan ook tevergeefs voorgesteld.
3.5.1 Middel V keert zich tegen de verwerping van grief VII, waarin [eiser] opkwam tegen de beslissing van de kantonrechter dat Jumbo 25% en niet 50% wettelijke verhoging dient te betalen. In rov. 4.14 overwoog het hof: "De grief faalt omdat het hof deze beslissing juist acht." Geklaagd wordt dat het hof heeft nagelaten zijn beslissing te motiveren en dat het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang.
3.5.2 Naar aanleiding van de tegen de desbetreffende beslissing van de kantonrechter gerichte grief diende het hof zelfstandig te beoordelen of en in hoeverre er grond voor matiging bestond (HR 31 oktober 2003, nr. C02/124, LJN AJ0633, NJ 2004, 113). Dit heeft het hof niet miskend, want het is, zelfstandig, tot het oordeel gekomen dat de beslissing van de kantonrechter juist was en het heeft dat in de motivering tot uitdrukking gebracht. De tegen dat oordeel gerichte motiveringsklacht van het middel kan geen doel treffen, nu het om een discretionaire bevoegdheid van de rechter gaat en het middel niet aangeeft op grond van welke door [eiser] aangevoerde omstandigheden het oordeel van het hof onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zou zijn.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Jumbo begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 september 2010.
Conclusie 21‑05‑2010
Mr. Wuisman
Partij(en)
CONCLUSIE inzake:
[Eiser],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
tegen
Jumbo Supermarkten B.V.,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan onder meer van de volgende feiten worden uitgegaan1.:
- (i)
Eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) is op 9 december 2002 krachtens een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor zes maanden, dus tot 9 juni 2003, bij verweerster in cassatie (hierna: Jumbo) in dienst getreden om in het filiaal van Jumbo te Amstelveen als slager werkzaam te zijn tegen een brutosalaris van € 1.672,- per vier weken, exclusief vakantietoeslag en andere emolumenten.
- (ii)
Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Slagersbedrijf van toepassing.2.
- (iii)
Bij brief van 27 mei heeft Jumbo aan [eiser] laten weten dat de arbeidsovereenkomst door verloop van de termijn waarvoor deze is aangegaan, zal eindigen. Bij de brief is een ontslagbewijs gevoegd, waarin gemeld wordt waar, voor hoe lang en in welke hoedanigheid [eiser] werkzaam is geweest.
1.2
Bij exploot van 8 december 2003 heeft [eiser] een procedure tegen Jumbo aangespannen bij de rechtbank Amsterdam, sector kanton. Hij vordert, voor zover in cassatie nog van belang:
- a.
een veroordeling tot betaling van een vergoeding voor ten onrechte niet uitbetaalde overwerkuren (€ 2.266,83);
- b.
een veroordeling tot betaling van een vergoeding voor — gelet op de ten onrechte niet uitgekeerde vergoeding voor overwerkuren — ook ten onrechte niet uitbetaalde vakantietoeslag (€ 187,73);
- c.
een veroordeling tot betaling van de in artikel 7:625 BW voorziene ‘wettelijke verhoging’ (50% over € 2.534,31);
- d.
vernietiging op grond van artikel 7:649 leden 1 en 2 BW3. van het — volgens [eiser] — hem door Jumbo eind mei 2003 gegeven ontslag en een gebod aan Jumbo om [eiser] op te roepen voor zijn werk en hem het hem toekomende salaris uit te betalen. Volgens [eiser] is hij ontslagen, omdat het Jumbo niet zinde dat hij aanspraak op een vergoeding voor overuren maakte. Die vergoeding ontvingen andere werknemers wel, zodat er op dit punt sprake was van discriminatie. Jumbo heeft bestreden dat er aan [eiser] ontslag is verleend. De overeenkomst is geëindigd als gevolg van het aflopen van de overeengekomen termijn. Het is niet tot een verlenging gekomen, omdat het werk van [eiser] beneden de maat werd bevonden.4.
