Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/4.2.1
4.2.1 Het beproeven van een schikking
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS365410:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Welch (2) = 30.629, p = .000 Brown-Forsythe(2) = 28.844, p = .000.
«417,764) = -8.772, p = .000.
Aan partijen en advocaten is dit niet gevraagd omdat de interviews anders te lang zouden gaan duren. Bij rechters waren de interviews korter omdat hen, in tegenstelling tot partijen en advocaten, geen vragen werden gesteld over de aanvaardbaarheid (zie paragraaf 6.2).
Tijdens de pilot bij de Rechtbank Dordrecht was dit nog niet naar boven gekomen. Daarom is de stelling na de pilot niet aangepast.
Welch (2) = 4.12p = .018 BnDwn-Forsythe (2) = 4.65p = .011. Een post-hoc vergelijking (Tukey HSD) geeft aan, dat rechters significant van partijen verschillen. Advocaten verschillen niet significant van partijen of rechters.
«169,826) = 2.245, p = .026.
t(71) = 2.218, p = .021.
Overigens blijkt uit het onderzoek van Van der Linden e.a. (2009), dat wordt beschreven paragraaf 9.1.1.2, dat de langere tijdsduur die in ‘s-Hertogenbosch aan de zitting in totaliteit en aan het beproeven van een schikking wordt besteed hierbij geen rol te spelen.
Aan vier partijen en één advocaat is ten onrechte niet gevraagd hun antwoord toe te lichten.
Stelling 1a: `de rechter heeft eruit gehaald wat erin zat om partijen een schikking te laten overeenkomen’
De gemiddelde score van partijen, advocaten en rechters op deze stelling verschilt niet significant van elkaar. Alle drie de groepen scoren rond de vier (tabel 44). Dat is niet erg verbazingwekkend, aangezien er bij deze zaken een schikking tot stand is gekomen. Er zijn geen significante verschillen gevonden tussen de antwoorden van (1) eisers en gedaagden, (2) advocaten van eisers en advocaten van gedaagden en (3) de deelnemers (partijen, advocaten en rechters) van de Rechtbank ‘ s-Hertogenbosch en die van Utrecht.
Partijen
Advocaten
Rechters
Abs
%
Abs
%
Abs
%
1 zeer oneens
2
2.7
1
1.2
0
0.0
2 oneens
5
6.8
8
9.6
4
8.3
3 beetje oneens/beetje eens
15
20.5
18
21.7
4
8.3
4 eens
39
53.4
43
51.8
26
54.2
5 zeer eens
12
16.4
13
15.7
13
27.1
Geen antwoord
0
0.0
0
0.0
1
2.1
Totaal
73
100.0
83
100.0
48
100.0
M = 3.74
SD = .91
M = 3.71
SD = .89
M = 4.02
SD = .85
Aan de vier rechters die het oneens waren met deze stelling, hebben de onderzoekers gevraagd waarom dit zo was.1 Zij gaven alle vier aan dat zij zelf niet veel uit de kast hoefden te halen, aangezien partijen het al redelijk snel eens waren. Dat geeft aan, dat de gemiddelde score op deze stelling wat minder zegt. Respondenten hebben blijkbaar niet alleen `(zeer) oneens’ op deze stelling ingevuld als zij vonden dat de rechter meer had kunnen doen om een schikking te faciliteren, maar ook als zij vonden dat de rechter maar weinig hoefde te doen.2 In toekomstig onderzoek zou deze stelling daarom beter op een andere manier geformuleerd kunnen worden.
