Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.3.3.1
5.3.3.1 Betrouwbaarheid betreft enkel wilsafhankelijk bewijs; Saunders-criterium
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS486994:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), lijkt het Hof geen belang te hechten aan het al dan niet zelfbelastende karakter van verklaringen, althans wanneer die vóór het ‘charge’-moment worden afgedwongen. Dan is het belastend gebruik beslissend. Zie § 8.4 e.v. hierna.
Koops 2000, p. 45. De nadruk op de betrouwbaarheid van het bewijs biedt zodoende ook bescherming aan de verdachte. Daardoor wordt immers het risico van een veroordeling op grond van een onder te grote dwang afgelegde valse bekentenis of andere zelfbelastende verklaring gemitigeerd.
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 69.
Zie § 7.3.4.4 hierna.
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), pt. 4.
Feteris 2002(a), p. 284. Vgl. EHRM 25 september 2001 (P.G. en J.H. t. Verenigd Koninkrijk), waarin het Hof iemands stemgeluid daarmee gelijkstelt, zodat het heimelijk opnemen van het stemgeluid door de politie niet in strijd met nemo tenetur werd geoordeeld.
Het risico van onbetrouwbaar bewijs doet zich in ieder geval voor bij dwang tot zelfbelasting door het afleggen van een verklaring.1 Of de betrouwbaarheid van het bewijs als grondslag, zich naast verklaringen ook uitstrekt tot (bepaald) materiaal, zoals documenten en forensisch bewijs, is niet duidelijk. Het risico van onbetrouwbaarheid lijkt daarvoor vaak niet-bestaand of althans (heel) veel minder groot. Vgl. Koops die opmerkt dat naarmate de verdachte actiever moet meewerken, hij meer gelegenheid heeft het resultaat te manipuleren en de op hem uitgeoefende dwang minder gerechtvaardigd is. Omgekeerd geldt dat naarmate een onderzoeksmethode meer betrouwbaar bewijs oplevert (vgl. DNA-onderzoek), de gelding van het nemo tenetur-beginsel afneemt.2 Althans, als de betrouwbaarheid van het bewijs de enige grondslag voor nemo tenetur zou zijn (wat niet zo is; zie § 5.4 hierna).
Uitgangspunt: materiaal is van het recht tegen gedwongen zelfbelasting uitgezonderd
Koops lijkt hiermee het oog te hebben op het Saunders-arrest. In § 69 overweegt het EHRM dat in de rechtsorden van de verdragsstaten algemeen aanvaard is dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting zich niet uitstrekt tot materiaal dat kan worden verkregen van de verdachte onder uitoefening van dwang, maar dat een bestaan heeft onafhankelijk van zijn wil (‘material which may be obtained from the accused through the use of compulsory powers but which has an existence independent of the will of the suspect’; hierna ook: het ‘Saunders-criterium’).3 Het onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk bewijs is dan al gemaakt in art. 14, lid 3, onderdeel g IVBPR en – in zekere zin ook – in de rechtspraak van het Amerikaanse hooggerechtshof.4
Het Saunders-criterium is weinig helder – en daarmee ook het onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk bewijs respectievelijk het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting. In zijn noot onder het arrest merkt Knigge op dat, voor zover hij kan bedenken, het enige bewijsmateriaal dat afhankelijk is van de wil van de verdachte zijn spreken en zijn zwijgen is.5 In deze opvatting is alle materiaal wilsonafhankelijk en doet zich bij de gedwongen verkrijging ervan het risico van onbetrouwbaar bewijs niet voor.6 De betrouwbaarheid als grondslag van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, zou zich dan enkel uitstrekken tot het zwijgrecht (en niet ook het meeromvattende niet-meewerkrecht).