1.3
Naar aanleiding van de vordering onder a. heeft Jumbo aanvankelijk het verweer gevoerd dat [eiser] geen aanspraak op vergoeding van overuren kon maken, omdat in plaats van een vergoeding voor overuren een hoger salaris was overeengekomen. Nadat Jumbo had afgezien van het leveren van het bij tussenvonnis d.d. 25 augustus 2004 opgedragen bewijs voor deze stelling, heeft de rechtbank in haar eindvonnis d.d. 14 december 2004 geoordeeld dat [eiser] conform de CAO aanspraak op uitbetaling van de door hem gewerkte overuren kon maken. Aan de hand van door Jumbo in het geding gebrachte gegevens bepaalt de rechtbank vervolgens de vergoeding voor overuren, waarop [eiser] nog recht heeft, op € 1.808,57 en stelt de rechtbank de wettelijke verhoging wegens te late uitbetaling van dat bedrag op 25% van dat bedrag.
De overige vorderingen wijst de rechtbank in hetzelfde eindvonnis af. De overuren dienen volgens de rechtbank bij de bepaling van de vakantietoeslag niet in aanmerking te worden genomen. Wat de gevorderde vernietiging van het ontslag betreft, is de rechtbank conform het standpunt van Jumbo van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet als gevolg van een ontslag tot een einde is gekomen, zodat door [eiser] tevergeefs een beroep wordt gedaan op artikel 7:649 leden 1 en 2 BW.
1.4
[Eiser] stelt hoger beroep in.5. In zijn eindarrest van 17 juli 2008 komt het hof ten aanzien van de hierboven genoemde vorderingen van [eiser] niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. In zoverre volgt ook bekrachtiging van het eindvonnis van de rechtbank.
1.5
[Eiser] is tijdig van het eindarrest van het hof in cassatie gekomen. Jumbo is niet verschenen.
2. Bespreking van het cassatieberoep
2.1
Voor [eiser] worden zes cassatiemiddelen voorgedragen.
cassatiemiddel I
2.2
Met cassatiemiddel I wordt de beslissing van het hof in rov. 4.7 aangaande de vordering inzake de overuren bestreden, voor zover de vordering niet is toegewezen (€ 458,26). Voor zover het niet toegewezen gedeelte van de vordering betrekking heeft op de periode 13 van 2002 en de perioden 1 en 2 van 2003, acht het hof het hoger beroep ongegrond, omdat volgens het hof [eiser] de berekening van de rechtbank van het aantal te vergoeden overuren in de zojuist genoemde perioden niet heeft bestreden. Deze vaststelling van de proceshouding van [eiser] in appel vormt een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Met hetgeen in het kader van cassatiemiddel I wordt aangevoerd, wordt de onbegrijpelijkheid niet aangetoond. Hierop loopt cassatiemiddel I vast.
cassatiemiddel II
2.3
Met cassatiemiddel II wordt de beslissing van het hof in rov. 4.8 aangaande de vordering inzake de overuren aangevochten. Voor zover het door de rechtbank niet toegewezen gedeelte van de vordering (€ 458,26) betrekking heeft op de perioden 3 t/m 6 van 2003, acht het hof het hoger beroep ongegrond, omdat naar het oordeel van het hof
- (a)
niet kan worden gezegd dat Jumbo geen behoorlijke administratie ter zake van de overuren heeft bijgehouden,
- (b)
een aantal bladzijden van door Jumbo in verband hiermee in het geding gebrachte stukken wel moeilijk leesbaar maar niet onleesbaar zijn,
- (c)
onder deze omstandigheden de bewijslast ter zake van het aantal niet vergoede overuren bij [eiser] ligt maar
- (d)
hij geen bewijs heeft aangeboden.