Denken de verschillende aanwezigen van dezelfde zitting hetzelfde over het antwoord op stelling la? Nee, dat is niet echt het geval (tabel 45). Er is maar weinig samenhang gevonden tussen hun antwoorden. Die samenhang is met name gevonden tussen de antwoorden van de partij en die van zijn eigen advocaat. Er bestaat dus maar weinig overeenstemming tussen de aanwezigen over de mate waarin dit doel bereikt is.
gedaagde
advocaat eiser
advocaat gedaagde
rechter
eiser
-.020
.344*
.045
.111
gedaagde
-
.119
.423*
.076
advocaat eiser
-
.252
.321*
advocaat gedaagde
-
.066
* deze correlatie is significant: p < .05 (2-tailed)
Stelling 1 b: ‘er is door het gedrag van de rechter sprake van een dwangschikking’
Omdat partijen mogelijk niet bekend waren met het begrip ‘dwangschikking’ is voor hen deze stelling als volgt geformuleerd: ‘ik voelde mij door het gedrag van de rechter gedwongen te schikken met de andere partij’.
De gemiddelde antwoorden van partijen, advocaten en rechters op deze stelling zijn relatief laag (tabel 46). Dat is in dit geval positief, aangezien negatieve antwoorden (`zeer oneens’ en ‘oneens’) aangeven dat de deelnemers de schikking niet als een dwangschikking hebben ervaren. De gemiddelde score van rechters 34 is significant lager dan die van partijen. Dat geeft aan dat partijen in hogere mate dan rechters van mening zijn dat er sprake was van een dwangschikking 5 Dit sluit aan bij de onderzoeksresultaten van Eshuis (2009) — beschreven in paragraaf 1.3 waaruit bleek dat één op de drie partijen zich onder druk gezet voelde te schikken. Dat betrof voornamelijk druk vanuit de rechter of vanuit de eigen advocaat.
Partijen
Advocaten
Rechters
Abs
%
Abs
%
Abs
%
1 zeer oneens
8
11.0
15
18.1
7
14.6
2 oneens
37
50.7
44
53.0
30
62.5
3 beetje oneens/beetje eens
14
19.2
16
19.3
9
18.8
4 eens
9
12.3
8
9.6
1
2.1
5 zeer eens
5
6.8
0
0.0
0
0.0
Geen antwoord
0
0.0
0
0.0
1
2.1
Totaal
73
100.0
83
100.0
48
100.0
M = 2.53
SD = 1.07
M = 2.20
SD = .85
M = 2.09
SD = .65
Er zijn geen significante verschillen gevonden tussen de antwoorden van (1) eisers en gedaagden en (2) advocaten van eisers en advocaten van gedaagden. De gemiddelde score van de deelnemers (partijen, advocaten en rechters) van de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch is wel significant hoger dan die van de deelnemers van de Rechtbank Utrecht.6 Als dit afzonderlijk voor partijen, advocaten en rechters wordt bekeken, blijkt alleen de score van partijen tussen de twee rechtbanken significant van elkaar te verschillen,7 maar niet de scores van advocaten en rechters. De scores van de deelnemers van de Rechtbank Utrecht en ‘s-Hertogenbosch zijn respectievelijk weergegeven in de tabellen 47 en 48.
Partijen
Advocaten
Rechters
Abs
%
%
Abs
%
1 zeer oneens
5
20.0
5
17.2
3
17.6
2 oneens
14
56.0
16
55.2
12
70.6
3 beetje oneens/beetje eens
3
12.0
6
20.7
2
11.8
4 eens
3
12.0
2
6.9
0
0.0
5 zeer eens
0
0.0
0
0.0
0
0.0
Geen antwoord
0
0.0
0
0.0
0
0.0
Totaal
25
100.0
29
100.0
17
100.0
M = 2.16
SD = .90
M = 2.17
SD = .81
M = 1.91
SD = .56
Partijen
Advocaten
Rechters
Abs
%
Abs
%
Abs
%
1 zeer oneens
3
6.3
10
18.5
4
12.9
2 oneens
23
47.9
28
51.9
18
58.1
3 beetje oneens/beetje eens
11
22.9
10
18.5
7
22.6
4 eens
6
12.5
6
11.1
1
3.2
5 zeer eens
5
10.4
0
0.0
0
0.0
Geen antwoord
0
0.0
0
0.0
1
3.2
Totaal
48
100.0
54
100.0
31
100.0
M = 2.73
SD = 1.11
M = 2.22
SD = .88
M = 2.17
SD = .70
Bij de Rechtbank Utrecht is in 17 van de 75 onderzochte zittingen (22.7%) een schikking tot stand gekomen. Drie partijen en twee advocaten geven aan de schikking als een dwangschikking te kwalificeren (`eens’ of ‘zeer eens’ ingevuld). Dit zijn allemaal advocaten en partijen van verschillende zittingen. In totaal worden dus vijf van de 17 schikkingen (29.4%) van de Rechtbank Utrecht door één van aanwezigen als een - door het gedrag van de rechter - gedwongen schikking gepercipieerd terwijl de overige vier aanwezigen (inclusief de rechter) dat niet zo hebben ervaren.
