Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/337:337 Verhouding tot onvoldoende belang en fishing expedition
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/337
337 Verhouding tot onvoldoende belang en fishing expedition
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453460:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook mijn noot in JBPr 2005, 21 onder HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809, NJ 2005, 442, m.nt. W.D.H. Asser (Frog/Floriade).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De zwakte van de vordering in de hoofdzaak ten behoeve waarvan het voorlopig getuigenverhoor dient, is al eerder ter sprake gekomen bij de bespreking van onvoldoende belang (par. 7.5.2.3) en de fishing expedition (par. 8.4.3). Als bijvoorbeeld een vordering in de hoofdzaak juridisch of feitelijk kansloos is, bestaat onvoldoende (processueel) belang bij een voorlopig getuigenverhoor. Een vordering is kansloos als bij oppervlakkige beoordeling blijkt dat de vordering in de hoofdzaak hoogstwaarschijnlijk zal worden afgewezen. De vordering is dan zo zwak, dat de zwakte van de vordering een zelfstandige grond voor afwijzing van het voorlopig getuigenverhoor oplevert. De verzoeker kan echter ook voldoende belang hebben bij een voorlopig getuigenverhoor – bij oppervlakkige beoordeling blijkt niet dat de vordering hoogstwaarschijnlijk zal worden afgewezen – maar in het licht van andere, zwaarwegender belangen een te zwak materieel recht hebben om het houden van een voorlopig getuigenverhoor te rechtvaardigen.1 Hoe zwakker het materiële recht, des te minder andere zwakke factoren aan de kant van de verzoeker en/of sterke factoren aan de kant van de verweerder nodig zijn om te geraken tot de afwijzing van een voorlopig getuigenverhoor.