2.4
In essentie strekt cassatiemiddel II ertoe dat het hof ten onrechte ervan uitgaat dat de bewijslast ter zake van het aantal niet vergoede overuren bij [eiser] ligt. Daarbij wordt in 2.4 van het cassatiemiddel als vertrekpunt aangehouden dat alleen een urenregistratie volgens een prikkloksysteem wettelijke bewijskracht heeft of kan hebben. Voor dat vertrekpunt, dat ook in de vorige instanties niet als zodanig naar voren is gebracht, wordt geen enkele onderbouwing geboden. Er is naar beste weten ook geen steun voor in de wet te vinden. Dit alles betekent dat cassatiemiddel II bij gebreke van een deugdelijke grondslag moet falen.
cassatiemiddel III
2.5
Met cassatiemiddel III wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof in rov. 4.11 dat bij de berekening van de vakantietoeslag over ‘het door de werknemer in de periode van 1 mei tot en met 30 april gemiddeld verdiende loon’, zoals in artikel 24 lid 4 van de toepasselijke CAO bepaald, niet ook de overwerkvergoedingen in aanmerking moeten worden genomen. Bij de bestrijding van dat oordeel wordt in 3.2 van het cassatiemiddel tot uitgangspunt genomen, dat het overwerk van [eiser] langdurig en/of structureel is geweest, nu overwerk is geclaimd over de periode 13 van 2002 en de perioden 1 t/m 6 van 2003. Verder wordt betoogd dat, nu het loon van [eiser] niet een minimumloon vormde, een beroep op artikel 6 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag niet op zijn plaats is.
2.6
Eerst verdient het volgende de aandacht. De CAO voor het Slagersbedrijf, die in de arbeidsovereenkomst met [eiser] op die overeenkomst van toepassing was verklaard, was in de te dezen relevante periode van 9 december 2002 tot 9 juni 2003 algemeen verbindend.6. Als gevolg hiervan vormde het in genoemde periode in de CAO bepaalde recht in de zin van artikel 79 RO. Bij navraag is meegedeeld dat de CAO niet vergezeld ging van een toelichting. Verder is bij raadpleging via het internet gebleken dat de regeling van de vakantietoeslag in de thans vigerende CAO voor het Slagersbedrijf7. in hoge mate gelijk is aan de regeling inzake de vakantietoeslag in de CAO, die in de periode van 9 december 2002 tot 9 juni 2003 van kracht was. Een en ander betekent dat aan een uitspraak over deze laatste regeling in de onderhavige zaak een gewicht toekomt dat uitstijgt boven het belang van de partijen in de onderhavige zaak.
2.7
Het artikel uit de CAO waarom het hier gaat, is artikel 24. Daarvan luidt lid 4: ‘De vakantiebijslag wordt berekend over het door de werknemer in de periode van 1 mei tot en met 30 april gemiddeld verdiende loon, exclusief de bijdrage van artikel 12, lid 1.’ Artikel 12 lid 1 heeft betrekking op de werkgeversbijdrage in de particuliere ziektekostenverzekering van die werknemer, die niet verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet.8.
2.8
Er is in de CAO niet apart nader aangegeven wat onder ‘gemiddeld verdiende loon’ is te verstaan.9.
De beschouwingen van partijen over dit vraagpunt in de vorige instanties zijn beperkt. Vooral [eiser] heeft zich in de vorige instanties nauwelijks tot niet uitgelaten over de vraag waarom onder de term ‘gemiddeld verdiende loon’ in artikel 24 lid 4 van de CAO wel dan wel niet mede begrepen moet worden uitkeringen in verband met overwerk. Nadat Jumbo in de conclusie van antwoord sub 27, zonder verdere toelichting, heeft gesteld dat [eiser] alleen vakantietoeslag over het vaste salaris ontvangt, volstaat [eiser] op blz. 5 van de conclusie van repliek met een betwisting van die stelling. Tegen de op artikel 6 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag stoelende beslissing van de rechtbank dat overwerkvergoedingen niet tot het loon behoren waarover de vakantiebijslag wordt berekend, voert [eiser] in het kader van grief IV onder verwijzing naar artikel 24 lid 4 van de CAO aan dat de vakantiebijslag wordt berekend over het gemiddeld verdiende loon. Waarom daaronder ook de vergoedingen voor overwerk moeten worden begrepen, wordt niet nader toegelicht. Jumbo bestrijdt de grief in haar memorie van antwoord sub 57 t/m 59 met een beroep op artikel 6 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Voor de uitleg van het begrip loon moet, ook indien dit begrip in een CAO is opgenomen, naar deze wet worden gekeken.