Bij de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch is tijdens 31 van de 75 zittingen (41.3%) een schikking tot stand gekomen. Elf partijen, zes advocaten en één rechter beschouwen de schikking als een dwangschikking. In drie van de 31 schikkingen (9.7%) wordt de schikking door twee aanwezigen als een - door het gedrag van de rechter - gedwongen schikking gekwalificeerd en door de overige drie aanwezigen niet. Bij twee zittingen zijn dat zowel de gedaagde als zijn advocaat. Bij één zitting vindt zowel de rechter als de gedaagde dat. Verder betreft het partijen en advocaten van verschillende zittingen. Dat betekent dat in ‘s-Hertogenbosch 12 van de 31 schikkingen (38.7%) door één persoon in de rechtszaal als een — door het gedrag van de rechter — gedwongen schikking wordt gezien, maar door de overige vier aanwezigen niet. De conclusie is derhalve dat bijna de helft van de schikkingen (15 van de 31 schikkingen• 48.4%) in ‘s-Hertogenbosch door één of twee aanwezigen als een dwangschikking wordt ervaren.
De vraag is hoe het komt dat partijen in ‘s-Hertogenbosch een schikking eerder als een dwangschikking ervaren dan partijen bij de Rechtbank Utrecht. De in dit onderzoek verzamelde gegevens bieden ons geen verklaring. Het is echter wel opvallend — zoals gerapporteerd in paragraaf 4.2 — dat het percentage schikkingen in ‘s-Hertogenbosch (41.3%) bij de onderzochte zaken eveneens hoger was dan in Utrecht (22.7%). Dit zou te maken kunnen hebben met een cultuurverschil tussen beide rechtbanken, bijvoorbeeld in de wijze waarop de rechters bij de twee rechtbanken te werk gaan bij het beproeven van een schikking. Rechters in ‘s-Hertogenbosch zouden bijvoorbeeld wat volhardender kunnen zijn bij het beproeven van een schikking en mogelijk minder snel ‘nee’ accepteren van partijen dan de rechters in Utrecht. Dit zou kunnen verklaren waarom niet alleen het schikkingspercentage in de onderzochte zaken in ‘s-Hertogenbosch hoger is, maar het aantal door partijen ervaren dwangschikkingen (gemiddeld gezien) eveneens hoger is.8Een aanwijzing voor een dergelijke cultuur in ‘s-Hertogenbosch is te vinden in de resultaten van de pilot Conflictoplossing op maat, die in paragraaf 9.1.1.3 worden besproken (Sportel & Terlouw, 2009). Bij de twaalf pilotzittingen in ‘s-Hertogenbosch bleken bestuursrechters naar een andere uitkomst dan een vonnis te streven, ook als partijen aangaven juist wel een vonnis te willen. Deze rechters vonden de zitting pas een succes als partijen een schikking waren overeenkomen of als de zaak naar een mediator was verwezen.