2.9
Het hierboven in 2.5 genoemde uitgangspunt, dat [eiser] in cassatie met betrekking tot de aard van zijn overwerk aanhoudt, heeft hij niet eerder ter sprake gebracht. De juistheid van het uitgangspunt hangt mede af van waarderingen van feitelijke aard. Die waardering kan niet in cassatie worden uitgevoerd. Dit belet het aanhouden van genoemd uitgangspunt in cassatie.
Het argument dat het loon dat [eiser] verdiende geen minimumloon was, snijdt op zichzelf genomen geen hout. Het feit dat [eiser] geen minimumloon verdiende, staat niet eraan in de weg dat voor de betekenis van het begrip loon in artikel 24 lid 4 van de CAO (mede) kan worden teruggevallen op de betekenis van het begrip loon in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Die wet beheerste als zodanig ook de arbeidsverhouding tussen [eiser] en Jumbo, in die zin dat het in die wet inzake het loon en vakantiegeld bepaalde in ieder geval aan [eiser] verschuldigd was.10. Wat de vakantietoeslag betreft, brengt artikel 6 van die wet mee dat deze toeslag wordt berekend over loon, waarvan de vergoeding van overwerk geen deel uitmaakt.11. In dit laatste gegeven is aanleiding te vinden om, zolang uit de betrokken CAO niet duidelijk het tegendeel is af te leiden, voor de betekenis van het begrip loon waarvan de vakantietoeslag wordt afgeleid, in eerste instantie aansluiting te zoeken bij de regeling in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
2.10
In de CAO zijn geen voldoende aanwijzingen te vinden om aan te nemen dat, in afwijking van het in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, onder het ‘gemiddeld verdiende loon’ in artikel 24 lid 4 van die CAO mede overwerkuren zijn te begrijpen.
In de CAO wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen bruto lonen (artikel 9), toeslagen (artikel 10) en bijdragen in ziektekosten en reiskosten (artikel 12). Tot de toeslagen wordt onder meer de toeslag voor overwerk gerekend. Uit deze opzet van de beloningsregeling in de CAO blijkt dat met de term loon niet beoogd wordt iedere geldelijke tegenprestatie voor verrichte arbeid aan te geven. De term loon is gereserveerd voor de geldelijke tegenprestatie voor arbeid verricht gedurende de normale werktijd. Dit vindt bevestiging niet alleen in de tabellen brutolonen, die als bijlagen bij de CAO zijn gevoegd en waarnaar in artikel 9 van de CAO wordt verwezen, maar ook in de definitie van het begrip ‘uurloon’ in artikel 1 van de CAO: ‘het weekloon, gedeeld door het aantal uren van de normale wekelijkse arbeidsduur’.
Het gegeven dat in artikel 24 lid 4 van de CAO de bijdrage in de particuliere ziektekostenverzekering is uitgezonderd, vormt een onvoldoende krachtig tegenargument. Dat gegeven zou de gedachte kunnen doen postvatten dat dus alles wat verder van de werkgever wordt ontvangen in verband met arbeid wel onder het ‘gemiddeld verdiende loon’ valt. Maar die gedachte komt niet gerechtvaardigd voor. De bijdrage in de particuliere ziektekostenverzekering betreft maar een (heel) beperkt gedeelte van de werknemers en heeft daardoor onvoldoende zeggingskracht ten aanzien van het merendeel van de werknemers.12.
2.11
Een en ander voert tot de slotsom dat het hof geen blijk geeft van een onjuist oordeel omtrent artikel 24 lid 4 van de CAO door in 4.11 te verklaren het oordeel van de rechtbank te onderschrijven. Cassatiemiddel III treft derhalve geen doel.
cassatiemiddel IV
2.12
Cassatiemiddel IV houdt klachten in tegen de beslissingen van het hof in rov. 4.13 dat artikel 7:649 BW te dezen niet van toepassing is en dat derhalve de op dat artikel gebaseerde vordering tot toelating van [eiser] tot het werk en doorbetaling van loon niet toewijsbaar is. Hiertegen wordt in met name 4.2 en 4.3 van het cassatiemiddel aangevoerd dat [eiser] ter zake van de vergoeding van overwerk tegenover andere werknemers werd gediscrimineerd en dat zijn contract voor bepaalde tijd regulier zou zijn verlengd, indien hij geen aanspraak op de overwerkvergoeding c.a. had gemaakt.
2.13
Het cassatiemiddel bestrijdt niet het oordeel van het hof dat aan de arbeidsovereenkomst een einde is gekomen door het enkele verstrijken van de overeengekomen looptijd van zes maanden. Dit gegeven dient derhalve te dezen te worden aangehouden. Het brengt mee dat aan artikel 7:649 lid 2 BW geen toepassing kan worden gegeven, aangezien in lid 2 van artikel 7:649 BW wordt uitgegaan van een beëindiging van de voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst door opzegging. Het geval van opzegging van een arbeidsovereenkomst verschilt te veel van het geval van het niet aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst na afloop van de termijn van een eerdere tijdelijke arbeidsovereenkomst om beide gevallen onder de werking van artikel 7:649 BW te kunnen laten vallen.13. De aangevoerde klachten ter zake van artikel 7:649 BW kunnen bijgevolg geen doel treffen.
cassatiemiddel V
2.15
Met cassatiemiddel V wordt opgekomen tegen de verwerping van grief VII, waarin [eiser] bezwaar maakt tegen de beslissing van de rechtbank dat Jumbo 25% en niet 50% wettelijke verhoging dient te betalen. In rov. 4.14 overweegt het hof: ‘De grief faalt omdat het hof deze beslissing juist acht.’ Geklaagd wordt over onvoldoende motivering. Naar de achter de beslissing liggende ‘visie’ moet worden gegist, aldus het middel.
2.16
De in artikel 7:625 BW voorziene bevoegdheid tot matiging van de wettelijke verhoging vormt een discretionaire bevoegdheid. Indien tegen de beslissing van de rechter in eerste aanleg inzake de matiging van de wettelijke verhoging een grief wordt aangevoerd, dient de appelrechter omtrent de eventuele matiging zelfstandig een oordeel te geven.14. De mate waarin de appelrechter zijn beslissing zal dienen te motiveren zal sterk afhangen van de onderbouwing die de rechter in eerste aanleg aan zijn beslissing heeft gegeven, en van het tussen partijen dienaangaande gevoerde debat.
2.17
De rechtbank geeft voor haar beslissing geen onderbouwing. In het kader van grief VII merkt [eiser] in de memorie van grieven op: ‘De wanprestatie is zodanig en de weigering aan [eiser] te betalen waarop [eiser] recht heeft, is zo hardnekkig dat het op zijn plaats is een wettelijke verhoging op het verschuldigde loon te geven van 50%.’ Bij pleidooi wordt opnieuw op de ernst van de wanprestatie gewezen.15. In de memorie van antwoord stelt Jumbo zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vordering van [eiser] slechts met 25% verhoogd moet worden. Volgens haar heeft [eiser] geenszins aannemelijk gemaakt om welke redenen de vordering met 50% zou moeten worden verhoogd. Er is reden om de wettelijke verhoging aanzienlijk te matigen gezien het verwijtbare gedrag van [eiser].