In het onderhavige onderzoek is aan partijen en advocaten die de schikking als een dwangschikking hadden ervaren, gevraagd dat toe te lichten. 9 In de twee zaken bij de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch waarin zowel de gedaagde als diens advocaat de schikking als een (door het gedrag van de rechter) gedwongen schikking percipieerde, komt het volgende beeld naar voren. In de eerste zaak gaf de gedaagde aan dat het voorlopig oordeel van de rechter erg in zijn nadeel was en dat de rechter hem had gezegd dat hij beter kon schikken zodat hij ervan af was. Zijn advocaat wees ook op het — voor zijn cliënt — nadelige voorlopig oordeel en was van mening dat de rechter de emotionele ontlasting die een schikking met zich mee zou brengen voor zijn cliënt te veel benadrukte. Ook de gedaagde in de tweede zaak vond het voorlopig oordeel erg in zijn nadeel waardoor er, volgens hem, nog maar weinig onderhandelingsruimte overbleef. Zijn advocaat gaf aan, dat zijn cliënt weliswaar wilde schikken, maar dat het schikkingsbedrag veel hoger was uitgevallen door de druk van de rechter. De antwoorden van de overige partijen en advocaten zijn weergegeven in box 9.
Er lijken uit deze antwoorden twee lijnen naar voren te komen. Ten eerste lijkt de stelligheid waarmee de rechter partijen de voor- en nadelen voorspiegelt en/of een voorlopig oordeel geeft van belang. Daarbij gaat het er partijen vooral om dat de rechter de argumenten van één van hen niet aandikt of dat de rechter niet op zo’n manier te werk gaat dat zij moedeloos worden. Ten tweede vinden sommige procesdeelnemers het niet prettig als er te lang doorgehamerd wordt op een schikking Drammerigheid is in de visie van partijen en advocaten niet gewenst. De moeilijkheid met deze twee lijnen is echter dat het sterk subjectieve percepties van partijen zijn. Wat de ene partij als een zeer stellig voorlopig oordeel of als door-hameren beschouwt, ervaart de andere partij mogelijk niet zo. Mogelijk ligt de oplossing bij het meer (dan nu het geval is) vragen naar en aansluiten bij de beleving van partijen bij het beproeven van een schikking.
Box 9: De door de (overige) acht partijen en vijf advocaten genoemde redenen waarom zij de schikking als een — door het gedrag van de rechter — gedwongen schikking kwalificeerden
Partijen:
1. ‘De rechter zei dat ik zou verliezen als ik zou doorprocederen.’
2. ‘De rechter waarschuwde ons voor de lange duur en een hoop gedoe met getuigen.’
3. ‘Er werd door de rechter stevig op de voordelen van schikken gewezen. Alle voor-en nadelen werden uitdrukkelijk geschetst.’
4. ‘Het leek of de rechter geen zin had in de zaak en er zo snel mogelijk vanaf wilde. Verder vertelde de rechter dat schikken de beste oplossing was. Anders zou het nog meer geld gaan kosten. Toen had ik geen keus meer.’
5. ‘De rechter wilde persé vandaag een uitkomst.’
6. ‘De rechter heeft ons met dreigende klemtoon naar de gang verwezen om te onderhandelen. Verder bleef de rechter maar aandringen dat schikken beter was dan doorprocederen.’
7. ‘De rechter liet mij na de schorsing waarin wij een schikking overeengekomen waren, eerst beloven dat ik bij die schikking zou blijven en daarna gaf hij toe, dat hij een fout in zijn voorlopig oordeel had gemaakt [in mijn nadeel].’
8. ‘Ik vond de rechter te stellig in zijn voorlopig oordeel. Daardoor werd alle mogelijkheid tot onderhandelen weggenomen en kreeg ik het gevoel dat doorprocederen moeilijk en onbetaalbaar zou zijn.’
Advocaten:
1. ‘De rechter veegde op voorhand al onze argumenten van tafel en gaf een hard voorlopig oordeel. Hierdoor was alle ruimte weg om te onderhandelen en werd mijn cliënt moedeloos.’
2. ‘De rechter stelde de argumenten van de wederpartij zwaarwegender voor dan zij waren. Deze waren in ons nadeel.’
3. ‘De rechter heeft te veel aangedrongen op een schikking.’
4. ‘De rechter heeft meerdere malen aangegeven dat schikken de goedkoopste optie zou zijn om dit geschil op te lossen. Mijn cliënt heeft onvoldoende middelen dus we zijn uiteindelijk maar tot een schikking gekomen.’