De door partijen in appel ingenomen standpunten dragen op zichzelf over en weer een vrij globaal karakter. Niettemin valt in het van de zijde van [eiser] gestelde duidelijk een beroep te onderkennen op het lange tijd ongegrond weigeren door Jumbo van het betalen van een vergoeding voor door [eiser] stipt uitgevoerd overwerk. Gelet op het feit dat de beslissing van de rechtbank inhoudt dat [eiser] krachtens de toepasselijke CAO aanspraak op een vergoeding voor overwerk heeft, dat in appel onbestreden is gebleven dat de wettelijke regels inzake de wettelijke verhoging op zichzelf meebrengen dat de wettelijke verhoging 50% bedraagt en dat de rechtbank haar beslissing inzake de wettelijke verhoging in het geheel niet van een motivering heeft voorzien, kan het oordeel van het hof inzake de matiging van de wettelijke verhoging niet als voldoende gemotiveerd worden beschouwd. Er valt in het geheel niet uit af te leiden waarom dat wat [eiser] heeft aangevoerd, niet tot een ander oordeel voert, terwijl van diens stellingen niet gezegd kan worden dat zij zonder meer relevantie missen.
Kortom, cassatiemiddel V treft doel.
cassatiemiddel VI
2.18
In rov. 4.15 verwerpt het hof de door [eiser] in appel aangevoerde grief tegen de door de rechtbank uitgesproken compensatie van kosten. Met cassatiemiddel VI wordt hiertegen opgekomen. In de gegrondheid van cassatiemiddel V is reeds voldoende aanleiding te vinden om ook cassatiemiddel VI te laten slagen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest d.d.17 juli 2008 van het hof Amsterdam, voor zover bestreden met de cassatiemiddelen V en VI.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑05‑2010
Het gaat om de CAO welke gelding had in de periode 1 april 2002 tot en met 31 maart 2004; zie dagvaarding in eerste aanleg, sub 2 jo. productie 2. Een integrale tekst van de CAO is niet in het geding gebracht. De tekst van de artikelen 23 en 24 inzake vakantieuren respectievelijk vakantiebijslag treft men aan als productie 16-II bij de memorie van grieven in appel.
In artikel 7:649 lid 1 BW is het de werkgever verboden om onderscheid te maken tussen werknemers in arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijke karakter van de arbeidsovereenkomst, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is. In lid 2 van genoemd artikel is bepaald dat de opzegging van de overeenkomst door de werkgever wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het in lid 1 bepaalde, vernietigbaar is.
Jumbo heeft zekerheidshalve bij de rechtbank 's‑Hertogenbosch nog voor zoveel nodig om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Bij beschikking van 18 mei 2004 is de arbeidsovereenkomst per 20 mei 2004 voor zoveel nog nodig ontbonden.
[Eiser] stelt eerst apart hoger beroep in tegen het tussenvonnis d.d. 25 augustus 2004 en daarna tegen zowel dit tussenvonnis als het eindvonnis van de Rechtbank en verzoekt vervolgens om voeging van beide appelprocedures. Dit laatste verzoek wijst het hof in een incidenteel arrest van 5 januari 2006 toe om vervolgens het aparte beroep tegen het tussenvonnis niet-ontvankelijk te verklaren. Een en ander speelt in cassatie verder geen rol.
De CAO was bij Ministerieel Besluit d.d. 22 november 2002, bijvoegsel in Stcrt. 27 november 2002, nr. 229 algemeen verbindend verklaard tot en met 31 maart 2004.
Het betreft artikel 28 lid 3 van de CAO voor het Slagersbedrijf, welke CAO geldt voor de periode 1 april 2009 tot en met 31 maart 2011: ‘De vakantiebijslag wordt berekend over het door de werknemer in de periode van 1 mei tot en met 30 april gemiddeld verdiende loon.’ De bepaling is derhalve niet geheel gelijk aan de ten tijde van het dienstverband van [eiser] bij Jumbo geldende versie, nu de zinsnede ‘exclusief de bijdrage van artikel 12, lid 1’ in de huidige versie van de CAO ontbreekt.
Het feit dat de CAO algemeen verbindend is, noopt, naar het voorkomt, niet tot een uitleg van de CAO langs andere lijnen dan die volgen uit de ‘CAO-uitlegnorm’. Zie daarover recent R.P.J.L. Tjittes, Uitleg van schriftelijke contracten, Ars Aequi Libri, 2009, § 2.3.2 en P. Ras, het uitlegen van overeenkomsten: een handleiding voor de praktijkjurist, Contracteren, 2010, blz. 12 e.v., met name §§ 2.2 en 3.2.
Er zijn CAO's, waarin het loon waarover de vakantietoeslag wordt berekend meer gedetailleerd wordt gedefinieerd. Nu eens wordt de overwerkvergoeding nadrukkelijk niet tot het loon gerekend (zie bijvoorbeeld CAO Pluimveeverwerkende industrie, artikelen 1 en 27; CAO Detailhandel in verf en behang, artikelen 2 en 18) dan weer uitdrukkelijk ingesloten (zie bijvoorbeeld CAO voor het Levensmiddelenbedrijf, artikelen 2 en 15; CAO detailhandel dierenspeciaalzaken, artikelen 2 en 18). Ook komt het voor dat uitsluitend de vergoeding voor overwerk dat een structureel karakter draagt, wordt gerekend tot het loon waarover de vakantietoeslag wordt berekend. Wanneer sprake is van structureel overwerk wordt dan in de CAO eveneens nader bepaald (zie bijvoorbeeld CAO voor de Schoen- en lederwarenindustrie, artikelen 1 en 23; CAO Nederlandse baksteenindustrie, artikelen 1, 6 en 13).
Dat vindt bevestiging in artikel 9, slotregel van de CAO: ‘Waar het loon lager is dan het wettelijk minimumloon is dit minimumloon van toepassing.’
De overwegingen hierachter zijn tweeërlei. Het minimumloon moet verdiend kunnen worden met een normale arbeidsduur per week. Bovendien draagt een vergoeding voor overuren als regel een incidenteel karakter. Zie TK 1967–1968, 9574, nr. 3 (memorie van toelichting), blz. 18 en J. van Drongelen/D.J.J. Korver, De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, Thema Arbeid & Recht, deel 3, 2006, blz. 52 t/m 55.
Het door het hof gebezigde argument dat de term gemiddeld in ‘het gemiddeld verdiende loon’ niet toelaat om overwerk in aanmerking te nemen, overtuigt niet. Omdat de bepaling van de vakantietoeslag in artikel 24 lid 4 wordt gekoppeld aan een periode van 12 maanden, strekt het bezigen van de term gemiddeld ertoe, zo komt het althans voor, om aan te geven dat niet moet worden uitgegaan van het loon van bijvoorbeeld de eerste, de middelste of de laatste maand van die periode, maar dat het loon van iedere maand in aanmerking moet worden genomen. Anders gezegd, de term gemiddeld geeft geen richting voor het antwoord op de hier aan de orde zijnde vraag of onder ‘het gemiddeld verdiende loon’ ook bijvoorbeeld overwerktoeslagen zijn te begrijpen.
Zie ook de toelichting op dat artikel in het betrokken wetsontwerp (MvT, 27 661, nr. 3, p. 13 bovenaan), waar de minister dit signaleert en opmerkt dat in de praktijk het tweede lid in het bijzonder van belang zal zijn voor tussentijdse opzegging.
Zie HR 31 oktober 2003, LJN AJ0633, NJ 2004, 113.
Zie Pleitaantekeningen, sub 6, van mr. W.H. van Zundert.