5. ‘De rechtbank heeft een vaste lijn in de jurisprudentie voor dit soort zaken. Als we niet schikken, dan zal het vonnis bijna altijd nadelig zijn.’
De vraag die dit alles oproept is of schikkingen die door één of meer procesdeelnemers als een — door het gedrag van de rechter — gedwongen schikking worden ervaren onwenselijk zijn of niet. Hierover bestaan nog weinig uitgekristalliseerde ideeën in de praktijk en in de literatuur. Er zijn verschillende perspectieven mogelijk.
Op de eerste plaats zou je kunnen zeggen dat het niet goed is als partijen dwang ervaren bij het aangaan van een schikking. Het is onprettig voor procesdeelnemers wanneer zij het gevoel hebben door de rechter gedwongen te worden een regeling te treffen met de wederpartij en af te zien van hun recht om de zaak te laten beslechten door een rechter. Bovendien lijken dwangschikkingen op gespannen voet te staan met het in Nederland geldende uitgangspunt dat partijen overeenkomsten moeten aangaan uit vrije wil. Vanuit dat oogpunt zijn dwangschikkingen onwenselijk.
Een tweede perspectief is dat de rechter op enig moment in de procedure een oordeel over het geschil zal moeten geven. Als de rechter dat niet ter zitting doet, zal hij dat enkele weken later in een vonnis doen. Maar waarom zou de rechter het niet al ter zitting doen? Dat heeft als voordeel dat partijen een realistisch beeld van hun eigen positie krijgen, de rechter een eventuele machtsonbalans tussen partijen kan wegnemen en hij partijen die te zeer de hakken in het zand hebben gezet, weer met beide benen op de grond kan zetten. Het voorlopig oordeel van de rechter kan partijen niet alleen helpen in hun schikkingsonderhandelingen, maar het geeft hen ook vast een idee van het definitieve oordeel van de rechter. Partijen ervaren door dit voorlopig oordeel mogelijk druk/dwang, maar enige druk/dwang is inherent aan ieder oordeel van de rechter. Als een partij een schikking als een dwangschikking beschouwt omdat de rechter een voor hem minder gunstig voorlopig oordeel heeft gegeven — met als gevolg concessies van deze partij en een schikking — dan is dat in feite slechts een weerspiegeling van zijn teleurstelling over de uitkomst van de procedure, een distributief element dus. Vanuit dit perspectief zijn dwangschikkingen niet problematisch.
Ten derde toont onderzoek van Van der Linden e.a. (2009) — dat beschreven staat in paragraaf 9.1.1.2 — aan, dat de ervaren (procedurele, interpersoonlijke en informatieve) rechtvaardigheid van de procesdeelnemers die de schikking als een dwangschikking hebben ervaren lager is dan die van de procesdeelnemers die hun schikking niet zo ervaren hebben, met alle gevolgen van dien (zie paragraaf 2.3). Blijkbaar gaat de wijze waarop de rechter een schikking beproeft bij een aantal procesdeelnemers ten koste van hun gevoel van participatie/inbreng, van hun gevoel met respect door de rechter behandeld te worden en ten koste van hun gevoel goed geïnformeerd te worden door de rechter over wat er gaande is tijdens de zitting. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat partijen het gevoel hebben niet echt te participeren als de rechter — zonder enig overleg — een voorlopig oordeel geeft en partijen vervolgens op geen enkele manier toestaat om op dat voorlopig oordeel te reageren. Vanuit dit perspectief zou het vooral gaan om de manier waarop een voorlopig oordeel wordt gegeven en (wat breder:) de manier waarop de rechter een schikking beproeft. Voegt de rechter bijvoorbeeld aan een voorlopig oordeel toe dat hij niet meer van plan is om op dit oordeel terug te komen, dan zal dat waarschijnlijk een ander effect hebben dan wanneer de rechter zijn voorlopig oordeel als een hypothese of een voorlopige denkrichting neerlegt en partijen de gelegenheid geeft om daarop te reageren.